1565-1591
×

1565-1591

Meer afbeeldingen

De omgeving van de Buitensociëteit en de Hanzehof heeft lang buiten de stad gelegen. Dit gebied had vanaf de 10e eeuw hoofdzakelijk een agrarisch karakter en bevond zich tussen de hoger gelegen gronden van de Zutphense Enk en het lager gelegen stroomgebied van de IJssel, aangeduid als ‘De Mars’ of ‘Nedermars’. Dwars hier doorheen meanderde een noordelijke tak van de Berkel. Op de Zutphense Enk lagen de akkers voor de stad, die omstreeks 1250 met de bouw van de Nieuwstad in noordelijke richting werd uitgebreid. De lagere gronden langs de Berkel en op de Mars deden eeuwenlang dienst als wei- en hooiland. 

De vroegste kaart van Zutphen is de kaart van Jacob van Deventer uit 1565. Deze kaart laat een geheel ommuurde stad zien met aan de noordzijde een dubbele gracht. De uitvalsweg naar het noorden liep destijds over de Dieserstraat in de Nieuwstad. Aan het eind van deze straat was in de stadsmuur de Oude Nieuwstadspoort opgenomen. Eenmaal door de poort sloot de uitvalsweg aan op de Poffersdijk, de huidige Weg naar Laren. In de richting van Deventer bogen zijwegen naar het noorden af ter hoogte van de Rozenhoflaan (richting de Sint-Anthonij kapel) en de Hemonystraat.

 

1591-1700
×

1591-1700

Meer afbeeldingen


De slag bij Heiligerlee in 1568 markeert officieel de start van de Tachtigjarige Oorlog, een religieuze en politieke strijd in de Nederlanden tegen het Spaanse Rijk onder Filips II. Zutphen vormde langdurig het strijdtoneel van de oorlog, met de IJssel als frontlijn.

vestingstad Zutphen
De stad werd tussen 1572 en 1579 afwisselend door Staatse en Spaanse troepen ingenomen en belegerd door de tegenpartij. Uiteindelijk worden de Spanjaarden in 1591 definitief uit de stad verdreven. Zutphen fungeert vanaf dat moment als ‘frontierstad’ één van de vestingsteden die de oostelijke grensgebieden van de nieuwe Republiek der (Zeven) Verenigde Nederlanden moesten bewaken. Dit had een grote impact op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied rond de oude binnenstad. 

Zutphen kreeg een aanzienlijk garnizoen en de bijbehorende militaire infrastructuur. Vanwege het grotere bereik van de moderne kanonnen en nieuwe inzichten in de belegeringstechniek, werden na 1591 voorbereidingen getroffen om de stad van een gordel van de modernste verdedigingswerken te voorzien. Vijandige legers moesten op steeds grotere afstand van de stad tot staan worden gebracht. 

Vrijwel alle oude rondelen verdwenen en Zutphen werd rond 1600 geheel omringd door een reeks aarden bastions en ravelijnen met brede grachten. In het noordelijk deel waren het Statenbolwerk en het Duc d’Alvas bolwerk opgenomen. De noordelijke stadstoegang werd in het kader van het moderniseren van de stadsverdediging van de Dieserstraat naar de Nieuwstraat verlegd. Ter hoogte van de latere spoorwegovergang lag een ravelijn ter verdediging van de nieuwe Nieuwstadsbuiten- en binnenpoort, waarover ook de toegangsweg liep. De vestingwerken werden omstreeks 1620-1625 aangevuld met drie hoornwerken, waarvan er één buiten de Nieuwstadspoort ter hoogte van de Hanzehof kwam te liggen. Deze hoornwerken lagen specifiek op de hogere gronden rondom de stad, die van nature de toegang (accessen) tot de stad vormden. 

1700-1800
×

1700-1800

Meer afbeeldingen

Ook in de 18e eeuw blijft Zutphen van belang voor de verdediging van de oostgrens van de Republiek der Verenigde Nederlanden, als schakel in de keten van vestingsteden langs de IJssel.

Lunetten van Coehoorn
Als antwoord op de dreiging van de Franse expansiepolitiek van Lodewijk XIV werd de vesting Zutphen in het begin van de 18e eeuw versterkt met een tweede verdedigingslinie, zodat de totale breedte van de vestingwerken meer dan verdubbelde. De linie werd vernoemd naar vestingingenieur Baron Menno van Coehoorn. Buiten de Nieuwstadspoort werd het hoornwerk vervangen door vier aarden lunetten, aangelegd achter een extra gracht. De Grote Gracht werd bij deze versterking een stuk verbreed en de noordelijke arm van de Berkel werd afgedamd. Het resterende deel van de riviertak werd de ‘Lamme Berkel’ genoemd. 

Ongeveer tegelijk met de aanleg van de Lunetten van Coehoorn (in 1725) werd het eerste deel van de Weg naar Laren omgelegd naar de nieuwe ‘Straatweg van Zutphen naar Deventer’, de huidige Deventerweg. Een andere uitvalsweg bevond zich ter plaatse van de latere spooroverweg. Dit ‘Melkwegje’ doorsneed hier de vestingwal en leidde via het ‘Melkbrugje’ naar de Marsweiden. 

de aanleg van lusthoven en het Slingerbos
Tussen de Grote Gracht en de Lunetten van Coehoorn legden regenten en rijke Zutphense families hoven aan. Dit waren groene hoven met theekoepels, boomgaarden, rozentuinen en waterpartijen waar men de drukte en stank van de stad kon ontvluchten. Omstreeks 1790 werd op de buitenwal (glacis) van de noordelijke twee lunetten (achter de latere Buitensociëteit) een zogenaamd slingerbos aangeplant. Gezien de naam bestond dit uit een aanleg in de destijds opkomende landschapsstijl, bestaande uit een slingerende laan, mogelijk aangevuld met enkele boom- en heestergroepen. Waarschijnlijk vormt de thans aanwezige lindelaan een restant hiervan.

Het benutten van vestinggronden voor dergelijke relatief eenvoudige openbare wandelplaatsen was in deze tijd niet ongebruikelijk bij steden en vormde een voorloper van de latere vorming van stadsparken en wandelpromenades op geslechte vestingwerken. 

Vanwege de ligging binnen het schootsveld van de vesting, mochten in dit gebied in principe geen huizen gebouwd worden. Desondanks staat er in de eerste helft van de 19e eeuw al wel enige bebouwing: de Ro(o)senhof of Rozenhof, de Pelmolen, enkele boerderijen en wat bouwwerken op de Bleek van Reinders. Mogelijk was in ieder geval een deel van de bebouwing in hout uitgevoerd, zodat deze bij oorlogsdreiging snel opgeruimd konden worden. Ten noorden van de lunetten waren de lager gelegen gronden bestemd tot inundatiegebied. Na de 'Bataafse revolutie' werden aan de noordelijke uitvalswegen, Deventerweg en Poffersdijk, bij de Holsterbrug en Oostveenbrug in 1795-'96 wederom extra verdedigingswerken (batterijen) opgeworpen. Hiermee kon de vesting op nog grotere afstand worden verdedigd. 

1800-1875
×

1800-1875

Meer afbeeldingen


In de 19e eeuw groeide de bevolking in Zutphen van 7500 inwoners in 1800 tot ruim 16000 in 1875. Dit kwam onder andere door toenemende migratie vanuit het omringende platteland. Deze bevolkingstoename leidt al snel tot verdichting van de bebouwing in de binnenstad en verkrotting. Aan de behoefte tot stadsuitbreiding en modernisering kan pas na 1874 definitief gehoor worden gegeven als met de nieuwe Vestingwet de vesting Zutphen wordt opgeheven. Al voor die tijd vinden er in het plangebied enkele ingrijpende wijzigingen plaats, door de bouw van de Buitensociëteit, maar met name door de aanleg van de spoorlijn. 

aansluiting op het landelijk spoorwegennet
In 1864 wordt Zutphen aangesloten op het landelijk spoorwegennet, met een eigen stationsgebouw en een spoorbrug over de IJssel. Voor het spoortracé Arnhem-Zutphen-Deventer moesten aan de stadszijde het 17e-eeuwse Tralie-, het Molen- en het Statenbolwerk doorsneden worden met een spoordijk. Deze spoordijk doorsneed tevens het linker lunet van de Linie van Coehoorn (en daarmee een deel van het Slingerbos) en het ravelijn voor de Nieuwstadspoort. Omdat de stad nog altijd een vestingstatus had, verlegde men de verdedigingswerken aan de noordwestzijde een stukje naar het noorden. Op deze manier ontstond binnen de vesting ruimte voor het station en het spooremplacement.

Buitensociëteit
Tegelijk met de enorme bevolkingstoename vond in Zutphen een culturele opleving plaats. Er was met name onder de gegoede burgerij een groeiende behoefte aan georganiseerd vermaak. Deze behoefte werd zowel door de Zutphense liberale en politieke elite als door particulieren op verschillende manieren ingevuld. 

Op 10 juni 1854 werd op initiatief van kastelein en drankhandelaar Julius Fahro op de Lunetten van Coehoorn een houten muziektent geopend, waar de Zutphense middenstand op zondagmiddagen naartoe kon om in de buitenlucht naar fanfare- of harmoniemuziek te luisteren. Mogelijk was Fahro voornamelijk als privéondernemer exploitant van het terrein met bijbehorend ‘versnaperingsloket’ en was er reeds sprake van een overkoepelende vereniging. 

De gelegenheid kreeg in 1867 in ieder geval wettelijke erkenning als Vereniging de Buitensociëteit. Het doel van de vereniging was ‘bevordering en veraangenaming van gezellig verkeer’. Dergelijke faciliteiten waren voor de rijke bovenlaag van de bevolking al langer beschikbaar. De christelijke elite van Zutphen bezocht de in 1763 opgerichte Oranjesociëteit aan de Oude Wand. De liberale bovenlaag kon vanaf 1862 terecht bij de Nieuwe Sociëteit op de hoek van de Marspoortstraat en de IJsselkade. 

De ter plaatse van het Slingerbosch gelegen vestinggrond, ‘der glacis van den lunetten’ werd in 1867 door het Ministerie van Oorlog onder strikte voorwaarden overgedragen aan de gemeente Zutphen ‘voor muziekuitvoeringen’. Onder de bepalingen viel onder andere ‘dat het glacis of het maaiveld, zoowel wat hoogte als helling betreft niet van gedaante wordt veranderd’ en ‘dat het plantsoen eigendom blijft der gemeente, dat geen hout mag gehakt, gepoot of verpoot worden (…)’. Om ook bij slecht weer concerten te kunnen geven schakelde de Vereniging Buitensociëteit stadsarchitect D.J. Itz in om een ontwerp te maken voor een (overdekte) houten concertlokaal. Hiermee kon tevens beter vorm gegeven worden aan een uitgebreid sociëteitsleven. Het gebouw kwam in 1868 gereed, was voor diverse muziekoptredens en andere culturele activiteiten geschikt en voor ‘iedereen’ toegankelijk. Er was echter wel sprake van een ballotagebeleid, weliswaar minder strikt vergeleken bij de andere sociëteiten. Ook vrouwen konden bijvoorbeeld lid worden als zij gezinshoofd waren. 

Walraadshof en tuin
Met de totstandkoming van de Buitensociëteit ging ook direct aandacht uit naar een goede en representatieve ontsluiting ervan. Vanaf de aansluiting van het Melkwegje op de Deventerweg werd langs het spoor de ‘Weg van de Buitensociëteit’ aangelegd. Hiervoor kocht de gemeente in 1868 en 1869 grond van de Hervormde Diaconie en L.E. Serrurier, waarvan het eigendom lag aan weerszijden van de voormalige toegangsweg naar het meest westelijke lunet. Deze gronden in eigendom van de Hervormde Diaconie betroffen een tuin (hof) die bij legaat van Abraham Walraat door de instelling was verkregen. De toegangsweg werd rechtgetrokken en beplant met laanbomen. Deze groene entreeruimte zou de naam Walraadshof krijgen. 

‘Nieuwe Wandelingen’ en Coenenspark
In 1840 verzochten een aantal dames tot de aanleg van een ‘Nieuwe Wandeling’ van het Slingerbosch via het Engelsche Kerkhof naar de begraafplaats aan de Warnsveldseweg. Ook hier bestond de wandeling hoofdzakelijk uit een laan die de loop van de hoekig gebogen enveloppe volgde. Daarmee werd het mogelijk om buitenom vanuit de Nieuwstadspoort naar de Laarpoort te wandelen. Op 4 december 1865 gaf het Ministerie van Oorlog toestemming voor het realiseren van een ‘Nieuwe Wandeling van het Slingerbosch tot de contrescarpe langs de Marschweide’. Hierbij werd de ‘wandeling’ naar het noordwesten uitgebreid. Blijkbaar vormde de aanwezigheid van het spoor hiervoor destijds (nog) geen belemmering. 

Aan de overzijde van het spooremplacement werd in 1866 op de verlegde vestingwerken een landschapspark aangelegd op initiatief van burgemeester jhr. H.A.D. Coenen. Het park ging een onderdeel vormen van een groene ring rondom de stad aansluitend op de (voormalige) vestingwerken. Ter plaatse van het voormalige Melkbrugje realiseerde men een overweg voor wagens en een wandelpad langs de Ravelijnsgracht onder de spoorbrug door. Deze verbinding diende niet alleen ter ontsluiting van het Coenenspark, maar zorgde er ook voor de weilanden op de Mars voor boeren goed bereikbaar bleven. Naast de onderdoorgang bij de IJssel onder de spoorbrug (leidend naar de brug over de vestinggracht en later de draaibrug over de Noorderhaven) betrof dit namelijk de enige verbinding vanuit de stad naar het gebeid ten noorden van het spoor. 

1875-1900
×

1875-1900

Meer afbeeldingen


Met de aanname van de Vestingwet in 1874 mocht de vesting Zutphen eindelijk ontmanteld worden. In 1878 verwierf de gemeente Zutphen voor f 86.300,- de vestinggronden van het Rijk. Grond die het Rijk of een Rijksdienst zelf kon gebruiken werd (nog) niet overgedragen, zoals een deel van de Grote Gracht en de twee bijbehorende bolwerken. Een globaal stedenbouwkundig plan, opgesteld door F.W. van Gendt in nauwe samenwerking met stadsarchitect Itz, lag ten grondslag aan de waardebepaling van de grond. Daarin was opgenomen dat vanwege een gebrek aan grond (om te dempen) de grachten grotendeels gehandhaafd werden en dat de Lunetten van Coehoorn bebouwd zouden worden.

plannen voor bebouwing van de vestinggronden
De eerste plannen voor de bebouwing van de noordrand van de stad werden gemaakt door stadsarchitect Itz, die na zijn overlijden in 1875 werd opgevolgd door Van Etteger. Van Etteger stelde een plan op voor het afgraven en bebouwen van de Lunetten van Coehoorn met villabebouwing in een groene omgeving met grachten, bomenlanen en singels. Hierop vooruitlopend werden alvast drie lunetten buiten de Nieuwstadspoort achter de Buitensociëteit en de buitenplaats Rozenhof geslecht. Met de vrijkomende grond werd een deel van de voormalige hoofdgracht gedempt.

Mede door geldgebrek werd dit grootschalige project in 1879 door de gemeenteraad afgewezen. In de volgende jaren werd een tweede aangepast plan uitgevoerd, ook vanwege het vrijkomen van de gronden van Huis De Rozenhof. Ter hoogte van de spoorwegovergang zou de noordelijke uitvalsweg zich splitsen in de omgelegde Deventerstraatweg (nu Burg. Dijckmeesterweg) en de nieuw geplande Coehoornsingel ter ontsluiting van het woongebied en de Buitensociëteit. De gronden tussen de Coehoornsingel en de buitengracht van de voormalige lunetten behielden een parkachtig aanzien. Omstreeks 1887 werd de Coehoornsingel verlengd tot aan de Berkel, waarna in 1888 ook de Rozenhoflaan werd aangelegd. De definitieve contouren van het nieuwe woongebied kregen vorm met de aanleg van de Jacob Damsingel in 1904. Van 1882 tot in het begin van de 20e eeuw werd het gehele gebied tussen de Coehoornsingel en Jacob Damsingel bebouwd met hoofdzakelijk villa’s en herenhuizen voor welgestelde inwoners. De eerste huizen aan de Burg. Dijckmeesterweg waren echter al voor 1880 gebouwd. 

vernieuwing en uitbreiding van de Buitensociëteit
De realisatie van de Coehoornsingel betekende een enorme verbetering van de bereikbaarheid. Door de invulling van het nieuwe woongebied lag de Buitensociëteit ‘niet meer buiten maar in de stad’. Het ledenaantal nam gestaag toe, waardoor uitbreiding van het sociëteitsgebouw noodzakelijk was. Al langer koesterde het bestuur vanwege de geluidshinder van vlakbij passerende treinen de wens het houten gebouw te vervangen door een stenen Buitensociëiteit. De wens kon pas na 1874 ingewilligd worden met de aanname van de Vestingwet. In 1891 werd uiteindelijk de stenen concertzaal geopend naar ontwerp van architect D. Lijsen.

De opheffing van de vestingstatus had een grote impact op de ruimtelijke ontwikkeling van de directe omgeving van de Buitensociëteit. Tussen 1880 en 1885 werd de entree en entourage van het gebouw verbeterd en kreeg de Buitensociëteit een eigen omheinde tuin. De grond werd in 1890 door de Buitensociëteit in erfpacht van de gemeente verkregen. Men verplaatste de oude muziektent enkele meters naar het zuiden, zodat op het terrein plaats ontstond voor een overdekte kegelbaan (1878) en een croquetbaan (1884), als aanvullend vertier naast de geplande concerten. De tuin werd grotendeels uitgevlakt met vrijkomende grond van het lunet, en naast de bomen die resteerden van het Slingerbosch werden bomen en plantsoen toegevoegd om parksfeer en enige beslotenheid te creëren. 

Oostelijk van de Buitensociëteit werd het resterende deel van het Slingerbosch uitgebreid met de gronden van het lunet, waarmee een klein openbaar park ontstond tussen de Slingerboschgracht en Coehoornsingel. Een deel van de (droge) gracht bleef in het park gehandhaafd en is thans als laagte herkenbaar. Mogelijk heeft in dit lage deel eind 19e eeuw een prieel gestaan. De beplanting werd aangevuld met parkbomen en heesters, te denken aan de nog herkenbare oudere beuken, taxussen, lindes en paardenkastanjes.

verbreding spooremplacement
Aanvankelijk kwam er na de opening in 1865 over de spoorbrug een enkele spoorlijn Zutphen binnen en verlieten na het spooremplacement twee spoorlijnen de stad in de richting Deventer-Zwolle en Lochem-Hengelo. In 1878 wordt hieraan vanwege de bloeiende textielindustrie een extra aftakking toegevoegd naar Winterswijk. De aanleg hiervan vormde de aanleiding tot een substantiële verbreding van het Zutphense spooremplacement, inmiddels een reële mogelijkheid na aanname van de Vestingwet. Hiervoor moesten de vestinggrachten rond het voormalige ravelijn worden gedempt en aangeplempt. Achter de Buitensociëteit ontstond zo ruimte voor een goederenstation/rangeerterrein, dat doorkruist werd door de (recent opgeheven) overweg. Deze overweg verving de aanvankelijke onderdoorgang van het Melkwegje. 

1900-1950
×

1900-1950

Meer afbeeldingen


Met de voortgaande bouw van woonhuizen aan de Coehoornsingel, Burg. Dijckmeesterweg/Deventerweg, Rozenhoflaan en Jacob Damsingel vindt er in het begin van de 20e eeuw een zekere verdichting plaats van de bebouwing op en rond de voormalige Linie van Coehoorn. In dezelfde periode rukt aan de overzijde van het spoor de industrie op na de aanleg van de Noorderhaven na 1881 en de nieuwe haven ten noorden van de gasfabriek omstreeks 1925. Langs het Coenenspark en het in 1885 aangelegde Veemarktterrein verbindt een extra spoorlijn het goederenstation achter de Buitensociëteit met de industrie die gevestigd is rond de nieuwe haven. Tussen 1916 en 1932 verdwijnt het Coenenspark geleidelijk van de kaart om plaats te maken voor het groeiende industriegebied. 

plannen voor het Deventerwegkwartier
Tegelijkertijd werden er plannen uitgewerkt voor de bouw van een nieuwe woonwijk buiten de lunetten van Coehoorn: het Deventerwegkwartier. In het begin van de 20e eeuw waren langs de Deventerweg weliswaar al wat huizen gebouwd, maar van een planmatige aanpak was nog geen sprake geweest. In 1919 maakte architect S. de Clercq een ontwerp waarbij de uitgestrekte lager gelegen gronden omgeven zou worden door een ringdijk, om overstroming tegen te gaan. Het gebied tussen spoorlijn en Deventerweg zou volgens dit plan volledig bebouwd worden met hoofdzakelijk arbeiderswoningen en volkswoningbouw. Dit deel van het ontwerp voor het Deventerwegkwartier is echter nooit uitgevoerd. De ringdijk is er nooit gekomen en het drassige gebied bleef tot de dichting van de Baakse overlaat in 1949 kwetsbaar voor overstromingen. 

de aanleg van sportvelden 
In de jaren rond 1920 wordt in de gemeenteraad aangedrongen op het inrichten van een sportterrein, al was het maar om het aantal bekeuringen voor voetballen op straat in te perken. Beschikbare terreinen lagen echter over het algemeen in lager gelegen terrein, dat ophoging zou vergen. Gedacht werd aan een sportpark voor voetbal, korfbal en atletiek. Het zou echter tot 1953 duren voordat daadwerkelijk sportvelden werden aangelegd. Wel kwam het terrein buiten de gracht in gebruik als ‘schoolspeelveld’.

wijziging(en) Walraadshof/plantsoen
Voor het terrein tussen Coehoornsingel en spoortalud zou omstreeks 1918 nog sprake zijn van verhuur voor acht jaar aan de heer G.W. Prost, bewoner van Coehoornsingel 2a, om de strook in te richten als sier- en bloementuin. Omstreeks 1920 was er sprake van wateroverlast vanuit de spoorsloot en zou er tussen Buitensociëteit en spoorwegovergang, parallel aan het spoortalud, een kade worden aangelegd. Het terrein tussen deze kade en de Coehoornsingel zou in de opvolgende jaren worden opgehoogd, waarmee de Walraadshof nader vorm kreeg. In ieder geval zullen bij deze ophoging de laanbomen zijn verdwenen (tussen 1925 en 1928) en werd vervolgens het plantsoen opnieuw ingericht met gebogen paden en bloemrij sortiment (rozen). Rondom de Buitensociëteit zijn diverse coniferen aanwezig. 

De graafschap-bode meldde in 1931: ‘Bij een wandeling door en om ’t oude stadsgedeelte en in de nieuwe buitenwijken valt ’t onmiddelijk op, dat aan verfraaiing voldoende zorgen en kosten besteed worden. Nergens hoeven we langer dan vijf minuten te wandelen of we worden daar weer aan herinnerd. Verbeteringen op dit gebied waar mogelijk, worden aangebracht. Denken we aan hoek Martinetsingel-Tadamasingel, voorheen en thans en aan den voormaligen Walraadshof. Met bescheiden middelen is daar een verbetering tot stand gekomen, welke de wandelaars zeer op prijs stellen. Zij bezien vaak bloem voor bloem, plant voor plant en noteeren soms de namen van deze om daar een volgend jaar in hun eigen tuintje van te kunnen genieten’. Op foto’s uit midden jaren 1930 is inderdaad een sierlijk ingericht plantsoen te zien, dat met geometrische vakken de entree en zichtas van de Buitensociëteit accentueerd.

herstel van oorlogsschade
Om de Duitse opmars in de Tweede Wereldoorlog te vertragen werden in de meidagen van 1940 door het Nederlandse leger  veel bruggen opgeblazen, zo ook de brug in de Deventerweg. End mei werd ter plaatse een noodbrug geslagen. Op 22 september 1944 ontplofte na een beschieting een munitietrein op het Zutphense spoorwegemplacement, vlak achter de Buitensociëteit. Urenlang vlogen in de wijde omtrek de granaten door de lucht. De Buitensociëiteit werd veelvuldig getroffen door granaatscherven en raakte zwaar beschadigd. Hetzelfde gold voor enkele woonhuizen in het omliggende gebied. Het noodzakelijke herstel van het sociëteitsgebouw startte in 1946 en werd met bescheiden middelen op sobere wijze uitgevoerd. 

Eind maart 1945 bracht de Duitse bezetter Zutphen in staat van verdediging. Op 4 april werd de brug in de Deventerweg opnieuw opgeblazen. In de dagen die volgden werd er hevig gevochten en vrijdagavond 6 april werd de omgeving bevrijd door Canadese troepen. De nieuwe brug in de Deventerweg, de Canadezenbrug, werd op 26 april 1947 in gebruik genomen.

1950-heden
×

1950-heden

Meer afbeeldingen


Na het herstel van de oorlogsschade wordt de Buitensociëteit direct weer in gebruik genomen. De zaal deed niet alleen dienst als concertzaal, vanaf 1953 wordt hier ook een middenstandsbeurs gehouden. Deze ‘Jaarbeurs van het Oosten’ werd zeer populair en ontgroeide al snel de Buitensociëteit. 

sport en beurzen in de Hanzehal
Om de beurs blijvend aan Zutphen te binden, besloot de gemeente in 1967 tot de bouw van een evenementen- en sporthal op het lager gelegen terrein ten noorden van de voormalige Linie van Coehoorn. Dit open terrein was in 1947 benut als locatie voor de Algemene Middenstandstentoonstelling (AMITO, zie krantenartikel https://bit.ly/2zHAQij) en vanaf 1953 lagen er de sportvelden van AZC. De Jaarbeurs had op het schoolspeelveld direct buiten de lunetten tentoonstellingen georganiseerd. Hiervoor werd in 1958 een tijdelijke bruggetje gebouwd over de Slingerboschgracht, om het tentoonstellingsterrein en de beurs in de Buitensociëteit met elkaar te verbinden. Vanaf 1968 konden de gymnastiek- en sportverenigingen gebruik maken van de nieuwe Hanzehal. De ontsluiting van het sportterrein werd verbeterd door de aanleg de Fanny Blankers-Koenweg langs de spoorsloot. De nieuwe weg doorsneed een deel van de Slingerboschgracht die ter plaatse werd gedempt. 

Met het verhuizen van beurzen en andere evenementen naar de Hanzehal, raakte de Buitensociëteit een deel van haar programma kwijt. Door de alom geroemde akoestiek bleven concerten in trek, maar dezelfde akoestiek zorgde er in combinatie met de verouderde faciliteiten voor dat de zaal minder geschikt was voor (gesproken) theatervoorstellingen.

plannen voor een nieuw ontmoetingscentrum
Vlak nadat de herstelwerkzaamheden aan de Buitensociëteit waren voltooid, dacht de gemeente Zutphen al na over de bouw van een nieuw theater. De toenmalige eigenaar wilde het pand verkopen en de gemeente vroeg in 1953 aan drie Zutphense architecten om een ontwerp te maken voor een nieuwe concertzaal met toneelaccommodatie. Het plan van A. Warnaar genaamd ‘Faust’ was favoriet, maar zou uiteindelijk nooit verwezenlijkt worden. In afwachting van nieuwe plannen, volgden in 1958 en 1965 kleinschalige maar ingrijpende verbouwingen van de bestaande Buitensociëteit. 

aanpassing van het Slingerbos en het Sidneypark
Aan de buitenzijde van de Buitensociëteit werd beplanting (o.a. Italiaanse populier) aangebracht die het gebouw in groen omhulden. In 1963 werd de muziektent in de tuin afgebroken. Aan de overzijde van de Deventerweg werd het Sidneypark in 1967 opgeknapt, waarbij de enigszins structuurloos geworden inrichting met heestervakken (met name sering) zou worden vervangen door een laan van paardekastanje en rijen van sierkers en conifeer. Het plan werd om financiële redenen echter niet geheel ten uitvoer gebracht en omstreeks 1981 werden lindes aangeplant ter plekke van de geprojecteerde laan van paardekastanjes.

In het Slingerbosch vormde in die tijd de lindelaan nog steeds de belangrijkste structuur. Verspreid staan enkele losse bomen als eik, beuk, linde en esdoorn. De heestergroepen bestaan hoofdzakelijk uit sneeuwbes, vermengd met sering, vlier, meidoorn, liguster, gelderse roos, acacia, margrieten en dahlia’s. Na de aanpak van het Sidneypark werd herstel van het Slingerbosch beoogd, waartoe in 1983 door de Heidemij en gemeentelijke dienst Beplantingen een plan werd opgesteld. Dit plan beoogde kap van 42 bomen, waaronder het grootste deel van de lindelaan, alsmede aanleg van een nieuw pad met laan dichter langs de gracht. Naar aanleiding van protesten vanuit de bevolking werd het plan aangepast, waarbij werd voorzien in behandeling van de oude bomen door een boomchirurg, verwijderen van opslag op de oever, uitbreiding van heestervakken en aanleg van een nieuw pad in de punt van het lunet. 

bouw van de Hanzehof
Intussen was er een Werkgroep tot Bestudering van het Schouwburgvraagstuk in het leven geroepen die in 1964 een rapport naar buiten bracht over een nieuw te bouwen schouwburg. De werkcommissie stedenbouw binnen de gemeente raadde het college van B en W af om ‘een schouwburg te “knutselen” bij de Buitensociëteit'. Er was weinig vertrouwen in de opgave om het sociëteitsgebouw, een schouwburg en een muziekschool in één totaalontwerp te vatten. De werkcommissie vreesde tevens voor het verlies van het groene karakter van het nog aan te wijzen beschermde stadsgezicht. 

Omdat Apeldoorn, Deventer en Doetinchem al over schouwburgen beschikten, zag de gemeente Zutphen na 1965 af van de nieuwbouw van een schouwburg. In plaats daarvan kreeg architect L. Reinalda van architectenbureau De Gruyter uit Zwolle opdracht voor het ontwerpen van een ontmoetingscentrum. Uitgangspunten waren onder andere het handhaven van de parkachtige omgeving langs de Slingerboschgracht en het hoogteverschil tussen de gracht en de Coehoornsingel. Zowel deze landschappelijke elementen als de bestaande Buitensociëteit moesten geïntegreerd worden in het ontwerp. Op 23 januari 1976 wordt gestart met de bouw van de nieuwe Hanzehof tegen de noordoostzijde van de Buitensociëteit. De voormalige kasteleinswoning rechts aan de voorzijde werd gesloopt. 

De architectuur van de Hanzehof (beïnvloed door het structuralisme) is opgebouwd uit meerdere bouwvolumes, waarbij de situering van de verschillende volumes gestuurd werd door de indeling van het interieur en aansloot bij het bestaande hoogteverschil tussen Coehoornsingel en de weg achter de Buitensociëiteit. Dit niveauverschil werd tevens overbrugd door het plaatsen van trappetjes bij de entrees aan de voor- en achterzijde. Ter afscheiding van de openbare weg en om de nieuwbouw architectonisch te verbinden met de Buitensociëiteit zijn rondom bakstenen muurtjes gemetseld. Tussen de oude concertzaal en de Hanzehof lag aanvankelijk een kleine open ruimte, een patio, die later is volgebouwd. 

Tegelijk met de bouw van de Hazehof kwam de vraag om uitbreiding van parkeervoorzieningen op, waaraan begin jaren '80 gehoor werd gegeven met de aanleg van parkeervakken aan weerszijden van de Fanny Blankers-Koenweg en op het voormalige Amitoterrein. Ook werd gedacht aan een brug over de Slingerboschgracht ter hoogte van de saillant (de ‘punt’ van het vestingwerk), maar deze heeft geen doorgang gevonden. In 1978 was wel een onderdoorgang voor wandelaars onder de Canadezenbrug gemaakt, als verbinding tussen Slingerbosch en Sidneypark, en als onderdeel van een wandelroute van de Berkelweide naar het Deventerwegkwartier.

latere ontwikkelingen
De in 1968 opgeleverde Hanzehal is slechts dertien jaar in gebruik geweest. Op 23 december 1981 sloeg het noodlot toe en werd de hal door een uitslaande brand volledig verwoest. Ondanks de inzet van het gehele Zutphense brandweerkorps was het gebouw niet meer te redden. Vrijwel direct werden er plannen gemaakt voor een nieuw te bouwen sporthal die precies een jaar na de brand officieel geopend werd. Tot die tijd waren zaalsportverenigingen gedwongen om tijdelijk elders onderdak te vinden. 

Bij de Hanzehof groeide na de eeuwwisseling de behoefte aan modernisering en uitbreiding van de zaalcapaciteit. Enkele jaren eerder had men in 1998 de restauratie van de Buitensociëteit al ter hand genomen, met als belangrijkste onderdeel de restauratie van de oude concertzaal met reconstructie van het laat 19e-eeuwse casettenplafond. In 2005 werd de theaterzaal van de Hanzehof aan de achterzijde vervangen door een grotere schouwburgzaal, met toevoeging van een bijbehorende, hoge toneeltoren. De bestaande (onder)doorgang van de Coehoornsingel naar de Fanny Blankers-Koenweg werd aangepast zodat deze aansloot op de nieuwe hoofdentree. Hierbij werd wederom een deel van de gracht gedempt. Voorheen leidde twee trappetjes vanaf de Coehoornsingel omhoog naar de entree op een hoger niveau. In de huidige situatie moeten bezoekers juist een paar treden afdalen om de hoofdentree op de ‘begane grond’ te bereiken. 

Deze ingrepen zorgden voor de uitbreiding van de stedelijke inrichtin en het vergroten van het contrast van de Hanzehof met de parkomgeving. Door uitval van oudere bomen, met name paardenkastajes uit de tuin van de Buitensociëteit, wijzigde recent het aanzien van het Slingerbos aan de zijde van de Coehoornsingel. 

1565-1591
1591-1700
1700-1800
1800-1875
1875-1900
1900-1950
1950-heden

Introductie


aanleiding
Op dit moment worden door de gemeente Zutphen de randvoorwaarden geinventariseerd voor een eventuele herbestemming van het plangebied Buitensociëteit/Hanzehof e.o. Als onderdeel van het beschermde stadsgezicht Coehoornsingel-Deventerweg levert de cultuurhistorische waarde een belangrijke bijdrage aan de identiteit van het gebied.  

Een cultuurhistorische analyse moet op concrete wijze inzichtelijk maken op welke wijze de ruimtelijke structuur van het gebied tot stand gekomen is en welke kwaliteiten een belangrijke rol kunnen spelen bij nieuwe ingrepen. Het onderzoek moet niet alleen inzicht geven in de aanwezige cultuurhistorische waarden, nadrukkelijk is het ook gewenst dat de resultaten inspiratie opleveren voor het plan- en ontwerpproces. 

onderzoek en rapportage
Bij de gemeente Zutphen is veel informatie voorhanden over het gebied. Daarnaast is in de afgelopen jaren over een aantal relevante deelonderwerpen uitgebreid gepubliceerd. Verder bezit het Regionaal Archief Zutphen een rijke collectie topografisch- en beeldmateriaal. Het onderzoek is gestart met een inventarisatie van deze gegevens, aangevuld met literatuuronderzoek. Aan de hand hiervan is van de periode tussen grofweg het einde van de middeleeuwen en heden, de ruimtelijke ontwikkeling van het onderzoeksgebied in de vorm van een catalogus beschreven. In de ontwikkeling van het gebied zijn vanaf de late middeleeuwen grofweg zeven perioden te onderscheiden. 

Voor ieder tijdvak zijn de afzonderlijke veranderingen van zowel lijnen, structuren als de bebouwing in kaartbeelden vastgelegd. Vanwege de beperkingen van de verschillende bronnen is het onvermijdelijk dat hierbij in de verschillende tijdvakken soms perioden onbenoemd blijven. De samenhang van de terreinen, structuren en objecten in het onderzoeksgebied zijn in hoofdlijnen weergegeven in de vorm van relevante (historische) afbeeldingen en beknopte tekstbijdragen.

De huidige omgeving is geanalyseerd door middel van een uitgebreide veldverkenning, met als doel de bestaande ruimtelijke karakteristieken te benoemen. Aan de hand hiervan worden handreikingen gedaan voor de inrichting en het beheer van het gebied. 

Het onderzoek is door ARCX in co-productie uitgevoerd met SB4 Bureau voor Historische Tuinen, Parken en Landschappen uit Wageningen en Belfort cultuurhistorie en monumenten uit Doetinchem. De periode van uitvoering was november-december 2018.

plangebied
Het onderzoeksgebied wordt begrensd door aan de zuidzijde de Coehoornsingel, aan de noordzijde de sportvelden, aan de westzijde door de spoorzone en aan de oostzijde door de Deventerweg. Het accent van het onderzoek  ligt op de Buitensociëteit/Hanzehof en het direct aangrenzende terrein, onder meer het Slingerbos en een deel van de Coehoornsingel. 

Advies en waardering


samenvatting en conclusie
Het cultuurhistorisch onderzoek biedt een overzicht van de ruimtelijke ontwikkeling van de omgeving rond de Buitensociëteit in Zutphen vanaf het midden van de 16e eeuw tot heden. Het huidige beeld van dit gebied is hoofdzakelijk tot stand gekomen binnen twee hoofdthema’s: de aanleg, uitbreiding en gedeeltelijk weer geslechte vestingwerken en de aanleg en verbreding van het spoor. De vestingwerken en het spoortracé zijn de meest dominante en structuurbepalende elementen in het gebied die tevens voor historische continuïteit zorgen. De veranderingen in het gebied zijn op de bijgevoegde periodekaarten te volgen. 

Het plangebied lag tot diep in de 19e eeuw buiten de stad. Hier lagen de akkers op de hoger gelegen gronden van de Zutphense Enk en de wei- en hooilanden in het lager gelegen stroomgebied van de IJssel, aangeduid als De Mars. Dwars hier doorheen meanderde een noordelijke tak van de Berkel. 

Vanaf de 17e eeuw werd een steeds bredere zone buiten de stadsmuur benut voor de aanleg van verdedigingswerken. Het verder opschuiven en uitbreiden van de vestingwerken was noodzakelijk vanwege het steeds grotere bereik van geschut en verbetering van belegeringstactieken. In dit kader werd Zutphen omstreeks 1600 voorzien van een ring van aarden bastions en ravelijnen met brede grachten. Ter plaatse van de huidige Hanzehof kwam niet veel later een hoornwerk te liggen. Dit hoornwerk zou rond 1725 weer vervangen worden door de Linie van Coehoorn. Het lager gelegen (inundatie)gebied buiten deze linie kon bij oorlogsdreiging onder water gezet worden. In dit gebied en op de vestinggronden mochten vanwege de ligging binnen het schootsveld in principe geen huizen gebouwd worden. Wel verschenen er particuliere lusthoven tussen de Grote Gracht en de Lunetten van Coehoorn, in 1790 aangevuld met de aanplant van het Slingerbos op de noordelijke twee lunetten.

Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw zouden ingrijpende ruimtelijke veranderingen het gebied verder vormgeven zoals we dat vandaag de dag kennen. De transformatie werd ingezet met de aanleg van de spoorlijn in 1864 die buitengebied, vestingwerken en grachten doorkruiste. Het laag gelegen gebied buiten de vestingwerken raakte hierdoor als restruimte ingeklemd tussen de hoger spoordijk en de hoger gelegen Deventerweg. Op de Lunetten van Coehoorn groeide de door Julius Fahro in 1854 geopende muziektent uit tot de Buitensociëteit, met aanvankelijk een houten en later een stenen sociëteitsgebouw in een parkachtige omgeving. Het Slingerbos werd opgenomen in een groene ring van aaneengeschakelde ‘Nieuwe Wandelingen’.

Deze op het oog aparte ruimtelijke ontwikkelingen houden verband met elkaar en zijn het gevolg van bredere maatschappelijke en sociaal-economische ontwikkelingen in deze periode, waaronder het snel toenemende inwoneraantal in Zutphen en de sterke groei, emancipatie en culturele opleving van de gegoede burgerij. 

Aan de groeiende behoefte tot stadsuitbreiding en modernisering kon na de opheffing van de vestingstatus in 1874 definitief gehoor worden gegeven. Van 1882 tot in het begin van de 20e eeuw werd een compleet nieuw woongebied tussen de Coehoornsingel en de Jacob Damsingel bebouwd met hoofdzakelijk villa’s en herenhuizen voor welgestelde inwoners. Het gebied rond de Buitensociëteit werd hiermee binnen de stad getrokken en het moderne stenen sociëteitsgebouw kreeg een representatieve entree via de nieuw aangelegde Coehoornsingel. Tussen deze weg en de spoorlijn lag vanouds een tuin (de Walraadshof), die later omgevormd werd tot een plantsoen die verschillende gedaanten gekend heeft. 

In de tweede helft van de 20e eeuw vindt er een duidelijke uitbreiding van de stedelijke inrichting rond de Buitensociëteit plaats. De verstening startte met de bouw van de Hanzehof in de voormalige tuin van het sociëteitsgebouw in 1976, voortgezet met de recentere nieuwbouw aan de achterzijde. Deze ingrepen hebben samen met de aanleg van de Fanny Blankers-Koenweg en de demping van een deel van de Slingerboschgracht het contrast tussen Hanzehof en de parkachtige omgeving vergroot. 

Buiten de Linie van Coehoorn bleef de lage, groene en open ruimte lang ongewijzigd. Het terrein bleef tot op heden vrijwel gevrijwaard van bebouwing, mede door de problematiek van de waterhuishouding en de hoge kosten van het bouwrijp maken van de grond. Na de Tweede Wereldoorlog werd het gebied ingezet voor tijdelijke tentoonstellingen, beurzen en sport. In 1968 bouwde men een sport- en evenementenhal die eind 1982 afbrandde en vervangen werd door de huidige Hanzehal. Ook hier is sprake van toenemende verstening van de ruimte, met name door de aanleg van het grote geasfalteerde parkeerterrein. 


waardering
Een groot deel van het gebied is door het rijk aangewezen als beschermd stadsgezicht en is als zodanig een hoge cultuurhistorische waarde toegekend. Als kern van de te beschermen waarden is hierbij genoemd: herkenbaar als stadsuitleg na de ontmanteling van de vesting en als van veel groen voorzien woongebied voor de beter gesitueerden, waarbij architectuur en stedenbouwkundige opzet goed harmoniëren, en de geschiedenis van Zutphen als vestingstad is af te lezen aan de tot parkachtige groenzone getransformeerde voormalige lunetten van Coehoorn met de erbij horende buitengrachten. Tevens wordt onder meer het straatprofiel met voortuinen en de laanbeplanting van belang geacht.

Vanuit het verleden is het karakter van dit gebied nauw verbonden met de vestingstatus en de bodemgesteldheid. Zaken die binnen de muren van de vesting geen plaats vonden – door ruimtegebrek of regelgeving – weken uit naar deze zone buiten de gracht: een herberg, een buitenplaats, bedrijvigheid als de pelmolen, moestuinen en recreatiehoven. Afhankelijk van de ondergrond en ontsluiting kreeg de ruimte rondom de weg naar Deventer en tot de buitenste verdedigingslinie invulling. Daarbuiten strekten de lage en lege gronden van de Mars zich uit. 

Deze concentrische hoofdstructuur, als gevolg van de vestingwerken, is thans nog duidelijk herkenbaar in de restanten van de gracht, de groenstructuur en de wegenstructuur. Haaks op de concentrische structuren ligt de Deventerweg, terwijl het spoor deze structuren schampt en de scheidslijn vormt met het bedrijventerrein op de Mars. Deze gebiedskarakteristiek is op een wat hoger abstractieniveau weergegeven op de bijgevoegde tekening. 

De waardering van het gebied is verder uitgewerkt voor het deelaspect (gebruiks)historie en op de schaalniveaus van structuren en objecten. 

(gebruiks) historische waarden

  • De bewaard gebleven stenen concertzaal van de Buitensociëteit herinnert in combinatie met de parkachtige omgeving rond het Slingerbos op tastbare wijze aan het 19e-eeuwse Buitensociëteitsleven. Op deze locatie vinden vanaf het midden van de 19e eeuw tot op heden muziekvoorstellingen plaats, aanvankelijk in de open lucht, later overdekt.
  • Het Slingerbos is van belang als onderdeel van de historische, openbare ‘wandelingen’ zoals deze vanaf de late 18e eeuw op de vestinggronden werden aangelegd, met herkenbare hoogteverschillen als restant van de verdedigingswerken. 
  • De Canadezenbrug aan de zuidzijde van de Deventerweg is van belang vanwege de betekenis voor en de herinnering aan de strijd bij de bevrijding van Zutphen in de Tweede Wereldoorlog.
  • Het gebied buiten de Slingerboschgracht, tussen de spoorlijn en de Deventerweg, is herkenbaar als oorspronkelijk grotendeels open buitengebied. De karakteristiek van het lager gelegen terrein is in de tweede helft van de 19e eeuw versterkt doordat het ingeklemd raakte tussen de verhoogde Deventerweg en de hoger gelegen spoordijk. 

structuren

  • De Slingerboschgracht en de aanwezige hoogteverschillen in het plangebied zijn cultuurhistorisch van groot belang als restanten van de voormalige vestingwerken van de Linie van Coehoorn.  
  • De Deventerweg staat haaks op deze vestingstructuur en is van belang als noordelijke uitvalsweg en lineaire structuur zoals deze in het begin van de 18e eeuw tot stand is gekomen. De hierop aansluitende Coehoornsingel en Burg. Dijckmeesterweg zijn van belang als onderdeel van het op het voormalige vestingterrein aangelegde, laat 19e-eeuwse stratenpatroon. 
  • De oorspronkelijke zichtas van de Coehoornsingel op de hoofdentree van de Buitensociëteit is vertroebeld geraakt door latere wegreconstructie(s), de aanleg van parkeervakken, de ‘verrommeling’ van het Walraadsplantsoen en achterstallig groenonderhoud rond het sociëteitsgebouw. 
  • De spoorlijn is van belang als beeldbepalend lijnelement, dat door de verbreding van het emplacement vanaf de late 19e eeuw binnen de ruimtelijke structuur een steeds dominantere plek inneemt.
  • De recent gesloten spoorwegovergang markeert de historische verbinding over (en aanvankelijk ook onder) de spoorlijn naar het aan de overzijde gelegen Coenenspark en de industrie die zich rond de Noorderhaven en Spoorweghaven ontwikkelde. Al voor de komst van het spoor bevond zich op deze locatie een doorgang door de vestingwal naar de weilanden op De Mars. 

objecten

  • De laat Buitensociëteit uit 1891 is van belang als representatief voorbeeld van een laat 19e-eeuwse concertzaal. Hoewel de gaafheid van het oorspronkelijke ontwerp is aangetast door latere verbouwingen en wijzigingen is het bouwdeel architectuur- en bouwhistorisch van waarde als fysiek restant van het 19e-eeuwse sociëteitscomplex. 
  • De Buitensociëteit vormt een historisch waardevol stedenbouwkundig ensemble met de villabebouwing en geschakelde herenhuizen aan de Coehoornsingel (en Burg. Dijckmeesterweg), ontstaan door de bebouwing van de vrijkomende vestinggronden na de slechting van de vestingwerken in het derde kwart van de 19e eeuw. Het planmatige aspect van de woonbebouwing komt tot uitdrukking in de strakke rooilijnen en een hoge mate van uniformiteit in architectuur, nokhoogte en type dakbedekking. 
  • De historisch-stedenbouwkundige waarde van de Buitensociëteit is sterk gereduceerd door de nieuwbouw en recente uitbreiding van de Hanzehof. Het oude sociëteitsgebouw is in het straatbeeld ondergeschikt geraakt aan de nieuwbouw.


aanbevelingen
Op grond van bovenstaande waardering is het voor het onderzoeksgebied voor de hand liggend om bij toekomstige veranderingen in te zetten op behoud en consolidatie van de historisch gegroeide hoofdstructuur, gevormd door de vestingwerken (Lunetten van Coehoorn), de spoorlijn en het historische stratenpatroon.  

  • Het contrast tussen de voormalige vestingwerken/park en de lage gronden in het buitengebied versterken door spaarzaam te zijn met opgaande beplanting aan de oostzijde en rondom de Hanzehal. 
  • Het contrast tussen Buitensociëteit en Slingerbos verzachten door groen en (historisch) rood weer met elkaar te verbinden, bijvoorbeeld door hoogwaardig plantsoen direct rondom het gebouw. 
  • Het Slingerbos opknappen, onder andere door de relatie met het Sidneypark te versterken (ruimtelijk en logistiek), de oeverbeplanting voor een deel te verwijderen, stobbes (met paddestoelen) te verwijderen en heestervakken op te schonen en te vernieuwen. 
  • Het Walraadsplantsoen weer inrichten als groenstrook tussen Coehoornsingel en spoorlijn. 
  • De zichtas vanaf de Coehoornsingel op de hoofdentree van de Buitensociëteit herstellen.