U.L.O. en scholenbouw
×

U.L.O. en scholenbouw

Meer afbeeldingen


Eeuwenlang werd het onderwijs in Nederland verzorgd door zowel gemeentebesturen, kerken en particulieren. Er werd vooral hoofdelijk onderwijs gegeven, waarbij kinderen één voor één bij de onderwijzer geroepen werden. De leerlingen zaten aan lange tafels in huizen, pakhuizen en schuren. Tegen het einde van de 18e eeuw leverden onderwijshervormers in toenemende mate kritiek op de wanorde en slechte hygiënische toestanden in de ‘klaslokalen’. Nadat de zeven gewesten in 1795 werden verenigd in de Bataafse Republiek, ging de nieuw ontstane landelijke overheid zich structureel bemoeien met de regelgeving omtrent scholen. De onderwijswet van 1806 leidden definitief tot de afschaffing van het hoofdelijk onderricht en de landelijke invoering van het klassikaal onderwijs [Meijel, L. van (e.a.) 2003, 10-14]. 

Van zaalschool tot gangschool

Na de onderwijshervormingen werden leerlingen in het lager onderwijs verdeeld over drie op niveau ingedeelde klassen. In 1811 werd een standaardontwerp gemaakt voor een klassikale lagere school: een vrijstaand rechthoekig gebouw met in het midden centraal de entree. In dit modelontwerp, de zogenaamde zaalschool, zaten klassen weliswaar afgezonderd naast elkaar, maar kregen zij nog altijd in één ruimte les van één onderwijzer. Vernieuwend was de introductie van een blinde werkmuur met schoolborden. Daarnaast besteedden de opeenvolgende 19e-eeuwse schoolwetten aandacht aan voorschriften voor voldoende lucht, ruimte en lichtinval en beter meubilair. Bij de eerste schoolgebouwen gaf de entree direct toegang tot het klaslokaal. In sommige gevallen plaatste men de entree in een uitgebouwde portiek om meer ruimte te creëren tussen het lokaal en de buitenruimte [Santen, B. van 2007, 11-14]. 

In de loop van de 19e eeuw kwamen er aangescherpte voorschriften voor de bouw van scholen en uitgebreidere onderwijsprogramma’s, vanaf 1878 door het Rijk gestimuleerd met subsidies. De introductie van meer verplichte vakken voor het lager onderwijs in de schoolwet van 1857 maakte de verdeling van de school in meerdere lokalen noodzakelijk en had zo direct invloed op de ontwikkeling van het schoolgebouw. Er ontstond een nieuw schooltype, de gangschool, dat tot ver in de 20e eeuw de norm zou vormen. Het schoolgebouw bleef rechthoekig van opzet en werd opgedeeld door fysiek gescheiden, naast elkaar gesitueerde klaslokalen. De oriëntatie in het lokaal werd een kwartslag gedraaid. Leerlingen keken niet meer naar de brede, maar naar de smalle muurzijde met bij voorkeur links invallend zijlicht. Een gang langs de achtergevel van het gebouw zorgde voor de ontsluiting van de lokalen aan de voorzijde [Leenheer-Wessel, E. en R. Blijdenstijn (red) 1997, 11-13]. 

Het uitgebreid lager onderwijs (U.L.O.)

Vanaf 1857 werd op de lagere scholen verplicht les gegeven in lezen, schrijven, rekenen, vormleer, Nederlandse taal, (vaderlandse) geschiedenis, aardrijkskunde, kennis van de natuur en zingen. Daarnaast werd ook de M.U.L.O. geïntroduceerd, een school voor meer uitgebreid lager onderwijs. Het M.U.L.O. maakte wettelijk deel uit van het lager onderwijs, maar was in feite vervolgonderwijs. De wet stond het toe het vakkenaanbod uit te breiden met wiskunde, gymnastiek, landbouwkunde, tekenen, levende talen en handwerken voor meisjes. M.U.L.O. scholen voorzagen in een stijgende behoefte aan vervolgonderwijs in de vorm van verlengd lager onderwijs [Leenheer-Wessel, E. en R. Blijdenstijn (red) 1997, 8-9].

Met de Wet op het Lager Onderwijs werd in 1920 vastgesteld dat de lagere school werd ingedeeld in zes jaarklassen. De term M.U.L.O. werd bij wet gewijzigd in U.L.O. (uitgebreid lager onderwijs). Daarnaast betekende de wet het einde van de schoolstrijd; er kwam financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder (confessioneel) onderwijs. Het drie- of vierjarige U.L.O. sloot aan op het zesde leerjaar van het lager onderwijs en omvatte de reeds genoemde bovenstaande vakken, uitgebreid met keuze uit Frans, Duits, Engels, wiskunde en handelskennis. Algemene geschiedenis, handenarbeid, landbouwkunde, tuinbouwkunde, vrouwelijke handwerken en huishoudkunde waren facultatief. In 1968 werd na de invoering van de Mammoetwet het U.L.O. afgeschaft en vervangen door het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo). 

Het U.L.O. onderwijs was ook in Apeldoorn populair en maakte in de loop van de 20e eeuw een sterke groei door. Het totaal aantal kinderen dat naar een U.L.O. school ging steeg van 446 in 1930 naar 1206 leerlingen in 1948. Het U.L.O. was in het sterk verzuilde Apeldoorn verdeeld in Christelijk Protestants (43,7%), openbaar (36,9%) en Rooms-Katholiek (19,4%) onderwijs. In aanloop naar de bouw van de Prof. Kohnstammschool wordt de verwachting uitgesproken dat de sterke groei van het openbaar U.L.O. geleidelijk wel haar hoogtepunt bereikt heeft en dat het leerlingaantal zal blijven schommelen tussen de 1,3 en 1,4% van de totale bevolking [CODA, 006, inv.nr. 8986, H. Millenaar,  Beschouwing over het U.L.O. onderwijs in de gemeente Apeldoorn, 1949]. Apeldoorn kreeg echter door de toenemende industrialisatie en bevolkingsgroei meer en meer een stedelijk karakter en had na de Tweede Wereldoorlog dringend behoefte aan extra schoolgebouwen. Tussen 1945 en 1957 openden maar liefst 22 lagere scholen hun deuren en geleidelijk werd vervolgonderwijs na de lagere school gemeengoed [Frank 2011, 55].

 

Westenenk
×

Westenenk

Meer afbeeldingen


Op de kruising van de wegen van Amersfoort naar Deventer en van Arnhem naar Zwolle ontwikkelde zich vanaf de middeleeuwen een dorpskern. De omgeving bestond lange tijd uit een landschap van enken, heidegronden en broeklanden, doorsneden door onverharde wegen, beken en sprengen. Ter hoogte van het schoolgebouw lag de Westenenk, een akkercomplex dat door continue plaggenbemesting in de loop der eeuwen was opgehoogd. Ten westen hiervan stroomden de Ugchelse beek en de Winkeweijert, die de infrastructuur vormden voor meerdere papiermolens en later wasserijen. De bebouwing beperkte zich tot in het eerste kwart van de 20e eeuw tot kleine clusters rondom de molens en enkele verspreid gelegen boerderijen. De huidige Hoenderparkweg is in oorsprong een historische verbindingsweg in zuidelijke richting tussen de beken en de Westenenk. 

De vooroorlogse bebouwing van de Metaalbuurt

Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw maakte Apeldoorn een flinke groei door, aangezwengeld door de verbeterde infrastructuur. Wegen werden verhard, het in 1829 als verbinding met Hattem gegraven kanaal werd in 1858-1869 als Apeldoorns Kanaal doorgetrokken naar Dieren en de dorpskern werd in de periode 1869-1891 aangesloten op het landelijk spoorwegennet. Toenemende industriële bedrijvigheid en bevolkingsgroei maakten uitbreiding van de woonbebouwing noodzakelijk. In het begin van de vorige eeuw werden plannen gemaakt voor complexmatige sociale woningbouw op de Westenenk. De in 1915 opgerichte Woningbouwvereniging ‘De Goede Woning’ bebouwde het gebied tussen 1917 en 1920 met arbeiderswoningen, in 1924 gevolgd door de aanleg van het Westenenkerpark: het vooroorlogse deel van de Metaalbuurt. Van de uitvoering van plannen in de jaren ’20 en ’30 voor het verandering van de infrastructuur en toenemende bebouwing van de Westenenk kwam door de economische crisis en het uitbreken van de Tweede wereldoorlog uiteindelijk niet veel terecht. 

Naoorlogse stadsuitbreiding 

Na de oorlog moesten er door het snel toenemende inwonertal opnieuw plannen worden opgesteld voor de uitbreiding van woongebieden. Apeldoorn was één van de snelst groeiende gemeenten van Nederland, waardoor woningnood zeker ook hier ‘volksvijand nummer 1’ was. Uit deze perioden dateren het Uitbreidingsplan in Hoofdzaak uit 1948-1949, het Structuurplan uit 1950 en het Uitbreidingsplan in Onderdelen wijk Westenenk uit 1950-1953. De Metaalbuurt werd kort na de Tweede Wereldoorlog voltooid met complexmatige woningbouw tussen de Staalweg en de Westenenkerweg. Het bestaande Westenenkerpark werd gehandhaafd en omgevormd tot recreatiepark van de nieuw te vormen wijk.

Situering van de Prof. Kohnstammschool

Aanvankelijk zou de Prof. Kohnstammschool in de wijk Wormen gebouwd worden, maar na advies van sociograaf H. Millenaar en de Directeur Gemeentewerken koos men uiteindelijk voor de wijk Westenenk. Een belangrijk argument voor deze locatie was de verwachte ontwikkeling van Westenenk en Apeldoorn-Zuid en de daarmee gepaard gaande bevolkingsgroei. Daarnaast lag de wijk strategisch ten opzichte van het grote verzorgingsgebied van de school: Wormen, Westenenk, Ugchelen, Beekbergen en omgeving, Loenen en Klarenbeek. Tot slot hechtte men belang aan een school in deze wijk als beeldbepalend element. Als alle scholen in Wormen gesitueerd zouden worden ‘ontstaat het gevaar, dat de wijk Westenenk door het gemis van representatieve bouwwerken in de toekomst een eentonige, saaie wijk zal worden’ [CODA, 006, inv.nr. 8986, H. Millenaar,  Beschouwing over het U.L.O. onderwijs in de gemeente Apeldoorn, 1949].

Het blijkt dat de vaak aangehaald wijkgedachte in wederopbouwwijken in het geval van scholenbouw in Apeldoorn vooral pragmatisch benaderd werd: ‘Uit theoretisch oogpunt lijkt het prachtig iedere wijk ook zijn noodzakelijke U.L.O. school te geven, waardoor de afstanden tot de school klein blijven, de schooljeugd niet verplicht is de drukke verkeersaders (…) te moeten overteken enz, maar voor Apeldoorn zou dit neerkomen op kleine U.L.O. scholen van 3 a 4 lokalen voor het openbaar onderwijs per wijk en dit is niet economisch’. Een te grote school was eveneens onwenselijk, een gebouw met ruimte voor 8 à 10 lokalen zou een mooie tussenoplossing zijn [CODA, 006, inv.nr. 8986, H. Millenaar,  Beschouwing over het U.L.O. onderwijs in de gemeente Apeldoorn, 1949]. 

Uiteindelijk werd bij raadsbesluit van 30 augustus 1950 gekozen voor de locatie op de hoek van de Staalweg en Westenenkerweg en Hoenderparkweg. De grootte van het terrein was zodanig, dat eventuele uitbreiding in de toekomst tot de mogelijkheden behoorde. De grond was eigendom van woningbouwvereniging ‘De Goede Woning’, waarbij de Ned. Herv. gemeente tevens het recht van koop op een deel van het perceel had voor de bouw van een nieuwe kerk. Na onderlinge ruil van gronden kon de bouw van de openbare U.L.O. school in Westenenk van start gaan. Ten zuiden van de school zouden in de jaren ’50 vijf portiekflats gebouwd worden. 

 

1951
×

1951

Meer afbeeldingen


Na een openbare aanbesteding op 23 februari 1951 werd op 26 mei van dat jaar de uitvoering van  een ‘6-klassige school voor uitgebreid lager onderwijs aan de Westenenkerweg in Apeldoorn’ gegund aan aannemer G.J. Logtenberg uit Vaassen voor het bedrag van f 94.000,-. De opdrachtgever voor van de nieuwbouw waren Burgemeester en Wethouders van Apeldoorn, het ontwerp was afkomstig van  Gemeentewerken Apeldoorn, die ook de directie voerde. Het werk moest opgeleverd worden binnen 120 werkbare werkdagen. Voor het binnen- en buitenschilderwerk kon de school(zomer)vakantie van 1952 benut worden. Op 31 augustus 1951 stellen B en W van Apeldoorn aan de Raad voor om de nieuwe school de naam ‘Professor Kohnstammschool’ te geven. Kohnstamm was een veelzijdige geleerde, met een internationale reputatie, die vooral veel pionierswerk op het terrein van het onderwijs had verricht.

nieuwbouw van een zesklassige U.L.O. school 
De nieuwe school kwam op een ruim perceel met aan de voorzijde een plantsoen en aan de achterzijde het schoolplein.  Het gebouw kreeg een eenvoudige langgerekte verdiepingloze opzet met op de begane grond vijf geschakelde leslokalen, een groter vaklokaal en een kantoortje voor het schoolhoofd, aan de oostzijde over de gehele lengte verbonden met een gang en afgesloten met een zadeldak, gedekt met gesmoorde ovh-dakpannen. De zolderruimte was niet toegankelijk. Aan de zuidzijde werden in een aangekapte uitbouw de sanitaire ruimten ondergebracht. In deze uitbouw en aan het andere eind van de gang zaten de buitendeuren. Door middel van tussendeuren in de scheidingswanden waren de lokalen ook onderling verbonden. 

In de als schoon metselwerk in kettingverband uitgevoerde gevels waren aan de voor- en de achterzijde grote vensters met stalen kozijnen aangebracht. De kleine vensters in de sanitaire uitbouw werden in hout uitgevoerd. De lokalen kregen vanuit de gang daglicht via in de gangwand opgenomen vensters met houten kozijnen. Het dak watert af via houten goten die op eenvoudige klossen uitkragen, de dakvoet ligt aan de achterzijde een stukje lager dan aan de voorzijde.  

de constructieve opzet
De hoofddraagconstructie van de Prof. Kohnstammschool was traditioneel en opgebouwd uit dragend metselwerk, de dakgordingen werden ondersteund door de scheidingswanden tussen de lokalen, de eindgevels en halverwege de overspanning geplaatste eenvoudige houten spanten. De begane grondvloeren werden in de lokalen als houten balklaag uitgevoerd, opgelegd in de voorgevel en de gangmuur, met tussensteunpunten in de vorm van houten onderslagen op gemetselde poeren. De vloer van de gang en de sanitaire ruimten voerde men uit als vrijdragende ter plaatse gestorte betonvloer.
 
Bij de aanleg van de fundering van de school bleek dat veel dieper ontgraven moest worden dan aanvankelijk gedacht. Daardoor kreeg de onder het gebouw gelegen kruipruimte de hoogte van een volwaardige kelder. Kort na de start van de bouw stelde de directeur van gemeentewerken daarom voor om deze ruimte geschikt te maken als rijwielstalling. Hiervoor was de aanleg van een hellingbaan aan de achterzijde noodzakelijk en moesten drie ramen worden aangebracht. Gezien de beperkte kosten van f 3.615,- gingen B en W met dit voorstel akkoord. 

het interieur
Dankzij het bewaard gebleven bouwbestek zijn we goed geïnformeerd over de oorspronkelijke binnenafwerking. Voor alle binnendeuren schreef het bestek ‘Bruynzeel model 102’ voor. Het metselwerk in de gang werd tot onderzijde van de vensters uitgevoerd als schoon metselwerk in kettingverband, de lambriseringen in de lokalen en de sanitaire ruimten waren oorspronkelijk met betonemaille afgewerkt. De houten vloerafwerking in de lokalen werd buiten het bestek uitgevoerd. De vloer van de gang, de hal in de uitbouw en de sanitaire ruimten werd afgewerkt met tegels, met langs de rand een terrazzo plint met holle hoek en 10cm brede rand. De toiletruimten werkte men ook af met terrazzo. Alle plafonds bestonden uit rietgipsplaten, beraapt en daarna afgewerkt met kalk-gipsmortel, afgewerkt met een holle hoek en een staand plintje langs de wanden.

1954
×

1954

Meer afbeeldingen


Twee jaar na de ingebruikname van de nieuwe school is deze al te klein voor het groeiende aantal leerlingen. Technisch blijkt het niet mogelijk om het bestaande gebouw van een extra verdieping te voorzien. Gemeentewerken Apeldoorn stellen daarom op verzoek van B en W een plan op dat bestaat uit de uitbreiding van de bestaande school met een nieuwe vleugel met een verdieping. In het bestaande gebouw werd wel het grote natuurkundelokaal veranderd in een normaal leslokaal, met daarnaast een ruimte voor de conciërge en een leermiddelenberging.

de bouw van een tweelaagse vleugel
In de nieuwe vleugel werden op de begane grond een hal met trappenhuis, twee leslokalen en een overblijflokaal geprojecteerd. Toiletten kwamen in een uitbouw aan het eind van de gang die de ruimten met elkaar verbond. Op de verdieping moesten twee vaklokalen voor o.a. de vakken natuurkunde, handtekenen en muziek, een personeelskamer en een bibliotheek komen. In de kelder onder het gebouw was ruimte voor het stallen van rijwielen. 

De nieuwbouw werd aanbesteed op 17 april 1954 en moest in een onwaarschijnlijk korte tijd uitgevoerd worden. De oplevering van het werk was namelijk al voor aanvang van het nieuwe lesjaar op 1 augustus van hetzelfde jaar gepland. Wat betreft de vormgeving sloot men zoveel mogelijk aan bij die van het bestaande gebouw: daken met overstekken op klossen, in kettingverband gemetselde gevels met daarin stalen vensters. In constructief opzicht verschilden hoofdzakelijk de in gewapend beton uitgevoerde begane grond- en verdiepingsvloer in combinatie met niet dragende scheidingswanden tussen de lokalen van de opzet van het bestaande bouwdeel. 

het interieur
Ook wat betreft de binnenafwerking werd, met cementplinten met holle hoek in de gangen en de voorportalen van de toiletten, gestucte plafonds met holle hoekaansluitingen met de wanden en terrazzovloeren en betonemaille als lambrisering in de toiletruimte, aansluiting gezocht bij het bestaande gebouw. In de gangen, de hal en de voorportalen van de toiletten werden plavuizen en dubbelhard gebakken tegels 15 x15 gelegd.

1983-1995
×

1983-1995

Meer afbeeldingen

In 1983 en in 1995 vonden wijzigingen plaats die hoofdzakelijk betrekking hadden op het interieur. Hieronder worden de belangrijkste veranderingen genoemd. Zie voor een overzicht de afgebeelde bouwtekeningen en faseringstekeningen. 

1983
In 1983 wordt door ir. C. Baas van de dienst der gemeentewerken een vergunning aangevraagd voor het wijzigen van het vertrek rechts naast de hoofdentree. Een stuk van de hal werd met een glaspui bij de bestaande kamer van de conciërge getrokken, waardoor daar ruimte ontstond voor een aparte pantry en voor de administratie. In de hal scheidde men ook een hokje af voor leermiddelen. Deze indeling is later weer ongedaan gemaakt. 

1995
Op 27 april 1995 wordt vergunning verleend voor het wijzigen van de indeling van het tweelaagse bouwdeel uit 1954. Dit deel wordt betrokken door de Stichting Vacant, die langdurige werklozen begeleid. Op de begane grond worden in de hal een berghok, tochtdeuren en een nieuwe keldertrap geplaatst. De kelder onder dit bouwdeel wordt (ook) in gebruik genomen als fietsenkelder. Door het verwijderen van enkele scheidingswanden wordt van drie voormalige klaslokalen één open werkruimte gemaakt. Het sanitair links in de hoek maakt plaats voor een magazijn. 

Op de verdieping voorziet het plan in het onderbrengen van een kantine, bar, keuken, kantoren en een ‘drukkerij’ ter plaatse van het voormalige vak- en natuurkundelokaal en de lerarenkamer/bibliotheek. Als gevolg van de gewijzigde indeling worden er nieuwe deuren geplaatst en zijn enkele vensters in de gangwand dichtgemetseld en vervolgens afgewerkt met een stuclaag. 

 

recente veranderingen
×

recente veranderingen

Meer afbeeldingen

uitbreiding aan de achterzijde

Relatief recent heeft het voormalige schoolgebouw nog een verbouwing ondergaan. In 2009 is een vergunning verleend voor het uitbreiden van het schoolgebouw aan de Hoenderparkweg. De eenlaagse vleugel uit 1951 is aan de achterzijde verbonden met de destijds gerealiseerde nieuwbouw. De uitbreiding is ten opzichte van het oorspronkelijke gebouw modern en afwijkend vormgegeven. Intern is de verbinding tot stand gekomen door middel van enkele doorbraken op drie plaatsen in de oorspronkelijke achtergevel. De voorheen hier gelegen hellingbaan naar de fietsenstalling in de kelder(s) kwam te vervallen en werd vervangen door een buitentrap.

overige latere veranderingen
Tot slot zijn er nog enkele andere recente veranderingen waargenomen. Zo zijn in het gehele pand nieuwe (systeem)plafonds aangebracht, is de vloerafwerking vernieuwd en heeft men de ruimte onder de verdiepingstrap in de hal opgevuld met een bergruimte. Ten behoeve van de inrichting van de voormalige klaslokalen tot kantoorruimten zijn enkele bestaande vertrekken weer opnieuw ingedeeld. Verder is linksachter tegen het tweelaagse bouwdeel een stalen noodtrap geplaatst.  

U.L.O. en scholenbouw
Westenenk
1951
1954
1983-1995
recente veranderingen

Introductie


aanleiding
Op dit moment worden plannen voorbereid voor de herbestemming van de voormalige school aan de Hoenderparkweg 61 in Apeldoorn tot appartementencomplex. In de huidige situatie is het pand in gebruik bij de Veluwse Scholengroep Apeldoorn. Bij de beoordeling van de plannen voor het wijzigen van het gemeentelijk monument zullen de cultuurhistorische waarden een belangrijke rol spelen. Daarom is aan Belfort Bureau voor Cultuurhistorie en Monumenten gevraagd om een bouwhistorische verkenning met waardestelling uit te voeren. Het onderzoek is uitgevoerd i.s.m. ARCX buro voor monumentenzorg en cultuurhistorie en diende duidelijk te maken waar ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen en op welke plaatsen de cultuurhistorische waarden aanleiding geven om de bestaande situatie zoveel mogelijk te respecteren. 

onderzoek
Het veldwerk is uitgevoerd op 11 april 2018. De kelder onder het éénlaagse bouwdeel uit 1951 en de zolder van het tweelaagse bouwdeel uit 1954 waren niet toegankelijk. Er heeft geen destructief onderzoek plaatsgevonden. Naast het veldwerk zijn direct beschikbare gegevens uit de literatuur en archieven geanalyseerd. Bij het gemeentearchief Apeldoorn (CODA) is het bouwdossier met bijbehorende stukken opgevraagd, kadastrale hulpkaarten zijn geraadpleegd en via diverse beeldbanken is historisch beeldmateriaal verzameld. In het archief bleven naast de bouwtekeningen ook de bestekken van de nieuwbouw uit 1951 en de uitbreiding uit 1954 bewaard.

digitale rapportage
Alle gegevens zijn chronologisch geordend en digitaal gepresenteerd in opeenvolgende vensters in de tijdlijn en voorzien van een waardering op www.tijdbeeld.com. De directe link naar de afgeschermde rapportage is: http://www.tijdbeeld.com/projecten/68/apeldoorn

Hoewel via de website een PDF-versie van het rapport gegenereerd kan worden, is dit hoofdzakelijk bedoeld als archieffunctie. Tekst en afbeeldingen zijn optimaal te bekijken via bovenstaande link. 

ruimtelijke beschrijving
Het voormalige schoolgebouw is gelegen in de wijk Westenenk ten zuidwesten van de Apeldoornse binnenstad, op een perceel dat ingeklemd ligt tussen de Hoenderparkweg, de Staalweg en de Westenenkerweg. Tussen het gebouw en de Hoenderparkweg bevindt zich een ruim openbaar plantsoen met parkeerterrein. Het achterterrein aan de oostzijde grenst aan de achtertuinen van de huizen aan de Titaniumstraat. 

Het onderzochte pand bestaat in hoofdzaak uit twee vleugels, beiden gebouwd op een rechthoekige plattegrond, die (iets verspringend) in elkaars verlengde liggen. Het rechter bouwdeel heeft één bouwlaag, het linker bouwdeel twee bouwlagen, beiden onderkelderd. De rechter vleugel is aan de achterzijde intern verbonden met de recent gerealiseerde nieuwbouw. 

De vleugels zijn opgetrokken in schoon metselwerk en voorzien van zadeldaken. De hoofdentree bevindt zich centraal aan de voorzijde van het complex, rechts in het tweelaagse bouwdeel. Extra toegangen bevinden zich in uitgebouwde portalen die tegen de noordgevel, zuidgevel en de achtergevel staan. De kelderruimten zijn aan de achterzijde van buiten toegankelijk via toegangen in de oksel van de twee vleugels en via een deur onder de noodtrap. Zie voor een uitgebreidere beschrijving van het pand de redengevende omschrijving uit 2008. 

Advies en waardering

De cultuurhistorische waardering van Hoenderparkweg 61 is onderverdeeld in een aantal deelwaarderingen. Onderstaande waarden komen grotendeels overeen met die van de in de redengevende omschrijving opgenomen waardering uit 2008, aangevuld met enkele huidige inzichten. Daarnaast zijn de fasering en waardering visueel gepresenteerd op ingekleurde plattegronden. De faserings- en waarderingstekeningen zijn onder het tabblad bijlage in hogere resolutie te downloaden. 

Faseringstekeningen

rood: 1951
groen: 1954    
blauw: latere veranderingen        
kruis: fasering van zichtbare historische plafonds

Waarderingstekeningen

blauw: hoge monumentwaarden, van cruciaal belang voor de structuur en/of betekenis van het object.
groen: positieve monumentwaarden, van belang voor de structuur en/of betekenis van het object.
geel: indifferente monumentwaarden, van relatief weinig belang voor de structuur en/of betekenis van het object.
kruis: monumentwaarden van zichtbare historische plafonds of balklagen


algemene historische waarden en waarden vanuit de gebruikshistorie

  • Het gebouw is van belang als gaaf bewaard voorbeeld van een school voor openbaar U.L.O. in Apeldoorn. Van 1951 tot zeer recent hebben kinderen uit hoofdzakelijk het zuidelijk en zuidwestelijk deel van Apeldoorn en omgeving hier U.L.O. en later MAVO onderwijs gekregen. Het U.L.O. werd (aanvankelijk als M.U.L.O.) populair vanaf de tweede helft van de 19e eeuw en had direct invloed op de indeling van schoolgebouwen door de vorming van voor verschillende vakken te gebruiken afzonderlijke klaslokalen.
  • Het voormalige gebruik van het pand als school is ondanks de latere nieuwbouw en verschillende interne wijzigingen nog altijd zeer herkenbaar door de uiterlijke verschijningsvorm en de traditionele onderverdeling van vertrekken (lokalen) aan de voorzijde, ontsloten door een lange gang met een aantal oorspronkelijke kapstokken aan de achterzijde.
  • Indirect herinnert het voormalige schoolgebouw tevens aan de sterke groei die Apeldoorn doormaakte vlak na de Tweede Wereldoorlog. In de nieuwe woongebieden was in het verzuilde Apeldoorn dringend behoefte aan schoolgebouwen voor zowel openbaar, Christelijk Protestants en Rooms-Katholiek onderwijs. 

ensemblewaarden en stedenbouwkundige waarden

  • Door haar onderscheidende volume en verschijningsvorm en door de terugliggende situering in een ruim openbaar plantsoen is het voormalige schoolgebouw aan de Hoenderparkweg zeer beeldbepalend. 
  • Het gebouw is gelegen aan een plantsoen op de kop van een strook met vroeg-naoorlogse bebouwing, is een belangrijk onderdeel van de planmatige, naoorlogse structuur in de wijk Westenenk en vertegenwoordigt daardoor een historisch-stedenbouwkundige waarde. De aanleg van een parkeerterrein aan de voorzijde, de inbreiding met woningbouw aan de achterzijde en de recente nieuwbouw achter de eenlaagse vleugel uit 1951 op het voormalige schoolplein hebben onvermijdelijk tot een zekere aantasting van deze historisch-stedenbouwkundige waarde geleid.  

architectuurhistorische- en bouwhistorische waarden

  • Het pand is van belang als gaaf bewaard voorbeeld van een door gemeentewerken Apeldoorn in traditionalistische stijl ontworpen vroeg-naoorlogs schoolgebouw. Het traditionele en behoudende ontwerp is typerend voor de vroeg-naoorlogse periode. In de loop van de jaren ’50 zouden bij nieuwbouw van Apeldoornse scholen meer vernieuwende inzichten wat betreft vormgeving, materiaalkeuze en indeling worden geïntroduceerd.
  • Het oorspronkelijke schoolgebouw uit 1951 en de uitbreiding uit 1951 zijn als opeenvolgende onderdelen in de bouwgeschiedenis te onderscheiden, maar vormen tegelijkertijd samen één architectonisch geheel. 
  • Met name het oorspronkelijke exterieur uit 1951 en 1954 bleef relatief gaaf bewaard, met in kettingverband gemetselde buitengevels, van ovh pannen voorziene zadeldaken, houten goten op klossen, grote vensters met stalen ramen in de hoofdbouw en houten vensters in de zijportalen. Een enkel stalen venster op de verdieping naast de hoofdingang is vervangen door een houten venster en in de oorspronkelijke achtergevel uit 1951 zijn drie doorbraken gemaakt naar de recente nieuwbouw. 
  • De constructieve opzet van het schoolgebouw uit 1951 en de uitbreiding van 1954 is in bouwhistorisch opzicht niet zeldzaam, maar bleef wel zeer gaaf bewaard. De constructie is representatief voor de periode van ontstaan en is traditioneel uitgevoerd, met dragende gemetselde muren, houten vloeren en betonvloeren en naaldhouten gordingenkappen.
  • De typologische opzet van een gangschool bleef relatief gaaf bewaard, met een reeks lokalen aan de voorzijde die ontsloten worden door een gang langs de achtergevel en toiletten bij de uiteinden en achterzijde van de gang. Omdat bij de recente nieuwbouw is gekozen voor een beperkt aantal doorbraken in de oorspronkelijke achtergevel, is dit concept nog altijd zeer herkenbaar. 
  • Hoewel de oorspronkelijke interieurafwerking voor een groot deel is vernieuwd, weerspiegelt het interieur nog altijd de traditionele en sobere opzet, mede bepaald door het gegeven dat de school snel (en goedkoop) opgeleverd moest worden. Van belang zijn met name de in schoon metselwerk uitgevoerde en door muurdammen gelede lambrisering en gangmuren, de vensters in de gangmuur, de keramische onderdorpels, de plinten van terrazzo, de paneeldeuren van Bruynzeel in het eenlaagse bouwdeel en de stalen trap in de hal. 
  • Men koos vanuit hygiènisch oogpunt voor een interieurafwerking met plafonds en plinten met holle hoeken, hiervan zijn restanten in het zicht. Mogelijk bevinden zich achter de systeemplafonds nog meer resten van de historische plafondafwerking.