Historische context
×

Historische context

Meer afbeeldingen


1150-1300

het ontstaan van een agrarische nederzetting
Kampen is als dijkdorp ontstaan op de westelijke oever van de IJssel. Tot ver in de middeleeuwen was dit gebied een wildernis langs het moerassige Almere. Dit veranderde in de 11e en 12e eeuw, toen men op initiatief van de bisschop van Utrecht startte met de ontginning van het veenlandschap. Er werd een rivierdijk aangelegd om bewoners te beschermen tegen hoogwater van de IJssel. De dijk kwam in fasen tot stand, begon vanaf Brunnepe als Noordweg en volgde in Kampen het tracé van de Oudestraat. 

Aan de Oudestraat ontstond lintbebouwing op ruim opgezette percelen die zich vanaf de dijk westwaarts uitstrekten tot aan de Burgel en gescheiden waren door kavelsloten. De vrijstaande houten huizen werden gebouwd op individuele woonterpen, die later aaneen zouden groeien tot een stadsterp. Aanvankelijk was Kampen een dorp met een hoofdzakelijk agrarisch karakter, maar uiteindelijk zouden waterstaatkundige veranderingen er in relatief korte tijd voor zorgen dat Kampen van een bescheiden dijkdorp transformeerde in een welvarende handelsstad.

van dijkdorp tot handelsstad
Tot het laatste kwart van de 12e eeuw was de IJssel ten noorden van Zwolle door zandbanken niet bevaarbaar. De stormvloeden van 1164 en 1170 brachten hier op ingrijpende wijze verandering in. Niet alleen was de IJssel nu over de volle lengte bevaarbaar, Kampen lag voortaan aan de monding van de IJssel in de nieuw ontstane Zuiderzee. Er ontstond een directe vaarroute van het Rijnland via de IJssel naar de Noordzee en het Oostzeegebied, waar Kampen enorm van zou profiteren. 

De nederzetting groeide door haar gunstige ligging in de 13e eeuw uit tot een belangrijk knooppunt in de rivier- en zeehandel in Noord- en Noordwest Europa. Kampenaren legden zich hoofdzakelijk toe op de transitohandel, in het begin vooral gericht op Scandinavië en de Oostzee (Ommelandvaart), waarbij zij optraden als vrachtvaarders voor kooplieden uit andere steden. Hun schepen bleven buiten het vaarseizoen dan ook vaak achter in ‘vreemde’ havens en de handel vond voornamelijk plaats buiten Kampen om. Hierdoor ontbraken in de stad elementen als scheepswerven, pakhuizen en een grote haven. In de 14e eeuw breidde de transitohandel zich uit en onderhield Kampen als Hanzestad overzeese handelscontacten tussen het Oostzeegebied en Frankrijk, Engeland, Vlaanderen, Holland en Zeeland.

1300-1400

verstedelijking en uitbreiding
De mogelijkheden van de zee- en rivierhandel leidde tot de komst van talloze immigranten, waardoor de bevolking in rap tempo groeide en de nederzetting in omvang toenam. Deze was al in de prestedelijke fase geheel omgracht en begrenst door de de IJsseldijk (Oudestraat) in het oosten, het veenriviertje de Reeve in het zuiden en door een verbindingsgracht tussen de Burgel en de IJssel ten zuiden van de Burgwalstraat in het noorden. Het zwaartepunt van de nederzetting lag waarschijnlijk in het zuiden, waar omstreeks 1200 een tufstenen romaanse kerk gebouwd was, gewijd aan Sint Nicolaas. 

Nog in de 13e eeuw zal de behoefte aan bouwgrond sterk zijn toegenomen. Aan de rivierzijde vond ten oosten van het zuidelijk deel van de Oudestraat uitbreiding plaats door aanplemping. De kade schoof hiermee op tot dicht bij de rooilijn van de Voorstraat-westzijde. Het stadsgebied had zich inmiddels in noordelijke richting uitgebreid tot aan de Gasthuisstraat. Binnen de omgrachting werd bouwruimte gewonnen door de riante kavels van de Oudestraat zowel in de lengte als in de breedte op te splitsen. Ter ontsluiting werden parallel aan de Oudestraat de Nieuwstraat en vervolgens de Hofstraat aangelegd, voor het eerst in de bronnen vermeld in respectievelijk 1319 en 1339. Om nog meer ruimte te kunnen bieden aan het steeds groeiende inwoneraantal vond in de perioden 1324-1337 een stadsuitleg plaats, waarbij de noordelijke grens opschoof tot aan de Botervatsteeg. Na nieuwe uitbreidingen in 1337-1390 en 1460-1505 bereikte het stedelijk gebied van laat-middeleeuws Kampen de omvang die de stad tot in de 20e eeuw zou behouden en die op stadsplattegronden uit de 16e en 17e eeuw is weergegeven. 

verstening van de stad
Hoewel van het verlenen van stadsrechten en het bijbehorende recht om de stad te voorzien van verdedigingswerken in de archieven elk spoor ontbreekt, begon men in Kampen in de tweede helft van de 13e eeuw met de bouw van een bakstenen stadsmuur. Het zuidelijke en westelijke segment bevond zich aan de binnenzijde van de Burgel. Aan de oostzijde kwam de stadsmuur ongeveer 9 meter achter de toenmalige kade aan de IJssel te staan. De noordgrens van de 13e-eeuwse muur is vooralsnog onzeker. Tegelijkertijd met het bouwproces ontwikkelde zich in Kampen en de directe omgeving een eigen baksteenindustrie. De genoemde stadsuitbreidingen maakten in de 14e eeuw logischerwijs ook verlenging en uitbreiding van de stadsmuur noodzakelijk. Zo werd omstreeks 1380 de stadsmuur langs de rivier ten oosten van de Oudestraat een stuk opgeschoven nadat hier door grondstortingen meer ruimte gecreëerd was. De hier aangelegde straat kreeg de naam achter de Nije Mure, wat later de Voorstraat genoemd zou worden. Diverse stegen en meerdere stadspoorten verleenden toegang tot de nieuw ontstane handelskade.

De Oudestraat bleef gedurende en na de diverse stadia van uitbreidingen de spil van de stad, waar het merendeel van alle straten en stegen op aansloten. Aan beide uiteinden stonden de twee parochiekerken en hier waren de grootste en meest aanzienlijke huizen gebouwd. De verstening van woonhuizen kwam aan de Oudestraat waarschijnlijk al voor 1300 op gang. Op de langgerekte percelen werden al vroeg achterhuizen en eenkamerwoningen gebouwd die door de smalle stegen ontsloten waren. Vanaf het eerste kwart van de 14e eeuw verrezen ook aan andere straten stenen huizen. Het stadsbestuur stimuleerde met subsidies en regelgeving het bouwen van gemeenschappelijke stenen scheidingsmuren en de toepassing van dakpannen, voornamelijk om het gevaar van stadsbranden tegen te gaan. Geleidelijk werden ook steeds meer gevels in baksteen opgetrokken. Het versteningsproces zal tegen het einde van de 15e eeuw grotendeels voltooid zijn. In 1482 stopte de Raad namelijk met de subsidieregeling voor pannendaken.  

Met de bouw van het Raadhuis centraal in de Oudestraat omstreeks het midden van de 14e eeuw, verplaatste het economisch en bestuurlijk centrum zich van de omgeving van de Bovenkerk naar het gebied rond de Vispoort. Dit werd in 1448 bevestigd met de bouw van een vaste IJsselbrug op deze locatie.

na 1450

einde van de bloeitijd
In de tweede helft van de 15e eeuw liep het aandeel van Kampenaren in de internationale vrachtvaart terug. Zij ondervonden in het transitoverkeer hevige concurrentie van de Hollanders, die geleidelijk de overzeese handel overnamen. De neergang in de scheepvaart was tevens een gevolg van de toenemende verzanding van de monding van de IJssel. Het regelmatig dichtslibben van de rivier zorgde ervoor dat (de steeds groter wordende) zeeschepen niet meer konden passeren. Hiermee verdween de belangrijkste aanjager van de stedelijke economie.

De neergang van de maritieme handel in de 16e en 17e eeuw kon deels opgevangen worden door het uitgebreide grondbezit en de opbrengsten van bierbrouwerijen, linnenweverijen en uit de agrarische sector. Halverwege de 13e eeuw had de Utrechtse bisschop aan Kampen al aanzienlijke stukken land met weiderecht verleend in het westelijke poldergebied. In 1363 volgde de schenking van de Kamper eilanden en vanaf 1382 was Kampen gerechtigd tot het houden van drie vrije jaarmarkten. Op deze wijze verkreeg de stad een bescheiden regionale centrumfunctie. De Oudestraat bleef de belangrijkste straat, de plek waar tot in de 18e eeuw vooral kooplieden en notabelen zich vestigden. In de 19e eeuw worden de huizen in toenemende mate bewoond door de opkomende middenstand en vinden er op kleine schaal ambachtelijke en industriële activiteiten plaats. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw ontwikkelt de Oudestraat zich tot de belangrijkste winkelstraat van de stad.

1400-1600
×

1400-1600

Meer afbeeldingen


voorname bewoning en nijverheid
Gezien de vooraanstaande positie die de Oudestraat binnen de tegen het eind van de 15e eeuw bijna volledig versteende stad Kampen innam, heeft waarschijnlijk ook het pand Oudestraat 34 rond deze tijd al stenen muren gehad. Vanwege de aanwezigheid van latere afwerkingen tijdens het onderzoek kon de aanwezigheid van middeleeuwse muren echter niet vastgesteld worden. 

Dankzij eerder – uitputtend - onderzoek naar belastingregistraties door H.W. van den Hoven is vanaf de 15e eeuw bekend wie er in het pand gewoond heeft of eigenaar was. Als vroegst bekende bewoner/eigenaar wordt Geert Sijmonssoen genoemd in 1443. Daarna wordt brouwer Igerman Henrixsz in 1511 geregistreerd. Een anekdote uit 1490, opgeschreven in het register van aanhangige zaken (Liber Causarum), geeft een inkijkje in het kennelijk soms wat moeizame brouwersbestaan van Henrixsz. Zo werd melding gemaakt dat hij de stedelijke bierproevers die in zijn huis proeven kwamen nemen ‘hoogmoedig, smadelijk en spijtig heeft bejegend’. Hij verzette zich tegen de ordonnantie die de Raad en de Gezworen Gemeente hadden opgesteld. Hierop waarschuwde de Raad hem voor zijn rebelse gedrag of anders zouden ze hem moeten corrigeren. 

Een groot deel van de 16e eeuw wordt de naam Igermans als bewoner/eigenaar geregistreerd (met daarin een kleine tussenpauze) waaruit op te maken is dat deze familie waarschijnlijk lange tijd de eigenaar van het pand is geweest. De zoon van Igerman Henrixsz, Lubbert Igermans (zijn achternaam is een patroniem en kan gelezen worden als Igerman’s zoon) staat in 1527 geregistreerd. Daarna komt het in handen van Claes Igermans, die schepen was in het stadsbestuur van Kampen. Enkele van zijn lakzegels zijn bewaard gebleven waarop zijn wapenschild met een Haan staat afgebeeld. In 1572 werd het pand bewoond door huurder Claes Glauwe maar blijft het waarschijnlijk in bezit van de familie Igermans, gezien het feit dat de weduwe van Claes Igermans in 1598 weer is geregistreerd. Ook Claes Glauwe komt uit een gegoede Kamper familie die reeds aan het begin van de 15e eeuw een aanzienlijke status had. In de eerste helft van de 16e eeuw komen enkele telgen als schepen in het stadsbestuur: Geert Glauwe, Johan Glauwe als Lambert Glauwe. [H.W. van Hoven, 1997-1999, K. Schilder, 1978]

mogelijke laat-middeleeuwse restanten
Tijdens het onderzoek kon niet worden vastgesteld of het huidige pand nog laat middeleeuwse onderdelen bevat. Het metselwerk van de bouwmuren en de verdiepings- en tweede verdiepingsbalklaag zijn niet in het zicht. De aanwezigheid van laat-middeleeuwse onderdelen is wel aannemelijk, over het algemeen zijn bouwmuren en balklagen van de oorspronkelijke bouwmassa vaak nog aanwezig. Het opmerkelijke hoogteverschil in vloerniveau tussen het voorste deel van het huis en het achterste deel getuigt mogelijk nog van de beëindiging van het oorspronkelijke voorhuis. Ook de versmalling/versnijding in het metselwerk op de tweede verdieping zou een aanwijzing voor een latere verhoging van deze bouwmuur kunnen zijn, hoewel dit onzeker blijft vanwege de aanwezigheid van latere afwerkingen.

 

1600-1900
×

1600-1900

Meer afbeeldingen

Kampen op de kaart
Enkele 16e- en 17e-eeuwse kaarten van Kampen geven nog geen betrouwbaar beeld van de individuele panden maar wel een overzicht van stedelijke structuur. De kaarten van Paulus Utenwael (1598), Johannes Blaeu (1640-1650) en Frederik de Wit (1698) tonen aan dat de contour van het rechthoekige bouwblok nog altijd ongewijzigd is gebleven. Hoewel opgemerkt dient te worden dat op de kaarten van Blaeu en De Wit de bouwblokken als vrijstaande eenheden in de stad weergegeven zijn. In werkelijkheid heeft de Oudestraat echter juist twee opmerkelijk gesloten straatwanden met daarin slechts enkele straten en veel smalle steegjes. De kadastrale minuutkaart uit 1832 maakt zichtbaar dat achttien langwerpige percelen (met private stoepen) binnen dit bouwblok aan de Oudestraat zijn gelegen.

nijverheid en wonen
In de 17e eeuw wordt ook een beeld gegeven van de beroepen van de bewoners. Zo is Gerrit Gerrits kuiper van beroep, hij is in 1628, 1643 en 1661 geregistreerd, Thoenijs Sael werd in 1643 als bovenbewoner genoemd. Daarna valt er een gat van bijna zeventig jaar in de registratie en dus ook de informatievoorziening over de bewoners en eigenaars. Op 16 juli 1732 werd het pand verkocht door Willem Steenwijk aan Gerrit Bijsterbos. Gerrit Bijsterbos vestigt een hypotheek op het pand zodat hij een duffelfabriek in het pand kon onderbrengen. Duffel is een dikke wol waar onder meer jassen van werden gemaakt. Bijsterbos was ook de beheerder van de stadsvolmolen, waar hij de wol bewerkte door het machinaal te stampen.

Ruim een halve eeuw na de aankoop van Oudestraat 34 gaat het kennelijk bergafwaarts met het bedrijf. Eind 1782 werd een advertentie in de krant geplaatst waarin schuldeisers werd opgeroepen zich te melden bij de curatoren van de insolvente boedel van Gerrit Bijsterbosch en zijn vrouw Maria Swarts. Op 13 mei 1783 werd het pand middels een gerechtelijke verkoop van de hand gedaan. De koper was Jan Arink die als trijpwever de industriële textielfunctie in het pand voortzette. Trijp is een kostbaar weefproduct van het haar van de Angorageit en werd gebruikt als meubelbekleding, wandbekleding en galakleding. 

Tussen 1803 en 1813 verhuisde Jan Arink naar Amsterdam waarop hij op 25 november 1816 het pand verkocht aan Ludwig Wilhelm Schmidt. Hij is vóór 1829 overleden want in dat jaar staat de weduwe van Ludwig, Catharina van Broekhuizen geregistreerd samen met de huurders juffrouw Rigter en (kapitein?) Oelinger. Ook in 1839 staan naast eigenaresse Catharina van Broekhuizen enkele huurders geregistreerd, uitsluitend vrouwen. Waarschijnlijk is ze in 1842 overleden want in dat jaar gaat het pand over op Willem van Winsum, Schuiermaker van beroep. Een schuiermaker werd ook wel borstelmaker genoemd en produceerde borstels, bezems, stoffers en kwasten. Ook zijn zoon Arend van Winsum was Schuiermaker, hij bezat het pand tot zijn dood in 1860.

modernisering van de voorgevel en het interieur
Gezien de neoclassicistische architectuur en de toepassing van (oorspronkelijke?) gietijzeren rozetankers is de gevel waarschijnlijk rond 1850 tot stand gekomen, mogelijk dus in opdracht van de familie Van Winsum. In die bouwfase is ook het interieur op de eerste verdieping tot stand gekomen. Hiervan is nog de indeling met gangstructuur en voorkamer met binnenluiken, schouw en het stucplafond overgebleven. 

In 1879 vond er een perceelscheiding plaats tussen het voorhuis en het achterhuis. Om zeker te zijn van toegang tot het voorhuis via de achtergelegen Hofstraat werd er bij het perceel een gangetje opgenomen. De perceelsscheiding duidt waarschijnlijk op een (functie)scheiding tussen voor- en achterhuis. Mogelijk wenste men een bredere etalage aan de Oudestraat, zodat de toegang tot de bovengelegen woningen niet via de winkelruimte plaats vond. Het pand bleef tot 1890 binnen de familie Van Winsum.

1900-heden
×

1900-heden

Meer afbeeldingen


van nijverheid naar winkel
In 1890 verkocht de familie Van Winsum het pand aan kruidenier Hendrik van ’t Oever. De winkelruimte aan de Oudestraat werd in die tijd gehuurd door slager Aaron van Gelderen. Eigenaar Hendrik van ’t Oever verkocht het achterhuis in 1893. Van ’t Oever overleed in 1915 waarop de zaak overging in de handen van zijn zoon Dirk van ’t Oever. In 1964 werd het pand verkocht aan Andries Visser, van oorsprong een zaadhandelaar te Steenwijk die zich later als tuinwinkel profileerde. Datzelfde jaar werd de winkelpui nog gewijzigd. Verder zijn het tentdak en de platte daken in de 20e eeuw tot stand gekomen. 

Verder werd de indeling van de begane grond geheel gesloopt ten behoeve van de vergroting van winkeloppervlakte. Twee jaar later, in 1966, zijn er twee slaapkamers gecreëerd op de tweede verdieping aan de achterzijde waarbij ook de vensterindeling is aangepast in het ritmiek van de verdiepingsvensters van de achtergevel. Nog eens twee jaar later, in 1968, werd de winkelpui nogmaals gewijzigd en werd bovendien de winkel vergroot door de binnenplaats te overbouwen. Verder zijn het tentdak en de platte daken in de 20e eeuw (getuige de bouwtekeningen vóór 1966) tot stand gekomen. 

In 1982 werd het pand verkocht aan een Tilburgse ontwikkelingsmaatschappij. Tuinwinkel Andries Visser vertrok in 1988 uit het pand vanwege ruimtegebrek. Het (economisch) zwaartepunt van het pand is inmiddels vooral op de winkelfunctie komen te liggen. Een deel van de straat werd in die jaren dan ook als autovrije winkelpromenade ingericht. De verschillende winkel(ketens) wisselden in een relatief hoog tempo, zo hebben onder andere een damesmodezaak, een groenteman en nu een fotowinkel in het pand gezeten. Ook de winkelpui wijzigt, net als elders in de Oudestraat, relatief snel. 

Historische context
1400-1600
1600-1900
1900-heden

Introductie


aanleiding
Op dit moment worden plannen gemaakt voor de verbouwing van Oudestraat 34 (Rijksmonument) in Kampen. In de huidige situatie is de begane grond van beide panden in gebruik als winkelruimte, de verdiepingen worden bewoond. Vanwege de monumentenstatus is voor het pand om een bouwhistorische verkenning met waardestelling gevraagd. Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan bepaald worden welke cultuurhistorische waarden bij de veranderingen in het geding zijn en waar de ruimte ligt voor nieuwe ontwikkelingen. 

onderzoek
Het onderzoek was gericht op het in kaart brengen van de bewaard gebleven historische structuur van het pand en de daarin te onderscheiden bouwfasen. Allereerst zijn de aanwezige gegevens in de literatuur en archieven geïnventariseerd. Hiervoor is een bezoek gebracht aan het Stadsarchief in Kampen. Hier zijn de beschikbare 20e-eeuwse bouwtekeningen geraadpleegd en zijn de door H.W. van den Hoven opgestelde lijsten met bewoningsgeschiedenis van de Oudestraat vanaf de 16e eeuw bekeken. Via diverse beeldbanken is historisch beeldmateriaal verzameld en via het Kadaster zijn kadastrale kaarten opgevraagd.  

Het veldwerk is uitgevoerd op 6 augustus 2018. Het onderzoek heeft plaatsgevonden conform de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek van april 2009 en had betrekking op de verdieping(en) en zolder van de hoofdbebouwing aan de straat. Op de begane grond gaan alle mogelijke bouwsporen schuil achter de afwerking van het moderne winkelinterieur.  

digitale rapportage
Alle gegevens zijn chronologisch geordend en digitaal gepresenteerd in opeenvolgende vensters in de tijdlijn en voorzien van een waardering op www.tijdbeeld.com. De directe link naar de afgeschermde rapportage is: http://www.tijdbeeld.com/projecten/80/kampen

Hoewel via de website een PDF-versie van het rapport gegenereerd kan worden, is dit hoofdzakelijk bedoeld als archieffunctie. Tekst en afbeeldingen zijn optimaal te bekijken via bovenstaande link. 


situering
Oudestraat 34 vormt een onderdeel van de westelijke gevelwand van de Oudestraat, in het bouwblok dat verder begrensd wordt door de Burgwalstraat, de Hofstraat en de Geerstraat. Het voormalige open binnenterrein aan de achterzijde is ter plaatse van de begane grond overbouwd.

beschrijving
Oudestraat 34 is gebouwd op een rechthoekige plattegrond en telt drie bouwlagen. Aan de voorzijde gedekt onder een tentdak, aan de achterzijde zit een plat dak. De voorgevel is uitgevoerd als drie-assige lijstgevel. Tussen de forse vensters zitten smalle bakstenen penanten. De begane grond wordt ingenomen door een moderne winkelpui. De verdiepingsvensters zijn uitgevoerd als schuiframen, de vensters op de tweede verdieping hebben in vergelijking met de verdiepingsvensters een mezzanino-achtige proportie.

De rechthoekige achtergevel is gepleisterd en met een donkergrijze verf afgewerkt. De gevel met twee vensterassen bevat een deur naar het platte dak van de overbouwing.

Advies en waardering


samenvatting bouwgeschiedenis
Gedurende de 16e eeuw is het pand bewoond door het aanzienlijke geslacht Igermans, die een functie hadden als Schepen in het Kamper stadsbestuur. Van Igerman Henrixsz is bekend dat hij een brouwerij had. Waarschijnlijk werden de functies wonen en nijverheid altijd gecombineerd in het pand Oudestraat 34. Ook in de 17e-, 18e- en 19e eeuw vond er bedrijvigheid plaats. Zo woonde er een kuiper, een duffelfabrikant, een trijpwever en een borstelmaker in het pand. 

Omdat bouwmuren en de verdiepings- en tweede verdiepingsbalklaag niet in het zicht zijn, is het moeilijk grip te krijgen op de vroegste ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van het pand. Mogelijk stamt een deel van het casco nog uit de late middeleeuwen. De eenvoudige neoclassicistische lijstgevel en het interieur in de voorkamer op de eerste verdieping dateren uit het midden van de 19e eeuw. In de 20e eeuw komt het economische zwaartepunt van het pand steeds nadrukkelijker op de winkelfunctie te liggen. De daken dateren uit deze periode. De winkelpui op de begane grond moet vanwege de representatieve functie voor de winkel met de tijd meegaan en wordt dus regelmatig aangepast. 

waardering

De cultuurhistorische waardering is onderverdeeld in de volgende deelwaardestellingen: 

algemene historische waarden en waarden vanuit de gebruikshistorie

  • Hoewel Oudestraat 34 een lange bewonings- en gebruiksgeschiedenis kent, resteert vrijwel niets dat herinnert aan het historische gebruik. In de huidige staat is alleen de 19e-eeuwse woonfunctie op de eerste verdieping een herkenbare historische functie. 

ensemblewaarden en stedenbouwkundige waarden

  • Oudestraat 34 is van belang als onderdeel van de historische straatwand van één van de belangrijkste straten in Kampen, de Oudestraat. De kleinschalige bouwmassa’s en variatie van de gevels door de historische ontwikkeling van de straatwand zijn hierbij de belangrijkste factoren.
  • Vanwege de historische lijstgevel vervult het pand een beeldondersteunende rol in het straatbeeld.

architectuurhistorische waarden

  • De architectuurhistorische waarde van het pand wordt met name bepaald door de goed bewaarde midden 19e-eeuwse voorgevel en de interieurelementen in de voorkamer op de eerste verdieping. De drie vensterassen met forse vensters en dunne penanten met daarboven de kroonlijst bepalen het uiterlijk van de neoclassicistische lijstgevel. De winkelpui op de begane grond bevat geen enkele historische elementen meer.
  • De indeling op de eerste en tweede verdieping is gedeeltelijk gewijzigd, maar is op onderdelen nog oorspronkelijk. Hierbij gaat het om de gangstructuur en de voorkamer. De indeling van de twee achterkamertjes op de tweede verdieping is later tot stand gekomen. Van de historische indeling op de begane grond is niets meer overgebleven.

bouwhistorische waarden

  • Ondanks dat niet alle onderdelen goed onderzocht konden worden vanwege de aanwezigheid van latere afwerkingen, hebben de onderdelen zoals bouwmuren, balklagen, rookkanalen en enkele binnenmuren een verwachtte bouwhistorische waarde. Ook de voorgevel is vanaf verdiepingshoogte bouwhistorisch waardevol. De waarde van de balklaag van het platte dak is indifferent.