1300-1600
×

1300-1600

Meer afbeeldingen


STADSRAND EN STADSMUUR

Als beloning voor de loyaliteit en financiële steun van Zwolle in de strijd tegen de opstandige Drenten, was bisschop Wilbrand van Oldenburg in 1230 bereid gehoor te geven aan het verzoek om van Zwolle een oppidum (sterkte of stad) te maken. Eén van de belangrijkste bepalingen van het stadsrecht was het recht om de nederzetting te mogen beschermen door de aanleg van grachten en het bouwen van een omwalling van planken of muren. Door een gebrek aan gegevens is niet precies bekend op welke wijze de stad hier invulling aan gaf.

oostgrens van een ommuurde stad
Het noordelijke deel van de stad was al voor 1300 omgeven met een stenen stadsmuur, waarvan bij de Broerenkerk bij een archeologische opgraving op de oever van de Kleine Aa de fundering is teruggevonden. Over de wijze waarop de zuid- en de oostzijde van de stad in de 13e eeuw beschermd was is niets bekend. De vroegste vermeldingen van poorten en torens dateren namelijk van na de stadsbrand van 1324. Bij de belangrijkste uitvalswegen waren drie hoofdpoorten gebouwd: de Diezerpoort aan het einde van de Diezerstraat (in eerste instantie ter hoogte van de Kleine Aa), de Sassenpoort en de Voorsterpoort (later Kamperpoort) aan het einde van de Kamperstraat. Vermoedelijk is de oudste stadsmuur vanaf het begin van de 14e eeuw ingrijpend aangepast en/of vervangen. De oostgrens van het laat-middeleeuwse Zwolle werd vastgelegd door de bouw van de stadsmuur langs de Spoelstraat en de Walstraat tussen de Diezerpoort en de Sassenpoort.

de Kruitmakerstoren en de Kleine Aa
Ter hoogte van de Plantagekerk stond de zware vierkante Kruitmakers- of Houttoren, die al in 1329 in de bronnen wordt genoemd als de schepenen van de stad deze toren in erfpacht te bewoning geven aan ‘Hillebrand van Baerlo en Berte zijn wijf’. De toren was opgenomen in het stuk stadsmuur dat langs de Spoelstraat liep, daar waar de Kleine Aa de stad bereikte. Dit water stroomde in noordelijke richting verder als stadsgracht langs de veldzijde van de stadsmuur en duikt rond 1350 voor het eerst in historische bronnen op als ‘olde (…) graven’. Met de latere ommuring van het stadsdeel ‘De Smeden’ (1375-1425) en de bouw van een nieuwe noordelijke stadsmuur langs de Thorbeckegracht (1475-1500) kwam de Kleine Aa binnen de stad te liggen. Iets zuidelijker stroomde het riviertje de Grote Aa Zwolle binnen. 

stadsmuur achter de Plantagekerk
De laat-middeleeuwse stadsmuur langs de Spoelstraat is over een grote lengte bewaard gebleven, grotendeels ingekapseld in de later tegen de muur gebouwde huizen. In de smalle steeg achter de Plantagekerk, op de begane grond overbouwd, is de veldzijde van de stadsmuur in het zicht. De delen van de muur vormen tegelijkertijd de achtergevels van de huizen aan de Spoelstraat. Met een baksteenformaat van 27-29 x 13/14 x 6/6,5 cm en een tien-lagenmaat van 75-78 cm, is duidelijk dat in deze muur kleinere bakstenen zijn verwerkt dan in de oudste stadsmuur aan de noordzijde. Daar werd namelijk stenen van 30 x 15 x 7 cm gemeten. Hiermee lijkt een latere, (vroeg) 14e-eeuwse, datering van dit stuk stadsmuur bevestigd te worden. Hoewel de muur tot op verdiepingsniveau bewaard bleef, ontbreken concrete sporen van schietgaten of een weergang. 

uitbreiding van de verdedigingswerken
Om zich te wapenen tegen de steeds grotere effectiviteit van kanonnen moest de vestinggordel voortdurend gemoderniseerd worden. In de 15e eeuw werd de gehele zuidzijde, van Kruitmakerstoren tot Rode Torenplein voorzien van een extra wal aan de buitenzijde. Tussen de bestaande stadsmuur en deze voorwal lag een smalle natte binnengracht. Deze situatie is nauwkeurig weergegeven op de stadsplattegrond van Jacob van Deventer uit omstreeks 1565. 

1600-1790
×

1600-1790

Meer afbeeldingen


EEN RING VAN VESTINGWERKEN EN 'PUBLIEKE WANDELINGEN'

In het begin van de Tachtigjarige Oorlog is Overijssel het strijdtoneel van de opstand tegen het Spaanse gezag. Zwolle was aangewezen als frontierstad en moest samen met de andere vestingsteden de oostelijke grensgebieden van de nieuwe Republiek der (Zeven) Verenigde Nederlanden bewaken. De Zwolse stadsmuur en de 15e-eeuwse voorwerken boden echter onvoldoende bescherming tegen de toenemende vuurkracht en het bereik van de kanonnen. Onder druk van de Staten Generaal maakte het stadsbestuur tegen het einde van de 16e eeuw plannen voor de modernisering van de stadsverdediging. Dit had een grote impact op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied rond de oude binnenstad.  

omringd door vestingwerken
Tussen 1606 en 1619 werd Zwolle voorzien van een gordel van de modernste verdedigingswerken. Elf vooruitgeschoven, aarden bastions en een breder grachtenstelsel moesten de vijandelijke legers op grotere afstand van de stad tot stilstand brengen. Aan weerszijden van de plek waar de Grote- en de Kleine Aa de stad binnenkwamen, legde men de bastions ‘Aen den Ziel’ (nu Ter Pelkwijkpark) en Genverberg (nu Kerkstraat) aan. De bolwerken waren onderling met een brede, hoge wal verbonden. Achter deze wal stroomde het water van de Aa met een ruime boog om de Spoelstraat. De oude stadsmuur bleef intact, maar boette aan militair belang in. 

muurhuizen
De afname van de primaire verdedigingsfunctie van de stadsmuur maakte de weg vrij voor het bouwen van woonhuizen tegen de muur aan de Spoelstraat. Dit proces was al eerder in gang gezet. Hoewel het stadsbestuur aanvankelijk grote waarde hechtte aan de onbelemmerde toegankelijkheid van de stadsmuur en het vrije schootsveld, blijkt uit historische bronnen dat al in de 15e eeuw tegen de binnenzijde van de muur gebouwd werd en dat de meeste muurtorens aan stadspersoneel of particulieren verhuurd of verkocht werden. Op de kaart van Joan Blaeu uit 1649 is nog geen sprake van een gesloten gevelwand. In de Spoelstraat zijn drie reeksen kleine huizen weergegeven die hun rug tegen de binnenzijde van de stadsmuur staan. Geleidelijk verdween de muur hier uit het zicht. 

Daar waar in andere stadsdelen ook huizen tegen de buitenzijde van de laat-middeleeuwse ommuring verrezen, bleef het gebied direct buiten de muur aan de Spoelstraat tot ver in de 19e eeuw onbebouwd. De grond tussen de stadsmuur en de Aa was eigendom van de stad en in gebruik als stedelijk bleekveld.

wandelen en looien op de stadswallen
Ook de 17e-eeuwse bastions, wallen en grachten verloren honderd jaar na de aanleg geleidelijk hun defensieve functie. Toen de Republiek onder stadhouder Willem III omstreeks 1700 betrokken raakte bij de Spaanse successieoorlog, lag de militaire focus ter plaatse van Zwolle hoofdzakelijk op de verdediging van de passage over de IJssel. De Raad van State trok in de 18e eeuw geen geld meer uit voor herstel van de in verval geraakte vestinggordel rond de stad, zeker niet aangezien er na de Vrede van Utrecht in 1713 een langdurige periode zonder oorlogsdreiging aanbrak. De vestingwallen kregen een nieuwe functie als ‘publiek’ wandelgebied, dat door de hoge ligging een fraai uitzicht bood over de omgeving. 

Deze ontwikkeling kondigde zich al aan in de 17e eeuw, toen de bolwerken na de Vrede van Münster in 1648 ter verfraaiing reeds met bomen waren beplant. In 1733 prees publicist Pieter le Clercq de inspanningen van het stadsbestuur: ‘De stadswallen en -cingels zijn ook zeer vermakelijke oorden voor den wandelaar, die er onder het lommer van hoge Ypen een aangenaam scherm vindt tegen het steken der hete zon, en het geblaas der gure winden’. Namens de Schepenen en Raad waakte de stadsarchitect over de publieke wandelingen die als een groene ring rond de stad lagen. Zo was het Zwolse burgers verboden om schepen aan bomen te leggen en was het niet toegestaan om met paard en wagen op de met gele steentjes bestrate wandelpaden van de ‘plantagien’ te rijden. 

Tegelijkertijd waren de bolwerken vanouds ook het domein van (kleinschalige) bedrijvigheid. Rumoerige en vervuilende activiteiten waren al vanaf de late middeleeuwen onder druk van het stadsbestuur verplaatst naar de randen van de stad. Zwolle heeft een omvangrijke leerindustrie gekend, die eeuwenlang op de stadswallen gehuisvest is geweest. Tot in de eerste helft van de 19e eeuw waren op de zuidelijke bastions tal van leerlooierijen gevestigd. Hier stonden eekmolens, schuren en pakhuizen, bedrijfsgebouwen met droogzolders en lagen tientallen kuipen en grote bergen eikenschors voor het ‘looien’ van de huiden.

1790-1860
×

1790-1860

Meer afbeeldingen


SLECHTING VAN DE VERDEDIGINGSWERKEN

Het afnemende belang van vestingstad Zwolle voor de verdediging van de Republiek zette door in de tweede helft van de 18e eeuw. In 1790 wordt de vestingstatus officieel opgeheven en wordt Zwolle tot open stad verklaard. Dit bood het stadsbestuur de mogelijkheid om de stad te verlossen van de knellende vestingwerken en de vrijkomende, voormalige militaire gronden voor andere doeleinden te ontwikkelen. De behoefte aan stadsuitbreiding en modernisering groeide, aangezien men binnen de vesting door de bevolkingstoename steeds dichter op elkaar woonde. 

ontmanteling van de stadsverdediging
De planmatige ontmanteling van de vestingwerken vond plaats vanaf 1828. Stelselmatig werden de hoge wallen geslecht en startte men met de sloop van de overgebleven poorten, torens en de delen van de stadsmuur die eigendom waren van de stad. Met de vrijkomende grond van de afgegraven wallen en bastions wordt een deel van de stadsgracht gedempt om de ruimte voor de ‘publieke wandelingen’ en plantsoenen langs de randen van de stad te vergroten. De contouren van de bastions bleven echter tot op de dag van vandaag duidelijk herkenbaar. 

In de omgeving van de Spoelstraat kwamen de sloopwerkzaamheden vanaf 1839 op gang. In dat jaar werd een deel van de 15e-eeuwse voorwal samen met de Stratenmakerstoren gesloopt voor de bouw van een nieuwe Stadsarmeninrichting op bastion de Genverberg. In 1840 verkocht de stad voor sloop drie daarop aansluitende huisjes en een deel van de stadsmuur bij de opgang van de wal bij de Hagelsteeg. Ook de Kruitmakerstoren werd samen met een stuk stadsmuur voor afbraak verkocht: ‘bestaande uit het vierkant muurwerk, met het dak, balkens en zolders, uitgezonderd het kantoor dat onder in het gebouw staat, alsmede twee losse zoldertjes dewelke niet mede in de verkoop worden begrepen, overigens zal hij het gehele gebouw moeten afbreken met deszelfs fondamenten, ter diepte van twee en halve el beneden de oppervlakte van de straat (…)’.

De beschrijving van het kantoor en de losse zoldertjes had waarschijnlijk betrekking op losse interieurbetimmeringen die gespaard moesten blijven. Uiteindelijk was ter hoogte van de Genverberg de stadsmuur over zo’n 140 meter opgeruimd, inclusief de daar tegen gebouwde huizen en twee muurtorens. In de Spoelstraat zelf bleef de stadsmuur grotendeels intact, omdat deze inmiddels als particulier bezit vrijwel volledig was opgenomen in de muurhuizen. 

verbetering van de volksgezondheid
Geleidelijk transformeerde het terrein buiten de stadsmuren in een aantrekkelijke parkachtige omgeving. De aanleg van de groene stadswandelingen zorgde voor werkverschaffing voor de armen en moest ook de luchtcirculatie binnen de grachten verbeteren. Op de zuidelijke voormalige bolwerken maakten de leerlooierijen, die als gevolg van groeiende concurrentie uit Brabant en het buitenland in het slop waren geraakt, plaats voor wandelpaden en ‘openbare’ gebouwen zoals de Stadsarmeninrichting en het Paleis van Justitie.

Er was sprake van een toenemende aandacht voor hygiëne in een overvolle en door ziektes en epidemieën geteisterde binnenstad. In 1849 stierven 284 Zwollenaren aan cholera, ook wel de blauwe dood genoemd. De meeste slachtoffers vielen in de stegen en sloppen langs de Kleine Aa, de smalle gracht die verworden was tot een stinkend open riool. Nadat in de jaren 1857-1862 de Grote Aa in fasen gedempt werd, dempte men in 1859 ook de Kleine Aa. Aan de zuidzijde van de Spoelstraat bleef echter een restant open dat rond de voormalige blekerij stroomde. Dit terrein was nog altijd grotendeels onbebouwd als erf van een tegen de buitenzijde van de stadsmuur gebouwde houtloods. De stadsrand was weliswaar omgevormd tot een aantrekkelijk en plantsoenrijk wandelgebied, de planmatige ontwikkeling van voorname woonbebouwing in het groen kwam pas in het laatste kwart van de 19e eeuw op gang.

1874-1875
×

1874-1875

Meer afbeeldingen


BOUW VAN DE PLANTAGEKERK

In 1874 start de bouwgeschiedenis van de Plantagekerk, waarvan de bouw direct samenhing met het ontstaan en de ontwikkeling van de Christelijk Gereformeerde Gemeente in Zwolle. De nieuwe kerk kwam te staan op het stuk grond buiten de stadsmuur aan de Spoelstraat, waar de restanten van de Grote- en Kleine Aa inmiddels gedempt waren. 

de Afscheiding in Zwolle
Omdat men het niet eens was met de in de 19e eeuw ontstane kerkstructuur, ontstond in verschillende plaatsen in Nederland de wens om zich af te scheiden van de Nederlandse Hervormde Kerk. De eerste afscheiding vond plaats onder ds. Hendrik de Cock, predikant te Ulrum. De Cock werd gearresteerd in Kampen en overgeplaatst naar Zwolle, waar hij echter al snel in vrijheid gesteld werd en zich naar het huis van een vriend begaf op den Dijk (nu Thorbeckegracht 49). Daar ontstond tijdens een vergadering de Christelijke Afgescheiden Gemeente in Zwolle, die door de overgang van hervormden snel in omvang toenam en bijeenkwam in een kerk in de Nieuwstraat (nr. 78). Vrijwel vanaf de start van de Afscheiding was er intern sprake van onderlinge onenigheid. In Zwolle leidde dit in 1840 tot de afsplitsing van de Gereformeerde Gemeente onder het kruis. Binnen deze kleinere gemeente, die kerkte in een gebouw in de Goudsteeg, kwam het echter door onderlinge twisten in 1866 opnieuw tot een scheuring. 

Met twee Kruisgemeenten en de Christelijke Afgescheiden Gemeente bezat Zwolle inmiddels drie Gereformeerde gemeenten. Ondanks de moeizame samenwerking gingen er landelijk toch steeds meer stemmen op om de gescheiden gemeenten te herenigen. Dit leidde in 1869 tot de algemene hereniging, die ook in Zwolle werd aanvaard. Omdat de kerk in de Goudsteeg in gebruik werd genomen als Gereformeerde lagere school en het gebouw in de Nieuwstraat te klein was voor de samengevoegde gemeenten, had men dringend behoefte aan een nieuw kerkgebouw.

nieuwbouw van de kerk
De nieuwbouwplannen voor de kerk werden gecoördineerd door de in 1873 benoemde, daadkrachtige predikant ds. W.H. Gispen. Hij stelde direct na zijn benoeming een bouwcommissie samen, waar hij zelf zitting in nam. De kerkeraad had intussen haar oog vallen op het grotendeels onbebouwde terrein van de voormalige blekerij achter de Spoelstraat, maar de grond moest nog aangekocht worden van de gemeente. De Raad besluit op 16 februari 1874 om ‘in nijen eigendom af te staan aan het kerkbestuur der Christelijk gereformeerde gemeente te Zwolle (…) het terrein verkregen door de demping der Aa’s, tusschen het gasthuisplein en den Sluurink der gemeente Zwolle, zoo als is uitgebakend, en zulks voor der bouw eener kerk’.

De gemeente verbond strenge voorwaarden aan de verkoop van de grond, die met vijf gulden per vierkante meter 5350 gulden zou gaan kosten. Zo moest de bouw van de kerk binnen twee jaar voltooid zijn, ‘bij niet nakoming van welke voorwaarde, het af te staan terrein met al het daarop reeds gebouwde, weder aan de gemeente vervalt, zonder dat de kooper eenige teruggave van koopsom of eenige vergoeding kan vorderen, terwijl de kosten hierop zullende te zijner laste komen’

Enige vaart in het bouwproces was dus gewenst, zeker aangezien de gemeente tegelijkertijd plannen ontwikkelde voor villabouw in het nieuw aan te leggen Ter Pelkwijkpark. Het kerkbestuur was echter nog druk bezig met het vrijmaken van de benodigde financiële middelen. Nadat de weduwe van J. van Assen de flinke som van 20.000 gulden schonk, kon de bouw van de kerk in april aanbesteed worden. Het werk werd uiteindelijk gegund aan de laagste inschrijver, aannemer G. Schutte voor 40.400 gulden. Op 2 juli 1874 vond de eerste steenlegging plaats, waarvan het originele procesverbaal in een loden koker achter de gevelsteen in de muur is gemetseld. 

Voor het ontwerp van de kerk maakte het kerkbestuur gebruik van de diensten van J.W. Bosboom (1831-1876), die in 1875 werd aangesteld als gemeentearchitect. Ter voorbereiding had de bouwcommissie diverse kerkgebouwen in het land bekeken, waarna de hervormde kerk in Voorschoten als voorbeeld gekozen zou zijn voor de nieuwe kerk in Zwolle. Hoewel het in 1868 herbouwde neogotische middenschip van de driebeukige kerk in Voorschoten met haar klimmende baksteenfries, gemetselde waterlijsten en hoekpilasters enige verwantschap met de Plantagekerk vertoont, moet toch geconcludeerd worden dat Bosboom deze hoogstens als inspiratiebron heeft gebruikt. Hij ontwierp voor de Christelijk Gereformeerde Gemeente een kerk op een T-vormige plattegrond, bestaande uit twee haaks op elkaar staande volumes, in een meer eclectische architectuur. Het min of meer vrijstaande kerkgebouw werd aan de noordzijde door een smalle (en deels overbouwde) steeg gescheiden van de stadsmuur, tevens achtergevels van de huizen aan de Spoelstraat. De met zware pilasters gelede gevels van het kerkgebouw zijn opgetrokken in bruin-rode baksteen in kruisverband. Aan drie zijden zorgen rondboogvensters en rozetvensters in de drie topgevels voor toetreding van daglicht, de noordgevel is blind uitgevoerd. Oorspronkelijk was de topgevel aan de voorzijde voorzien van een torenvormige bekroning. Kerkgangers konden het gebouw betreden via de hoofdentree aan de voorzijde, of de zij-ingang in het uitgebouwde entreeportaal aan de rechterzijde, beide toegangen kregen een bij de architectuur passende zandstenen omlijsting. 

constructie
Bij de voorbereiding van de herstelwerkzaamheden in de jaren ’90 van de vorige eeuw bleek dat de Plantagekerk op palen gefundeerd is. Deze constructiewijze is in Zwolle niet zo gebruikelijk, maar zal alles te maken hebben gehad met het gegeven dat de kerk gebouwd is ter hoogte van de gedempte Kleine Aa. Bovendien lag hier in de late middeleeuwen tevens de gracht buiten de stadsmuur. Verlaging van de grondwaterstand leidde later tot aantasting van de fundering, met alle schadelijke gevolgen dien. 

Het leiden dak wordt gedragen door twee haaks op elkaar aansluitende, beschoten naaldhouten gordingenkappen. Voor de overspanning van grote zolderruimtes volstond het niet meer om kapconstructies met (gestapelde) gebinten toe te passen. Het moderne ‘verbeterde Hollandse spant’ was voor woonhuizen geschikt, maar schoot bij de overspanning van kerken tekort. De gordingen van de Plantagekerk worden ondersteund door zogenaamde ‘hangwerken’, waarbij afgeschoorde verticale makelaars of hangstijlen verbonden zijn met de horizontale trekbalken. Er is in de hoofdkap sprake van een alternerend systeem. Verzwaarde kapspanten worden om en om afgewisseld met lichtere constructies. De constructieonderdelen zijn genummerd met gehakte telmerken en de houtverbindingen zijn gerealiseerd met ijzeren strips/stroppen en bouten. Dergelijke moderne hangwerken werden in de eerste helft van de 19e eeuw geïntroduceerd en raakten via bouwkundige leer- en theorieboeken wijdt verspreid. Aanvankelijk maakte de grote benodigde hoeveelheid ijzer deze kapconstructies nogal kostbaar, maar deze bezwaren verdwijnen als in de loop van de 19e eeuw steeds meer goedkoper ijzer beschikbaar komt. 

Het gepleisterde cassetteplafond van de kerkruimte is met houten regelwerk verbonden met de trekbalken van de hangwerken. Deze balken zijn aan drie zijden opgelegd in de gevels op geprofileerde consoles (mogelijk van papierstuc/papier maché), maar rusten aan de oostzijde op drie natuurstenen kopjes. Het is helaas niet bekend of het hier gaat om bij de bouw hergebruikt materiaal, of dat de koppen mogelijk personen verbeelden die bij de bouw/financiering of in de geschiedenis van de kerk een belangrijke rol gespeeld hebben. Binnen de gemeente stonden ze bekend als de ‘Wijzen uit het Oosten”. 

interieur
Op zondag 25 juli 1875 wordt de nieuwe kerk, die eind 19e eeuw al Plantagekerk genoemd werd, ingewijd. De huidige indeling komt deels nog overeen met de laat 19e-eeuwse situatie. De oriëntatie in de kerk was gericht op de preekstoel, die tegen de noordmuur stond en oorspronkelijk omgeven was door een met een doophek afgescheiden dooptuin. Voor de preekstoel stond een aantal vakken met stoelen, waarvan het kerkbestuur 320 stuks had besteld bij Van Cleef. Deze meubelmaker was aanbevolen door architect Bosboom. Tijdens een vergadering ‘wordt ter bezichtiging op tafel gezet een stoel uit de hervormde kerk die den heer Bosboom als zeer geschikt en doelmatig voor onze nieuwe kerk, de maker van de stoelen die in de grote hervormde kerk gebruikt worden is Van Cleef op het Eiland, die ons dezelfde stoel wil leveren voor f. 1.60,- per stuk’. De overige ruimte werd opgevuld met kerkbanken, waarvoor vierentwintig banken uit de oude kerk aan de Goudsteeg herplaatst werden.

Het kerkbestuur had tevens besloten geen nieuw orgel aan te schaffen, maar het oude orgel uit de kerk aan de Nieuwstraat te gebruiken. Hiervoor was aan de zuidzijde, tegenover de preekstoel, een orgeltribune ingericht. Het is onduidelijk hoe de tribune er precies heeft uitgezien, omdat deze later is veranderd. 

1875-1900
×

1875-1900

Meer afbeeldingen


KERK IN HET TERPELKWIJKPARK

De route van de binnenstad naar de Plantagekerk volgde het tracé van de gedempte Grote Aa, via ‘den nieuwen weg van het Gasthuisplein naar de Nieuwe Kerk’. Langs deze weg, die niet veel later omgedoopt zou worden tot Ter Pelkwijkstraat, verrezen kort na 1875 geschakelde herenhuizen. De gronden in de directe omgeving, waaronder de percelen van de looierij op het voormalige bastion Aen den Ziel waren al voor 1875 opgekocht door de gemeente Zwolle. In de jaren na de bouw van de Plantagekerk zou het industriegebied en het achterbuurtje De Slurink ter hoogte van de huidige Kerkstraat definitief transformeren in een aangenaam woongebied voor de beter gesitueerden.

aanleg van het Ter Pelkwijkpark
In 1879 presenteerde stadsarchitect J.L. van Essen twee schetsplannen voor het bebouwen van het terrein tegenover de Plantagekerk met herenhuizen in een parkachtige omgeving. Alleen het eerste plan bleef bewaard. ‘Het (…) plan bevat 29 stuks bouwplaatsen, hiervan kunnen 16 stuks als zijnde gemeentegrond uitgegeven worden die te zamen eene grootte van 9264 m2 hebben gemeten tegen 5 gulden per m2 en eene waarde van 16.320 gulden vertegenwoordigen’. De bebouwingsplannen zouden uiteindelijk in een afgeslankte vorm worden uitgevoerd. De bestaande wandeling langs de stadsgracht werd omgevormd tot modern landschapspark, het huidige Ter Pelkwijkpark. Het park stond in directe verbinding met het Groot Wezenland via het in 1875 geplaatste Kerkbrugje. Aan de overzijde van de stadsgracht lieten twaalf heren voor zichzelf een huis bouwen met een fraai uitzicht over de stad. Dit initiatief leidde echter niet tot een stadsuitbreiding in het Groot Wezenland, de lage gronden bleven namelijk tot ver na de Tweede Wereldoorlog onbebouwd. 

een nieuwe orgeltribune
In de kerk zelf bereidde men zich in 1884, tien jaar na de bouw, al voor op een nieuwe orgeltribune. ‘Er moet gemaakt worden een orgeltribune, breed 6.70 diep 5.75 hoog 4 meters, onder genoemde tribune wordt ingebroken een deurkozijn, naar buiten draaijende, een portaal met kast en trapopgang (…)'. Het lijkt erop dat het kerkbestuur een andere plek voor het orgel op het oog had: ‘De thans bestaande orgeltribune wordt ingericht voor vergaderzaal, zoodra de nieuwe orgeltribune is afgewerkt zal de directie voor hun rekening opruimen en wederom plaatsen het orgel (…)’. De geplande tribune op gietijzeren kolommen en een balustrade met drie boognissen werd echter zeer waarschijnlijk nooit op deze wijze gerealiseerd. In plaats daarvan zal men de bestaande orgeltribune tegenover de preekstoel hebben aangepast. Deze kreeg een balustrade in neorenaissance stijl, met geprofileerde rondbogen en rijk gedecoreerde pilasters. 

herstelwerkzaamheden
Mogelijk heeft de modernisering van de orgeltribune uiteindelijk pas in 1894 plaatsgevonden, toen architect S.J.H. Trooster Bzn. in opdracht van het kerkbestuur druk bezig was met de benodigde herstelwerkzaamheden van de voorgevel. Het torentje boven de voorgevel zorgde voor constructieve problemen en werd in dat jaar vervangen door een nieuwe uitkragende, trapvormige geveltop. Tegelijk zal ook de kapconstructie aan de voorzijde versterkt zijn. Het ligt voor de hand dat ook de ruimte daaronder rond het orgel (noodgedwongen) is aangepakt. In een overzicht van 6 augustus 1894 brengt Trooster onder andere 205 bosjes stucadoorsriet, 50 bosjes riet, 3 vaten witkalk, 20 vaten stucadoorskalk, 1724 kilo gips, gipsornamenten en stalen balken in rekening. Het is verleidelijk om met name de stalen balken en gipsornamenten in verband te brengen met het maken van de balustrade van een nieuwe orgeltribune. 

bouw van de kosterswoning
In 1896 kreeg de koster van de gereformeerde gemeente een een nieuwe woning. Timmerman H. van Laar verzocht de gemeente namens de kerkeraad vergunning ‘om na afbreking van een in de Spoelstraat staand huisje (…) naast de kerk van die gemeente in het Ter Pelkwijkpark, een kosterswoning te mogen bouwen (…)’. Het smalle huis werd in de Spoelstraat voorzien van een eenvoudige lijstgevel die zich in de bestaande gevelwand voegde. Aan de zijde van de Ter Pelkwijkstraat sloot het ontwerp van de gevel aan op de architectuur van het kerkgebouw, met uitkragende toppilaster en rondboogvensters en -deuren. De koster had aan de Spoelstraatzijde de beschikking over een woonkamer op de begane grond en een slaap- en woonkamer op de verdieping. Aan de ‘achterzijde’ bevond zich het stoofhok en ruimtes voor de opslag van turf en cokes voor de verwarming van het kerkgebouw. Deze ruimtes waren toegankelijk via de smalle steeg die links naast de kerk ontstond na de bouw van het naastgelegen dubbele woonhuis in 1879. 

1900-1950
×

1900-1950

Meer afbeeldingen


GROEI EN RUIMTEGEBREK

In 1886 vond landelijk een tweede grote afscheidingsbeweging uit de Hervormde Kerk plaats onder leiding van theoloog en politicus Abraham Kuyper (1837-1920). De Zwolse gemeente van de nieuw ontstane Nederduits Gereformeerde kerk, die zich ook wel ‘dolerenden’ noemden lieten in 1888 aan de Bagijnesingel de Doleantie- of Oosterkerk bouwen. Er was korte tijd weer sprake van twee gereformeerde kerken, die in 1892 officieel werden verenigd in de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN). In de praktijk bleef de scheiding echter tot 1897 gehandhaafd. De Christelijke Gereformeerden kregen de aanduiding Gereformeerde Kerk A, de voormalig Nederduits Gereformeerden werden met een B aangeduid. Vanaf 1892 vonden er wel gecombineerde kerkeraadsvergaderingen plaats. Door de samenvoeging groeide het ledenaantal van de Gereformeerde gemeente in Zwolle tot 3000 leden in 1897. Er ontstond na 1900 niet alleen ruimtegebrek om de toename van het aantal kerkgangers te kunnen opvangen, ook was er dringend behoefte aan extra vergaderruimte. Tegelijkertijd worstelde het kerkbestuur met een grote restauratieopgave. 

restauratie en modernisering van het interieur
De slappe bodemgesteldheid ter plaatse van de Plantagekerk en de wijze van funderen heeft vanaf de bouw voor problemen gezorgd. Verzakkingen zorgden voor scheurvorming in de muren en plafonds. In 1909 moesten in de kosterswoning de binnenmuren geheel gesloopt en opnieuw opgetrokken worden. Na inspectie van de bodem en fundering koos men ervoor om ter versterking een houten roosterwerk onder het muurwerk aan te brengen. 

Een paar jaar later bereidde het kerkbestuur de ‘restauratie en verbouwing’ van de kerk voor. De kapconstructie bleek bouwtechnisch nog in orde. Aannemer H.G. Treep & Zoon meldde in 1912: ’Na ingesteld onderzoek naar den toestand der bekapping op de Plantagekerk, deelen wy u mede, dat deze bekapping in zeer goeden toestand verkeert en wy geen verzetting of verzakking van ernstigen aard hebben kunnen ontdekken. De te plaatsen gaskronen kunt u aan de kapbalken hangen (…)’. Wel was groot onderhoud van vloer, muren en het plafond van de kerkzaal noodzakelijk. Van de uit te voeren werkzaamheden bleef in het archief een bestek uit 1913 bewaard van aannemer Teunissen en Zonen. De kosten waren begroot op een bedrag van 3139 gulden.  

De scheuren werden gedicht en muren en plafonds opnieuw geschilderd. Voor het cassetteplafond was de opdracht om ‘de genoemde vlakken over te gronden en daarna in matverf te tamponeeren (eierglans) in zacht crême tint. De balken en verdere houtwerken (…) in zachte gemene bronstint. De kleuren moeten zijn als in de vestibule van het nieuwe station te Kampen’. Het front van de orgeltribune dienden geschilderd te worden in dezelfde tinten als het plafond.

De aannemer droeg tevens zorg voor het herstel en opnieuw pleisteren van de muren van de kerkzaal. De onderzijde werd rondom uitgevoerd als lambrisering in blokpleisterwerk, afgesloten met een profiellijst. Het bestek maakt hierbij melding van het metselen van een spouwmuur tegen de westgevel, aan de zijde van de kosterswoning. Dit leidde tot extra werkzaamheden bij de aansluiting van het plafond: ‘in de plafondvakken tegen de nieuwe muur balkstukken en lijsten aanbrengen van vuren hout en onder de balken consoles van papierstuc als de aanwezige, een en ander aftewerken in overeenstemming met het bestaande werk zoodanig dat er een aaneensluitend geheel wordt verkregen’. Vervolgens paste men het bankenplan aan deze kant aan: ‘de damesbanken in het midden doorzagen en inkorten zoveel als noodig is, vervolgens de twee gedeelte’s tegen de muur plaatsen, zodat een middenpad ontstaat ter breedte van het entreedeurkozijn. De einden der banken naar behoren bijwerken en ter voorkoming van tocht met deurtjes afsluiten’. Omdat het bestek ook het maken van een aantal deuren en een toegangsdeur vermeldt, lijkt het er sterk op dat de westelijke toegang tot de kerkzaal met uitgebouwd entree in de steeg in deze periode tot stand is gekomen.

Ook de verzakte kerkvloer moest hersteld worden. Na het opnemen van de hardstenen platen is de ondergrond uitgevlakt en kon de vloer herlegd worden met aanvulling van enkele nieuwe platen. Binnen het doophek werd een aparte vloer gelegd, waarvoor de deurtjes van het hek ingekort moesten worden. 

Tot slot wijzigde men de indeling van de hoofdentree. Er kwam een nieuwe tochtpui en de trap naar de orgeltribune die aan de westzijde stond, werd afgebroken en verplaatst naar de andere kant van de entree. De vrijgekomen ruimte werd benut voor het maken van een brandstoffenbergplaats en nieuwe toiletten. Het bestaande urinoir aan de oostzijde van de vestibule werd veranderd in een archiefkast, behorende bij het hier gelegen vergaderlokaal. 

plannen voor de uitbreiding van zitplaatsen
Omdat het aantal leden binnen de Gereformeerde kerk in Zwolle vanaf het eind van de 19e eeuw snel toenam ontstond er in het begin van de 20e eeuw een gebrek aan voldoende zitplaatsen. Daarnaast had men ook behoefte aan extra vergaderruimte. De Plantagekerk beschikte over twee kleine vergaderlokalen, waarvan de één in gebruik was als consistoriekamer, de ander deed dienst als ‘leerkamer’ (waar lessen werden gegeven). Daarnaast beschikte men in de Oosterkerk ook over een consistoriekamer.

Niet lang na de voltooiing van de herstelwerkzaamheden schakelde het kerkbestuur architect en gerenommeerd kerkenbouwer Tjeerd Kuipers uit Amsterdam in om plannen te maken voor een verbouwing. Zijn ontwerpen uit 1920 voorzagen in de gewenste uitbreiding van het aantal zitplaatsen, met name door de toevoeging van galerijen aan de oost- en westzijde. Onder de galerijen zou de ruimte benut kunnen worden voor extra vergaderzalen. De geplande verbouwing is echter nooit uitgevoerd. Waarschijnlijk voorzag men dat de bouw van de nieuwe Zuiderkerk met ruime zalenaccomodatie omstreeks 1925 voor voldoende extra capaciteit zou zorgen. Wel werd in deze periode de leien dakbedekking van de Plantagekerk vernieuwd en plaatste men twee nieuwe dakkapellen. 

1950-heden
×

1950-heden

Meer afbeeldingen


RESTAURATIE VAN DE ‘VRIJGEMAAKTE’ KERK

In de jaren 40 van de vorige eeuw vond er onder de gereformeerden opnieuw een schisma plaats dat ‘de Vrijmaking’ genoemd werd. Alle kerkelijke goederen bleven eigendom van de Gereformeerde Kerk (Synodaal). De Gereformeerde Kerk (Vrijgemaakt) mocht de Plantagekerk huren voor kerkdiensten op zondagmorgen tot uiterlijk 10.00 uur en ’s middags om 17.00 uur. Omdat dit bij lange na niet voldoende was om alle vrijgemaakte kerkgangers de dienst te kunnen laten bijwonen, werd een kort geding aangespannen. Dit leverde weliswaar een royaler gebruik van de kerk op, maar zorgde niet voor een bevredigende oplossing op langere termijn. Uiteindelijk werd op 22 juli 1952 de Plantagekerk met kosterswoning gekocht van de Gereformeerde Kerk (Synodaal) voor 60.000 gulden. 

‘vrijgemaakte’ vernieuwingen
Na de aankoop maakte de vrijgemaakte kerkeraad direct plannen voor groot onderhoud en het deels vernieuwen van het kerkinterieur. De belangrijkste verandering was het verwijderen van de oude preekstoel en het doophek en het installeren van een nieuwe kansel. Daarnaast werden de stoelen in de open ruimte voor de preekstoel anders opgesteld. Op 15 maart 1954 wordt de kerk feestelijk heropend onder muzikale begeleiding van het door C. Lindeboom gerestaureerde orgel. 

sloopplannen
In de loop van de tweede helft van de 20e eeuw begon het kerkgebouw weer steeds meer gebreken te vertonen die ontstaan waren door de aantasting van de paalfundering. Zowel het muurwerk als het plafond bleek na onderzoek in 1978 in slechte staat te verkeren. Het kerkbestuur speelde nadrukkelijk met de gedachte om de Plantagekerk te slopen en te vervangen door nieuwbouw op dezelfde plaats. In de jaren 60 had de gemeente Zwolle zelf al plannen gemaakt om de kerk af te breken ten behoeve van een parkeerplaats. De sloopplannen stuitte echter op groot verzet onder Zwolse inwoners. Met name De Vereniging Vrienden van de Stadskern pleiten voor behoud van de in hun ogen historisch waardevolle kerk. De vereniging kreeg bijval van de Rotterdamse architect ir. D.J. Klamer, die ongevraagd een herstelplan indiende waarbij de fundering vervangen zou worden door een betonconstructie. 

De historische waarde van de Plantagekerk werd door de voorzitter van de ingestelde bouwcommissie in 1982 betwist. Het orgel, plafond en de ornamenten onder de orgeltribune werden als ‘aardige elementen’ erkend, ‘voor de rest heeft de kerk meer weg van een grote schuur (…). Ze kunnen het kerkgebouw esthetisch niet mooi vinden. Die kerk heeft nauwelijks stijl. Bij restauratie moet er zo enorm veel aan gebeuren, dat we maar voorstellen nieuwbouw te plegen’. De kerkeraad wees er ook op dat Monumentenzorg tot op op dat moment geen enkele aandacht aan de kerk had besteed. Hier kwam echter snel verandering in. In 1984 startte de gemeente namelijk met de inventarisatie ‘jongere bouwkunst’ en een jaar later besloot het gemeentebestuur om de Plantagekerk op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. Uiteindelijk zag de kerkeraad af van sloop en werd er in 1986 een commissie voor renovatie gevormd. 

restauratie van het Rijksmonument
Op 20 januari 1992 startten de voorbereidende werkzaamheden van de restauratie die geleid werd door het Zwolse architectenbureau Verlaan en Nijhof. Een jaar eerder was de Plantagekerk tot Rijksmonument ‘gepromoveerd’, waarmee extra restauratiesubsidie beschikbaar kwam. Om de funderingsproblemen voor eens en altijd op te lossen verving men de eikenhouten paalfundering door betonschroefpalen, die met zware stalen balken in verbinding kwamen te staan met de grondbogen van de oude muurfundering. Het vernieuwen van de fundering werd gecombineerd met het onderkelderen van het gehele kerkgebouw. De funderingspalen ondersteunden namelijk tevens het kelderdek van gewapend beton. Om voldoende staruimte te creëren, moest de nieuwe kerkvloer iets hoger gelegd worden dan voorheen het geval was. De grote kelder was toegankelijk via twee nieuwe trappen en een lift en bood eindelijk de gewenste hoeveelheid vergader- en zaalruimte. 

De restauratie van de kerkzaal zelf omvatte hoofdzakelijk het dichten van de scheuren in de muren en het uitvoeren van de benodigde schilderwerkzaamheden. Hiermee kreeg het interieur van de Plantagekerk haar huidige kleurenschema. Nadat het herstel voltooid was, kon het tijdelijk opgeruimde kerkmeubilair weer herplaatst worden. Men koos voor een licht gewijzigde opstelling, waarbij de bankvakken in de verste hoeken schuin geplaatst werden voor een optimaler zicht op de nieuw aangekochte preekstoel.

1300-1600
1600-1790
1790-1860
1874-1875
1875-1900
1900-1950
1950-heden

Introductie


De gemeente Zwolle heeft opdracht gegeven voor het uitvoeren van een bouwhistorische verkenning van de Plantagekerk. Het kerkgebouw is Rijksmonument en staat aan de Ter Pelkwijkstraat 17 in Zwolle. De (bouw)historische informatie die bij het onderzoek naar voren komt, zal door de gemeente verwerkt worden in een publieksvriendelijke flyer, die onder andere tijdens Open Monumentendagen verspreid kan worden. 

onderzoek
Het onderzoek was gericht op het in kaart brengen van de bouw- en verbouwgeschiedenis van de Plantagekerk, met specifieke aandacht voor het kerkgebouw in de historische context van de directe stedelijke omgeving. Allereerst zijn de aanwezige gegevens in de literatuur en archieven geïnventariseerd. Hiervoor is een bezoek gebracht aan het Historisch Centrum Overijssel in Zwolle en zijn op locatie meerdere stukken uit het archief van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) bestudeerd. Daarbij is dankbaar gebruik gemaakt van het voorbereidende werk van Wim Driessens, archivaris van de Plantagekerk. Tegelijkertijd is via diverse beeldbanken historisch beeldmateriaal verzameld. Het veldwerk heeft plaatsgevonden op dinsdag 11 december 2018. De bouwhistorische verkenning is uitgevoerd conform de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek van april 2009. 

digitale rapportage
Alle gegevens zijn chronologisch geordend en digitaal gepresenteerd in opeenvolgende vensters in de tijdlijn op www.tijdbeeld.com. De directe link naar de rapportage is: http://www.tijdbeeld.com/projecten/84/zwolle

Hoewel via de website een PDF-versie van het rapport gegenereerd kan worden, is dit hoofdzakelijk bedoeld als archieffunctie. Tekst en afbeeldingen zijn optimaal te bekijken via bovenstaande link. 

situering en beschrijving
De Plantagekerk bevindt zich aan de oostrand van de Zwolse binnenstad binnen de Stadsgracht en is gelegen op een terrein ten noorden van het Ter Pelkwijkpark, in het bouwblok tussen de Spoelstraat/Kerkstraat en de Ter Pelkwijkstraat. De achter de kerk gelegen huizen aan de Spoelstraat staan met de rug tegen de middeleeuwse stadsmuur. De smalle steeg tussen deze muur en de Plantagekerk is op de begane grond overbouwd. Een smalle gang aan de voorzijde tussen de kerk en de naastgelegen woonbebouwing aan de Ter Pelkwijkstraat leidt naar een tussenlid dat het kerkgebouw met de voormalige kosterswoning aan de Spoelstraat verbindt. 

Het kerkgebouw heeft een T-vormige plattegrond en is (recent) volledig onderkelderd. De hoog opgaande zadeldaken zijn gedekt met leien. De in schoon metselwerk uitgevoerde gevels zijn ingedeeld met rondboogvensters, worden geleed door zware pilasters en zijn langs de dakrand voorzien van een baksteenfries. Het uitspringende bouwdeel aan de voorzijde bevat de hoofdentree, een tweede toegang is ondergebracht in een entreeportaal tegen de oostgevel. 

Advies en waardering


samenvatting van de bouwgeschiedenis

De Plantagekerk grenst aan de noordzijde tegen de laat-middeleeuwse stadsmuur die langs de Spoelstraat loopt en die in de deels overbouwde steeg in het zicht is. In de middeleeuwen vormde deze muur de fysieke oostgrens van Zwolle, daar waar de Kleine Aa de stad binnenstroomde bij de Kruitmakerstoren. De grond direct buiten de stadsmuur was lange tijd onbebouwd en in gebruik als stedelijk bleekveld. Hoewel de stadsrand na de ontmanteling van de vestingwerken in de eerste helft van de 19e eeuw was omgevormd tot een aantrekkelijk en plantsoenrijk wandelgebied, kwam de planmatige ontwikkeling van voorname woonbebouwing in het groen pas in het laatste kwart van de 19e eeuw op gang. Na het dempen van de restanten van de beide Aa’s werden de voormalige vestingterreinen getransformeerd in een Engels landschapspark en bebouwd met woningen voor de beter gesitueerden. Binnen deze historisch-stedelijke context vindt in 1874-’75 de bouw van de Plantagekerk plaats, als nieuw kerkgebouw voor de in 1840 ontstane Christelijke Afgescheiden Gemeente in Zwolle. 

Het kerkgebouw is ontworpen door architect J.W. Bosboom in eclectische stijl en had oorspronkelijk twee entree’s aan de zuid- en oostzijde. De huidige opzet van het bankenplan komt in grote lijnen overeen met de oorspronkelijke situatie, georiënteerd op de preekstoel die tegen de noordgevel staat en met een open middengedeelte dat met losse stoelen is ingevuld. Tegenover de preekstoel bevindt zich de orgeltribune die in haar huidige vorm waarschijnlijk uit de late 19e eeuw dateert. In 1894 werd aan deze zijde van de kerk het torentje boven de voorgevel vervangen door de trapvormige geveltop. Twee jaar later bouwde men een nieuwe kosterswoning in de Spoelstraat. 

De slappe bodem ter plaatse van de Plantagekerk en de wijze van funderen heeft vanaf de bouw voor constructieve problemen gezorgd. Daar waar voorheen de gracht buiten de stadsmuur lag en de Kleine Aa stroomde kon de eikenhouten paalfundering verzakkingen en scheurvorming niet voorkomen. In het begin van de 20e eeuw vonden er ingrijpende herstelwerkzaamheden plaats, waarbij allereerst de binnenmuren van de kosterswoning opnieuw opgetrokken werden. Vervolgens liet het kerkbestuur de scheuren in plafond en muren van de kerkzaal herstellen en werd de verzakte kerkvloer uitgevlakt. Tegen de westgevel bouwde men een spouwmuur, waarna in de muur een nieuwe toegang tot de kerk werd gerealiseerd die bereikbaar was via het uitgebouwde entreeportaal/tussenlid links van de kerk. 

De uitgevoerde herstelwerkzaamheden konden niet voorkomen dat er in de tweede helft van de 20e eeuw opnieuw scheurvorming optrad. Het kerkbestuur speelde in de jaren 80 met de gedachte om de Plantagekerk te slopen en te vervangen door nieuwbouw op dezelfde locatie. De plannen stuitten op felle weerstand van de Zwolse inwoners, aangevoerd door De Vereniging Vrienden van de Stadskern. Uiteindelijk zag het kerkbestuur af van sloop van de kerk, die inmiddels op de gemeentelijke monumentenlijst was geplaatst (en later als Rijksmonument werd aangewezen). In dezelfde periode werd het nabijgelegen Gouverneurshuis wel afgebroken.

In de periode 1992-1994 vond een omvangrijke restauratie plaats onder leiding van het architectenbureau Verlaan en Nijhof. Hierbij werd de eikenhouten paalfundering vervangen door een fundering bestaande uit betonschroefpalen. Deze vormden tegelijkertijd de hoofddraagconstructie van de kelder die onder het gehele kerkgebouw werd aangelegd. Twee nieuwe trappen en een lift gaven toegang tot de ruime kelder, die onder andere ruimte bood aan vergaderzalen en een archiefruimte. Met de restauratie van het interieur kwam de huidige opstelling van het bankenplan tot stand, herplaatst op de nieuwe kerkvloer, aangevuld met een nieuwe preekstoel. 

fasering
Op bijgaande faseringsplattegronden is de bouwfasering in kleur weergegeven. Vanwege het ontbreken van een nette actuele ondergrond is gebruik gemaakt van plattegronden uit het archief van de Gereformeerde Gemeente (Vrijgemaakt) van 2002-2003. De faesringsplattegronden zijn onder het tabblad 'bijlagen' in hogere resolutie te downloaden.