14e eeuw
×

14e eeuw

Meer afbeeldingen

De bouw van een omgracht huis rond 1400

Het oudste Gelderse leenregister uit 1326 vermeldt dat Steven van Roderlo ‘Heft den Hof te Roderlo ende alle sin guet, dat hi daer heft’. Het is onbekend hoe dit middeleeuwse kasteel eruit gezien heeft. Waarschijnlijk betrof het een omgracht huis van beperkte omvang. Van de oorspronkelijke opzet van het kasteel bleven in het gevelmetselwerk van de zuidvleugel delen bewaard. Dit metselwerk is herkenbaar aan vrij donkere bakstenen die in een onregelmatig verband verwerkt zijn. De 10-lagenmaat bedraagt 80 cm. Van de indeling van het gebouw is alleen op kelderniveau de scheidingsmuur tussen de ruimten 0.01 en 0.02 blijven staan. De gevels zijn tot ongeveer de verdiepingsvloer in dit materiaal opgetrokken. De zuidgevel telde vijf vensterassen, die overeenkomen met de huidige indeling. De onderdorpels van de vensters lagen oorspronkelijk ongeveer 75 cm lager. Destijds was het gebouw al voorzien van een kelder, op twee plaatsen tekenen zich dichtgezette kelderlichten af. Deze kelderlichten zijn een stuk kleiner dan de huidige en zitten ook wat lager. De begane grond vloer moet destijds dus ook een stukje lager gelegen hebben dan de huidige en waarschijnlijk was de kelder nog niet overwelfd. Het kelderdek zal geheel als houten balklaag uitgevoerd geweest zijn.

Ook in de oostgevel is op de begane grond nog een bouwspoor van een venster te zien. Aan de rechter zijde is in deze gevel een met een boog afgesloten opening waarneembaar die met recenter metselwerk dichtgezet is. Dit lijkt een dichtgezette (lage) deur te zijn, hoewel dat gezien de onderliggende gracht geen voor de hand liggende plaats is.

In de noordgevel van deze vleugel is op twee plaatsen een bouwspoor van een oorspronkelijke toegangsdeur aangetroffen waarvan de hoogte correspondeert met het lagere vloerniveau van de begane grond. Geheel links en grenzend aan de open ruimte tekent zich de onderzijde van een deur af en aan de rechter zijde is vanuit vertrek 1.22 de rechter zijde van een met een segmentboog met zandstenen aanzetsteen afgesloten deuropening te zien. De opening heeft rondom een profilering waarin blokken zandsteen opgenomen zijn. Aan de oostzijde van dit venster tekent zich aan de binnenzijde (vertrek 1.12) de bovenzijde van een dichtgezet venster af.
Door latere veranderingen bleef van de hogere niveaus van dit gebouw niets bewaard. Waarschijnlijk was er geen verdieping. Wat betreft de indeling is het goed mogelijk dat de tweedeling zoals aangebracht in de kelder, doorgetrokken was naar de begane grond. Dat levert hier dan een klein vertrek aan de oostzijde en een grote zaal aan de westzijde op. Een dergelijke indeling komt vaker voor bij voorname zaalhuizen, het grote vertrek vervult dan een meer representatieve functie en in het kleinere vertrek kan de familie zich voor meer privacy terugtrekken. 

15e eeuw
×

15e eeuw

Meer afbeeldingen


De verhoging van het zaalgebouw in de vijftiende eeuw

In het begin van de vijftiende eeuw komt het huis in handen van de familie Van Heker of Van Heeckeren. Waarschijnlijk onder Jacob van Heeckeren (?-1440), of diens zoon Evert (?-1495), is het gebouw vergroot door het met een verdieping te verhogen. Bij deze verbouwing zijn de kelders onder het westelijke deel voorzien van gewelven, waardoor de begane grondvloer een stuk hoger kwam te liggen. Het overwelfde deel is verdeeld in drie vakken, ieder afgesloten met een kruisgewelf. Aan de noordzijde zijn de kelders verbonden met een gang. In het meest oostelijke keldervak is het kruisgewelf bij latere verbouwingen verdwenen. In de zuidgevel werden de vensters op de begane grond van het grote vertrek een stukje maar boven verplaatst. In het oostelijke deel van het gebouw bleef rond de ingang het oude vloerniveau aanvankelijk waarschijnlijk als bestaand. De toegangsdeur in dit deel werd wel veranderd in een venster en de vensters in de zuidgevel metselde men dicht. De ingang kwam in het vernieuwde deel, daarvoor plaatste men ten westen van de oude voordeur een nieuw eiken kozijn dat achter de betimmering van vertrek 1.12 bewaard bleef. Links van deze deur is aan de binnenzijde van de gevel een nis met een zandstenen omlijsting in gotische stijl aangebracht. In de linker zwik bleef een deel van de ornamentering bewaard in de vorm van een fabeldier, voorzien van resten van een rode kleurafwerking.

Of er in deze periode aan de noordzijde van het kasteelterrein al bebouwing stond blijft onduidelijk. in de kelder van de huidige westvleugel (vertrek 0.27) zijn funderingsresten van zware bakstenen muren aangetroffen die niet bij de huidige bebouwing horen. Deze waarneming was te beperkt om een gebouwplattegrond te kunnen reconstrueren. 

16e eeuw
×

16e eeuw

Meer afbeeldingen


Uitbreiding van het zaalgebouw en de bouw van een paviljoentoren in de zestiende eeuw

In 1562 erft Jacob van Heeckeren (ca. 1535-1579) Ruurlo van zijn vader Evert van Heeckeren. Jacob trouwde in 1563 met Sibilla van Pallandt. Omdat hun enige dochter jong overleed, vererfde het kasteel op Jacobs jongste broer Joost na zijn overlijden in 1579. Het is waarschijnlijk Jacob van Heeckeren die het kasteel uitbreidt met een volume aan de westzijde van het bestaande zaalgebouw. In de kelder van dit bouwdeel wordt later de keuken ondergebracht. Ten behoeve van een grote keukenschouw is de zware gordelboog tussen de beide gedrukte kruisgewelven op ingenieuze wijze onderbroken. Waarschijnlijk werd destijds ook een nieuwe westvleugel gebouwd. Van deze vleugel bleef een deel bewaard op de noordelijke hoek van de huidige bebouwing. Van dit oudere deel was de gevel voorzien van natuursteenbanden en een natuurstenen hoekketting. Ook het oudere metselwerk in de onderste helft van de noordelijke hoektoren wijst op een U-vormige kasteelplattegrond met een binnenplaats aan de oostzijde. Bij werkzaamheden in 2015 ter plaatse van deze binnenplaats is onder de keldervloer een nog vrijwel complete ronde gemetselde waterput of -kelder, voorzien van een gemetselde koepel aangetroffen.

In 1572 laat Joost van Heeckeren (1540-1619), die een jaar eerder getrouwd is met Agnes van Haeften, op de zuidwestelijke hoek van het kasteel een vierkante paviljoentoren in renaissance stijl bouwen. Het bouwjaar van deze toren is in het fries aangebracht. Naast het bouwjaar is in gotische letters het opschrift ‘jffu’ aangebracht, de betekenis hiervan is niet duidelijk. Hoektorens waren als verwijzingen naar een feodaal verleden geliefde elementen in de kastelenbouw. Aanvankelijk waren hoektorens meestal rond, vanaf het midden van de zestiende eeuw kwamen torens met een vierkante plattegrond sterk in opkomst. Ook de kastelen Twickel en Vorden bezitten fraaie voorbeelden uit deze periode. De voorkeur voor steeds grotere vierkante woontorens heeft te maken met de wens naar meer wooncomfort. Ten opzichte van hun ronde voorgangers zijn rechte vertrekken veel beter bewoonbaar te maken; zij bieden plaats aan meer en groter meubilair en kunnen met een grote schouw goed verwarmd worden. Door rondom vensters aan te brengen werd ook in meerdere richtingen een goed uitzicht verkregen over de tuinen en landerijen van het goed [ H.L. Jansen, 1000 jaar Kastelen in Nederland, Utrecht 1996, p. 138].

De bakstenen gevels van de paviljoentoren hebben een horizontale geleding met natuurstenen cordonlijsten en spekbanden. Op de buitenhoeken zijn met natuursteenblokken hoekkettingen aangebracht. Boven de vensters zijn timpanen met daarin voor deze periode karakteristieke schelpmotieven geplaatst. De toren wordt afgesloten door een afgeplat piramidedak met gebogen dakschilden. Op het platte dak is een uitzichtplatform gemaakt rond een houten achthoekige lantaarn. Het dak wordt ondersteund door een eiken gebintenconstructie met sterk gekromde gebitstijlen die gedecoreerd zijn met biljoenen en kapelletjes. De constructieonderdelen zijn genummerd met gehakte telmerken. Deze gebinten ondersteunen de gekromde eiken daksporen en de balklaag van het platte dak. De gebogen gebintstijlen maken duidelijk dat het hier gaat om een ruimte die diende als representatief ‘showpiece’. Vanuit een constructief perspectief was het veel eenvoudiger om de gebintstijlen recht uit te voeren; kennelijk werd voor deze zolderruimte de esthetische uitstraling belangrijker gevonden. 

17e eeuw
×

17e eeuw

Meer afbeeldingen


Herstelwerkzaamheden na het twaalfjarig bestand in de zeventiende eeuw

Blijkens een tweetal jaartalstenen in de kleine toren vonden kort na de beëindiging van het twaalf-jarig bestand omstreeks 1627 vernieuwingen aan het kasteel plaats. De exacte omvang van deze bouwactiviteiten is onduidelijk. In ieder geval vonden aan de kleine toren werkzaamheden plaats, waarschijnlijk is de toren verhoogd en daarbij voorzien van een nieuwe vensterindeling met zware houten kozijnen. Mogelijk werd bij deze bouwcampagne ook de noordzijde van het kasteelterrein (definitief) bebouwd. 

18e eeuw
×

18e eeuw

Meer afbeeldingen


Nieuwbouw van de westvleugel in het eerste kwart van de achttiende eeuw

De familie van Heeckeren komt tegen het einde van de zeventiende eeuw in financiële problemen. Na de dood van Wigbold van Heeckeren in 1686 wordt het huis Ruurlo bezit van de familie Schimmelpenninck van de Oye. In 1694 is Alexander Schimmelpenninck van de Oye tot Holthuysen kasteelheer. In de periode na zijn huwelijk in 1701 met Anna van Appelthorn tot aan zijn dood in 1724 wordt het huis ingrijpend verbouwd. Uit de dendrochronologische datering van de verdiepings- en de zolderbalklaag en enkele gedateerde stucplafonds volgt dat het gebouw in relatief korte tijd niet alleen aan de buitenzijde, maar vooral in het interieur een gedaanteverwisseling ondergaan moet hebben.

In het begin van de achttiende eeuw is bij de elite, onder invloed van de Franse hofcultuur, een nieuw representatief gebruik, indeling en aankleding van de woonruimte in opkomst. Formele ontvangstkamers werden daarbij afgescheiden van privé woon- en slaapvertrekken. Waar mogelijk streefde men ook naar meer comfort en een grotere daglichttoetreding. Ook de relatie tussen binnen en buiten kreeg in deze periode meer aandacht. Dit betekende dat in de nieuwe gevels grote schuifvensters geplaatst werden, waarvan het lichteffect nog versterkt werd door witte stucplafonds. De interieurs werden verder aangekleed met schouwen, paneeldeuren, lambriseringen en bespannen wanden.

Hoewel van Ruurlo in de archieven geen concrete verbouwingsplannen uit de achttiende eeuw bewaard bleven, is het duidelijk dat in het begin van de achttiende eeuw gekozen is voor een geheel nieuw ruimtelijk concept. Dit bestond uit een nieuw corps-de-logis aan de noord-westzijde in combinatie met het op één niveau brengen van de vloeren in het hele kasteel. Met deze nieuwbouw kreeg het kasteel letterlijk een nieuw gezicht. Was de toegang tot dusver via de binnenplaats aan de oostzijde, met de bouw van een langgerekte gevel die centraal aansloot op een nieuwe boogbrug over de slotgracht, werd de voormalige achterzijde de nieuwe entreezijde.

Om de status van de eigenaar, als bezitter van een adelijk ’stamhuis’ te benadrukken werd als verwijzing naar de continuïteit van bewoning door een oud geslacht, op de noordwestelijke hoek een deel van het bestaande gebouw opgenomen in de nieuwbouw. Aan de rechter zijde sloot de nieuwe voorgevel aan op de bestaande voorgevel, waarvan een groot deel van het bestaande metselwerk gespaard bleef.

De grootschalige vernieuwing van zowel de verdiepings- als de zoldervloer van de bestaande delen van het kasteel heeft waarschijnlijk hoofdzakelijk plaatsgevonden vanuit het streven naar meer harmonie tussen het oude en het nieuwe deel. De vloerniveaus van de laat-middeleeuwse delen van het huis waren waarschijnlijk niet gelijk, mogelijk ook verzakt en verbonden via smalle doorgangen met trappetjes.

De verbouwing is begonnen met de vloeren van de paviljoentoren en het aanbrengen van rijke stucplafonds op de bel-etage en de verdieping, beiden gedateerd 1706. Tegelijk zijn de oorspronkelijke kruisvensters van de toren vervangen door moderne schuifvensters en is een blank eiken interieurbetimmering aangebracht. In de jaren daarna, grofweg tussen 1715 en 1720 is ter plaatse van een bestaand gebouw een nieuw corps-de-logis gebouwd en is de rest van de vloeren aangepakt. Ook de vertrekken 1.09 en 1.11 werden daarbij voorzien van een in 1717 gedateerd stucplafond. Deze datering past goed in de reeks dendrodateringen, die kapdata van de desbetreffende bomen opleverde tussen 1710 en 1722 voor de verdiepingsvloer en tussen 1710 en 1724 voor de zoldervloer. De nieuwbouw werd voorzien van een eiken gebintenkap. Bij de aansluiting op het bestaande gebouw zijn waarschijnlijk een aantal bestaande, eiken gebinten hergebruikt.

De constructieve opbouw van de vloeren in de verschillende delen vertoont grote overeenkomsten. Het gaat om samengestelde balklagen, opgebouwd uit moer- en kinderbinten die alleen in de nieuwbouw ter hoogte van de entree en het deel ten noorden daarvan in eikenhout uitgevoerd. In de andere gebouwdelen is vurenhout toegepast. De vuren balklagen zijn vrij grof uitgevoerd, de kinderbinten kepen daar over de soms gedeeltelijk gekantrechte moerbalken. De eiken vloeren zijn verfijnder opgebouwd, de kinderbinten zijn geheel traditioneel met zwaluwstaartverbindingen met de moerbalken verbonden. Deze vloeren zijn nooit bedoeld om in het zicht te komen, vanaf het begin waren ze voorzien van houten plafonds. Deze vlakke houten plafonds zijn opgebouwd uit naaldhouten geschaafde en geploegde delen, die met houten plafonddragers aan de kinderbinten bevestigd zijn. In vertrek 2.08 was goed te zien dat dit plafond oorspronkelijk voorzien was van een kleurafwerking in groen-grijs. In een later stadium is tegen de onderzijde een stucplafond aangebracht, waarvan de witte afdrukken over de verflaag heenlopen. Deze werkwijze is vrij ongebruikelijk, in de meeste gevallen wordt een stucplafond direct op een ondergrond van houten latten en/of rietmatten aangebracht. Het lijkt er dus op dat direct na de grote verbouwing van het kasteel de vloeren tijdelijk afgewerkt zijn met hout en dat de definitieve afwerking van de verschillende vertrekken daar later overheen aangebracht is. Van de in deze periode aangebrachte interieuronderdelen bleven in de vertrekken 1.11, 1.12, 1.13, 1.16 en 2.12 schouwen bewaard en bevatten de huidige vertrekken 1.01, 1.09, 1.13, 1.12 en 1.16 nog betimmeringen en lambriseringen uit deze bouwfase. 

Vernieuwing van de entreepartij

De huidige in een middenrisaliet opgenomen entreepartij is pas enkele jaren later aan de voorgevel toegevoegd. Tijdens de laatste verbouwingswerkzaamheden was zowel bij de dakvoet als op kelderniveau onder de bordestrap waarneembaar dat het metselwerk van de risaliet later voor een bestaande gevel geplaatst is. Het achterliggende metselwerk was voorzien van een afwerking met voegwerk en de muurplaat is ter plaatse dubbel uitgevoerd. De dakopbouw boven de risaliet is voorzien van het wapen van Heeckeren/Lynden/Ruurlo en is aangebracht na 1727-’28 als na het overlijden van Alexander Schimmelpenninck Ruurlo gekocht wordt door Jacob Derk van Heeckeren (1665-1749) die het goed overdraagt aan zijn zoon Assueer (1699-1767). Uit de bronnen is bekend dat in deze periode ‘melioratien (verbeteringen) van timmeringen en plantages’ plaats vonden. Ook in 1732 vonden er nog werkzaamheden aan het huis plaats. Tekenaar Andries Schoemaker meldt in dat jaar ‘dat was men daar noch aan bezig met timmeren om het volgens besteck vorder op te maken’.

In het interieur herinnert de in Lod. XIV motieven beschilderde wand in vertrek 2.14 aan deze periode en ook de betimmering in vertrek 2.28/2.29 is waarschijnlijk in deze jaren tot stand gekomen. Het grote vertrek 1.01 op de bel-etage is later pas voorzien van een rijk en weelderig in rococo-stijl vormgegeven stucplafond dat met een opschrift gedateerd is in 1750. 

1795-1865
×

1795-1865

Meer afbeeldingen


Modernisering van interieur en exterieur in de eerste helft van de negentiende eeuw

Na de dood van zijn vader Jacob Derk Carel van Heeckeren (1730-1795) in 1795 erfde Willem Hendrik Alexander Carel van Heeckeren van Kell (1774-1847) Huis Ruurlo. Hij trouwde in 1800 met Geertruida Sara Agatha van Pabst. Het is onduidelijk of de twee pasgehuwden veel tijd in Ruurlo hebben doorgebracht. Er zijn namelijk aanwijzingen dat Willem Hendrik lange tijd in het Duitse Emmerik heeft gewoond [F.H. Kok, Kasteel Ruurlo: geschiedenis, restauratie, gebruik, Ruurlo 1987, 30]. Onder het beheer van Willem Hendrik maakte de tuinarchitect J.P. Posth in 1801 een ontwerp voor de aanleg van een siertuin in vroege landschapsstijl op het terrein rond Huis Ruurlo. Hierbij werd tevens een langgerekte vijver gegraven en in verbinding gebracht met de kasteelgracht [Beek & Kooiman Cultuurhistorie, BLG, Fennema Advies en SB4 Bureau voor Historische Tuinen, Parken en Landschappen, Cultuurhistorische beschrijving, beheervisie en maatregelenplan Landgoed Ruurlo, 2010, 16-17.]. Na de herinrichting van de directe buitenruimte van het Huis Ruurlo werd een aanvang gemaakt met de vernieuwing van het interieur van de entreeruimte van het kasteel. In de muur aan de voorzijde van de vestibule, vertrek 1.17, is een steen met daarop ‘1811’ ingemetseld. In dat jaar zal het interieur van de entreeruimte gewijzigd zijn, waaronder het aanbrengen van een nieuw neoclassicistisch stucplafond, pleisterwerk op de wanden, het maken van de lambrisering en het plaatsen van een nieuwe dubbele voordeur.

Niet lang na het aanpakken van de buitenruimte en de entreeruimte volgde de modernisering van de rest van het kasteel. Aan de hand van historische afbeeldingen, foto’s en bouwsporen kunnen een aantal veranderingen in het exterieur en interieur geduid worden die omstreeks 1825 hebben plaatsgevonden. Voor wat betreft de buitenkant werd in deze tijd het dakschild aan de achterzijde van de noordvleugel verwijderd en vervangen door een puntgevel. Verder werd de roedeverdeling van de vensters gemoderniseerd, waarna het kasteel, met uitzondering van de kleine hoektoren, rondom voorzien was van zesruits schuifvensters. Men handhaafde de bestaande zonneblinden, deze volgen nog de oude roedeverdeling. Inmiddels was de kleine hoektoren met een laag tussenlid verbonden met het corps-de- logis. Het dakbeschot van deze toren werd, blijkens een op het hout aangebracht opschrift, in 1821 vernieuwd of hersteld.

In het interieur is in deze periode de gangstructuur op de verdieping ontstaan. Hierbij kwam waarschijnlijk ook de bij deze indeling behorende neoclassicistische plafondschildering op cassetten in vertrek 2.14 tot stand. Op de bel-etage werden in de vertrekken 1.12 en 1.13 neoclassicistische stucplafonds aangebracht. Tegelijk met het vernieuwen van de roedeverdeling van de vensters, besloot men in verschillende vertrekken ook de vensterbetimmeringen (2.7/8/9 en 2.15/18) en vensterbanken (1.01, 1.12, 2.01/03 en 2.14) te wijzigen. In het corps-de-logis (2.03) werd tevens op de verdieping een marmeren schouw en op de begane grond in de grote zaal een kachelnis geplaatst, waarin oorspronkelijk (tot voor de restauratie in 1982-1984) een gemetselde kolomkachel heeft gestaan.

In 1847 werd, na de dood van zijn vader, de jongste zoon Willem Baron van Heeckeren van Kell (1815-1914) op 32-jarige leeftijd eigenaar van Huis Ruurlo. Hij liet nog in hetzelfde jaar de vloer van de vestibule vernieuwen. Ook werden tegen de zuidgevel twee nieuwe gemak- of secreetkokers gebouwd. De ontwerpen voor beide ingrepen werden gemaakt door provinciaal opzichter B. Berkhout. De koker tegen de paviljoentoren kreeg een spiltrap tot aan de verdieping en tegelijkertijd moest de bestaande toegang naar de torenkamer (1.16) aangepast en verbreed worden. Deze verbouwingen zullen niet het woongemak van Willem zelf gediend hebben. Hij verbleef na zijn huwelijk met Sophia Johanna Justine baronesse Taets van Amerongen in 1843 in kasteel Bingerden te Angerlo. Na het overlijden van zijn vrouw in 1861, hertrouwde Willem in 1868 met Albertina Maria gravin van Limburg Stirum. Nog in hetzelfde jaar werd Willem benoemd tot directeur van het Kabinets des Konings. Vanaf 1870 kocht hij een aantal panden aan de Lange Voorhout en zal hij tot 1879 veel tijd in Den Haag hebben doorgebracht. Kasteel Ruurlo werd intussen, waarschijnlijk al vanaf 1847, bewoond door Willem’s oudere zuster Sophia Wilhelmina baronesse van Heeckeren van Kell (1807-1895) [Kok 1987, 32.]. Zij was geliefd in de omgeving vanwege haar betrokkenheid bij de oprichting van scholen, ziekenzorg en het culturele leven in Ruurlo. Ook de Doolhof van Ruurlo is in haar opdracht in 1890 aangelegd. 

1865-1914
×

1865-1914

Meer afbeeldingen


De verbouwing van Huis Ruurlo in 1870-1880

Baronesse Sophia heeft tot aan haar dood in 1895 in Huis Ruurlo gewoond. Het uitgebreide archiefonderzoek in het Gelders Archief heeft ervoor gezorgd dat de diverse wijzigingen en verbouwingen onder haar beheer beter te onderscheiden zijn. Na het tweede huwelijk van haar broer Willem en kort voor zijn vertrek naar Den Haag wordt in 1869 het exterieur van het kasteel onder handen genomen en aansluitend vond de modernisering van het interieur plaats. Voor deze omvangrijke verbouwing werd de expertise ingeschakeld van de bekende architect L.H. Eberson (1822-1889). De latere hofarchitect had reeds in 1865 een nieuwe oranjerie voor op het landgoed ontworpen.

Eberson kreeg na het midden van de negentiende eeuw veel opdrachten van de adellijke toplaag in Nederland voor restauratie, wijzigingen en nieuwbouw van kastelen en buitenverblijven. Tijdgenoten roemden zijn vermogen om enerzijds te voldoen aan de opdracht om de adel van de gevraagde luxe in hun verblijven te voorzien en anderzijds het historische karakter van het gebouw te respecteren: ‘(...) niet, om ze terug te brengen tot hun ouden toestand in den tijd van stichting, maar om ze geschikt te maken tot een vriendelijke, schoon altijd passende en deftige woning, die aan de behoeften van onzen tijd moest voldoen’ [J.R. de Kruyff, ‘Ter nagedachtenis van L.H. Eberson’, Bouwkundig Weekblad 9 (1889) nr. 50, 296]. De vraag naar vernieuwing gold zowel voor het exterieur, als voor het interieur. De gegroeide belangstelling voor oude interieurelementen leidde ertoe dat interieuronderdelen uit kastelen en buitenplaatsen werden verkocht en elders opnieuw werden geplaatst. In de literatuur wordt Eberson omschreven als een van de eerste architecten die doelbewust op deze vraag inspeelde en in opdracht van baron Willem van Heeckeren van Kell interieuronderdelen uit Huis de Voorst in Kasteel Ruurlo heeft geïnstalleerd [E. Koldeweij, ‘Verplaatste interieurs en interieuronderdelen op Nederlandse kastelen en buitenplaatsen’, Jaarboek Monumentenzorg 1998, 190].

In het archief zijn een aantal in 1869 vervaardigde plannen gevonden van Eberson voor de ‘herstelling’ van kasteel Ruurlo. Deze ontwerpen zijn niet allemaal één op één gerealiseerd. Voor wat betreft het exterieur hebben in deze tijd in Ruurlo hoofdzakelijk wijzigingen plaatsgevonden aan de achterzijde van het kasteel, waarbij de middelste vleugel naar achteren is verlengd en voorzien is van een trapgevel. Ook de zuidvleugel krijgt een nieuwe trapgevel. De dakvoet van dit bouwdeel wordt rondom wat hoger opgemetseld, de kap en dakhelling worden aangepast en de in 1846 gebouwde secreetkokers worden verhoogd, krijgen een verbinding met de zolder en worden voorzien van een nieuwe bekroning. Verder wordt in het dakschild aan de voorzijde van het kasteel een klokkentoren geplaatst. De werkzaamheden spitsen zich voornamelijk toe op de verbetering van de zolder als gebruiksruimte. Op de bouwtekening van de verhoging van de gemakkokers is te zien dat de zolder in verschillende vertrekken wordt ingedeeld. Op deze manier ontstaat zowel ruimte voor opslag, als voor het inrichten van een ‘meidenkamer’ (dienstbodekamer) en een kleine logeerkamer. Wellicht maakte een toename van het huishoudelijk personeel een intensiever gebruik van de zolder noodzakelijk.

In het huisarchief bevindt zich een reeks brieven uit de periode 1867-1887 van de rentmeester aan de barones (steevast aangeschreven als Hoog welgeb. Freule), waarin zowel het welzijn van het personeel, de staat van de gewassen en de voortgang van diverse verbouwingswerkzaamheden in het kasteel de revue passeren [Gelders Archief, 0894 archief Huis Ruurlo, inv.nr. 1245 en 1248]. Uit de brieven blijkt dat na de voltooiing van het exterieur, het interieur vanaf omstreeks 1870 wordt gemoderniseerd. Al eerder is vermeld dat interieuronderdelen uit Huis de Voorst in Ruurlo terecht zijn gekomen. In 1846 kreeg huis De Voorst in Gorssel via een openbare veiling een nieuwe eigenaar die onder andere de bouwhuizen liet slopen. Ook werden verschillende interieuronderdelen van de bouwhuizen en het hoofdhuis van de hand gedaan. Op deze manier vonden deuromlijstingen, schoorstenen en betimmeringen uit De Voorst hun weg naar kasteel Ruurlo [E.H. ter Kuile, Het kwartier van Zutfen, Den Haag/Zeist 1958, 92 en 136]. Het gaat in ieder geval om de twee fijngesneden deuromlijstingen in de vestibule (1.17), fragmenten van de schoorsteen in vertrek 1.12 en de schoorsteen in kamer 1.09. Het blijft vooralsnog onduidelijk wanneer deze onderdelen zijn geïnstalleerd. Hoewel de onderdelen al in 1846 zijn verkocht, zijn deze waarschijnlijk pas bij de vernieuwing van het interieur in de periode 1870-1880 in Ruurlo herplaatst.

De brieven van de rentmeester maken allereerst melding van het vernieuwen van de hoofdtrap in 1871. ‘Met het bestukadoren der trap kan noch niet begonnen worden, dit kan niet goed voor de trap geheel is afgewerkt’. Op 22 april meldt de rentmeester: ‘de trap wordt vandaag tot boven toe er in gebracht’. De trap is uitgevoerd als slingertrap, waarbij de treden aan de binnenzijde op keepbomen zijn opgelegd. De geprofileerde, smeedijzeren balusters zijn met een bocht aan de buitenzijde van de boom bevestigd. Deze bijzondere constructiewijze is ook toegepast in het trappenhuis van het Teylers Museum in Haarlem uit 1878-1884 [H. Janse, ‘Trap en Trede. Houten trappen in Nederland: een bouwhistorische beschouwing’, Restauratievademecum bijdrage 15, Den Haag 1995, 113-114.]. Ten behoeve van de verhoogde secreetkokers wordt in 1872 bij de koker naast de paviljoentoren een nieuwe trap tot aan de zolder geplaatst: ’Met de trap in de toren zijn we aan het stellen, en de bordessen leggen. De metselaars zijn bezig tegeltjes zetten voor zoo ver in het oude gedeelte dezelve waren weggebroken’. Vergelijkbare werkzaamheden zullen ook in de andere secreetkoker noodzakelijk zijn geweest.

Bij het combineren van een aantal archiefstukken kan geconcludeerd worden dat in dezelfde periode de afwerking van interieur van in ieder geval de zuidvleugel is vernieuwd. In 1872 wordt in de correspondentie gesproken over werkzaamheden in het kabinetje en het plaatsen van nieuwe houten deuren en kozijnen in de gang op de verdieping en op de overloop. Van deze gang is in het archief tevens een (ongedateerd) ontwerp voor nieuwe lambrisering bewaard gebleven. Dit plan is uiteindelijk niet of in een andere vorm uitgevoerd. Verder wordt door de rentmeester in 1873 uitvoerig het bijwerken van het houtwerk van een kamer aangehaald: ‘lambrisering, kroonlijst, betimmering aan de lichtkozijnen en blinden kasten, betimmering der twee deurkozijnen, stijl en drempelstukken met lijsten voor het behang, stuklijsten boven de deuren, betimmeren der schoorsteen volgens opgave met het daarvoor aanwezige, waar zulks mogt nodig zijn of beschadigd is, bij te werken en repareren (...). Verders al het oude blijvende houtwerk namelijk de blinden, de deuren, en betimmering van oud, aan de schoorsteen, goed schoon en zooveel mogelijk blank op te werken, en alles zoo wel oud als nieuw zuiver glad en digt in de was op te wrijven (...)’. In de bronnen wordt de locatie niet genoemd. Het zou goed kunnen dat het hier om het noordelijke vertrek op de begane grond van de westvleugel gaat (1.09), aangezien volgens de archiefbron oud- en nieuw houtwerk met elkaar gecombineerd wordt. In deze kamer zijn namelijk diverse elementen hergebruikt, zoals het deurslot en een schouw uit kasteel de Voorst. Omstreeks 1876 zijn de gangen en kamers in de zuidvleugel nog opgemeten ten behoeve van nieuw behang en nieuwe traplopers.

Bij de modernisering van exterieur en interieur paste ook een nieuwe, moderne tuinaanleg. Een ontwerp van de tuinarchitecten J.D. Zocher jr. en L.P. Zocher uit 1868 werd nooit uitgevoerd. In 1879 werd de Duitse architect C.E.A. Petzold gevraagd om een nieuw ontwerp voor een park bij het kasteel te vervaardigen, dat in late landschapsstijl werd uitgevoerd.

Na de dood van Freule Sophia zal waarschijnlijk haar broer Willem zijn oude dag op kasteel Ruurlo hebben doorgebracht. In de jaren 1895-1896 geeft hij opdracht aan architect H. Enklaar uit Ruurlo voor het ‘betimmeren van een torenkamer van den Huize Ruurlo’. Het gaat hierbij om het aanbrengen van de lambrisering (eikenhout en lijsten van wagenschot) in de kamer op de verdieping van de paviljoentoren. Tegelijkertijd wordt voor de torenkamer ook een nieuwe schouw besteld. De firma Laurent Philips & Cie ‘marbriers’ uit Den Haag laat op 2 december 1895 weten dat zij ‘een schoorsteenmantel (...) in Paomazzo-crème marmer’ kunnen leveren. Willem laat enkele jaren later in het kasteel een modern rioleringssysteem aanleggen naar ontwerp van de Engelse architect W.S. Weatherly. Onder de vloeren van het souterrain zijn bij werkzaamheden verschillende overblijfselen hiervan aangetroffen, zoals putten en gemetselde goten. In dezelfde periode werd aan de achterzijde rechts een aanbouw met zadeldak gerealiseerd. Daarnaast blijkt dat in het eerste kwart van de twintigste eeuw de binnenruimte tussen beide hoofdvleugels aan de achterzijde is voorzien van een plat dak. Willem overlijdt in Ruurlo in 1914 op 98-jarige leeftijd, waarna zijn oudste zoon Willem Hendrik Alexander Carel (1846-1918) Huis Ruurlo erft. Na de dood van Willem Hendrik in 1918 wordt zijn broer Jacob Derk Carel (1854-1931) Heer van Ruurlo, Bingerden en Kell. Het kasteel wordt in deze tijd echter bewoond door de drie zusters van zijn vader: de freules Justine, Marie en Sophie. 

1914-1984
×

1914-1984

Meer afbeeldingen


De restauratie van Huis Ruurlo en de transformatie tot gemeentehuis in 1982-1984

De laatste erfgenamen van kasteel Ruurlo waren Jacob Dirk Carel en Louis Gaspard Alexander van Heeckeren. Zij verkochten het kasteel en bijbehorend park in 1978 aan de gemeente Ruurlo met daarbij de verplichting tot restauratie. In de jaren 1982-1984 werd het kasteel gerestaureerd en getransformeerd tot gemeentehuis naar ontwerp van het architectenbureau Heineman-Vos-ten Broeke uit Velp. Tot de belangrijkste ingrepen behoorden het realiseren van een liftschacht centraal in het gebouw en het toevoegen van een nieuw bouwvolume tussen de kleine toren en de noordvleugel. Ook werden op de verdieping (2.18) een muur- en plafondschildering gerestaureerd. 

interieurs
×

interieurs

    

vertrek 1.01
×

vertrek 1.01

Meer afbeeldingen

Het representatieve vertrek op de bel-etage kreeg omstreeks 1750 een rijk vormgegeven stucplafond in rococo-stijl. In de eerste helft van de 19e eeuw werd de schouw in het vertrek vervangen door een nieuwe kachelnis met kolomkachel. Na de modernisering van de roedeverdeling van de vensters, werden tevens de vensterbanken aangepast. De bestaande vouwblinden zijn blijven zitten en verwijzen naar de oudere, 18e-eeuwse roedeverdeling. In 1984 is deze ruimte in gebruik genomen als raadzaal van het gemeentehuis van Ruurlo. 

vertrek 1.09
×

vertrek 1.09

Meer afbeeldingen

Vertrek 1.09 is gelegen op de bel-etage, aan de oostzijde van het oude zaalgebouw. De ruimte heeft een stucplafond in Lodewijk XIV-stijl, gedateerd in 1717. In de tweede helft van de 19e eeuw zijn onderdelen uit Huis De Voorst in dit vertrek herplaatst, waaronder onderdelen van de schouwpartij en het deurslot. Hierbij zijn waarschijnlijk ook de bestaande, houten betimmeringen gewijzigd en aangevuld. 

vertrek 1.11
×

vertrek 1.11

Meer afbeeldingen

Het kabinet op de bel-etage werd na de omvangrijke verbouwing in het begin van de 18e eeuw voorzien van een koepelgewelfje met rijk geornamenteerd stucplafond in Lodewijk XIV-stijl. Dit plafond is gedateerd in 1717. Het ensemble van deuromlijstingen, schouw en lambrisering is waarschijnlijk in de tweede helft van de 19e eeuw tot stand gekomen. 

vertrek 1.12
×

vertrek 1.12

Meer afbeeldingen

Dit vertrek op de bel-etage van het oude zaalgebouw was voor de restauratie van 1982-1984 in gebruik als eetkamer. In de kamer staat een 18e-eeuwse schouw, waarvan de schouwboezem deels voorzien is van rijk houtsnijwerk. In de eerste helft van de 19e eeuw is de ruimte voorzien van een neoclassicistisch stucplafond en zijn de vensterbanken aangepast aan de destijds gemoderniseerde vensters. 

vertrek 1.13
×

vertrek 1.13

Meer afbeeldingen

Vertrek 1.13 is gelegen op de bel-etage tussen het oude zaalgebouw en de paviljoentoren. In de kamer staat een 18e-eeuwse marmeren schouw, waarvan de het houtsnijwerk van de schouwboezem vermoedelijk in de tweede helft van de 19e eeuw is aangebracht. Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor de lambrisering en de omlijstingen van de dessus-de-portes. In de vroege 19e eeuw is het vertrek voorzien van een stucplafond in empire-stijl. 

vertrek 1.16
×

vertrek 1.16

Meer afbeeldingen

Het vertrek op de bel-etage van de in 1572 gebouwde pavijloentoren is in de vroege 18e eeuw voorzien van een rijk geornamenteerd stucplafond in Lodewijk XIV-stijl. Op het plafond zijn het alliantiewapen van de families Schimmelpenninck-Appelthorn en een opschrift met jaartal 1706 aangebracht. De schouw stamt uit de 18e eeuw, maar de omtimmering van het bovenstuk is waarschijnlijk in de tweede helft van de 19e eeuw vervaardigd. 

vertrek 1.17
×

vertrek 1.17

Meer afbeeldingen

De vestibule op de bel-etage heeft in de vroege 19e eeuw (jaartalopschrift 1811) een modernisering ondergaan, waarbij de entree met deuren en het stucplafond zijn vernieuwd. De rijk gesneden deuromlijstingen komen uit kasteel De Voorst en zijn in de tweede helft van de 19e eeuw hier terecht gekomen. 

vertrek 2.01/2.03
×

vertrek 2.01/2.03

Meer afbeeldingen

Dit grote vertrek was voor de restauratie in de jaren '80 ingedeeld in vier kleinere vertrekken. Bij deze restauratie is het stucplafond in de huidige staat gereconstrueerd. 

vertrek 2.08
×

vertrek 2.08

Meer afbeeldingen

Dit vertrek is aan het eind van de 19e eeuw ingedeeld in twee kamers aan een gang. Aan deze gang lagen de kamers van de jonkheer. In de hoek van de zit/slaapkamer kwam daarbij een kachelnis. 

vertrek 2.12
×

vertrek 2.12

Meer afbeeldingen

Tot de restauratie in de jaren '80 van de vorige eeuw behoorde dit kabinetje bij het aangrenzende vertrek van de freule. De decoratie van het vertrek biedt weinig houvast voor een exacte datering. De schouw lijkt uit de 18e eeuw te dateren, de betimmering daarvan en het eenvoudige stucplafond lijken eerder uit de 19e eeuw te stammen. 

vertrek 2.14
×

vertrek 2.14

Meer afbeeldingen

Dit vertrek bevat een rijke wandschildering in Lodewijk XIV-stijl die omstreeks 1750 aangebracht zal zijn. In de eerste helft van de 19e eeuw ontstond op de verdieping een gangstructuur in deze vleugel die de verschillende vertrekken ontsloot. Waarschijnlijk is bij die modernisering ook het plafond vernieuwd. De balklaag is met loze tussenbalken ingedeeld in cassetten en voorzien van een decoratieve schildering in (neo) classisistische stijl. 

vertrek 2.15/2.18
×

vertrek 2.15/2.18

Meer afbeeldingen

Omstreeks 1872 is dit vertrek ingedeeld in het 'geele' en het 'roode' kabinet met een gang er langs. Deze indeling is in 1982-'83 weer verwijderd, waarbij een beschilderd plafond in het zicht kwam. Deze beschildering is daarna geheel overgeschilderd/gereconstrueerd in een afwijkende kleurstelling. 

vertrek 2.19
×

vertrek 2.19

Meer afbeeldingen

De torenkamer is in de jaren 1895-'96 (opnieuw) betimmerd en voorzien van een nieuwe schouw. Het rijk gedecoreerde plafond is gedateerd 1706 en is een vroeg voorbeeld van de toepassing van de Lodewijk XIV-stijl.

vertrek 2.28/2.29
×

vertrek 2.28/2.29

Meer afbeeldingen

Van het vertrek ter hoogte van de ingangspartij dateert de vensterindeling inclusief de vouwblinden uit de bouwtijd in het begin van de 18e eeuw. De geheel houten schouw is waarschijnlijk een toevoeging uit de tweede helft van de 19e eeuw. De vormgeving daarvan is afgeleid van schouwen in de rest van het kasteel. Het vrij vlak uitgevoerde plafond heeft lijstwerk en ornamenten die verwant lijken met het neo-classicisme. De brede kantlijst en de merkwaardige aansluiting op de schouw wijzen eerder in een ontstaanstijd rond 1900. 

14e eeuw
15e eeuw
16e eeuw
17e eeuw
18e eeuw
1795-1865
1865-1914
1914-1984
interieurs
vertrek 1.01
vertrek 1.09
vertrek 1.11
vertrek 1.12
vertrek 1.13
vertrek 1.16
vertrek 1.17
vertrek 2.01/2.03
vertrek 2.08
vertrek 2.12
vertrek 2.14
vertrek 2.15/2.18
vertrek 2.19
vertrek 2.28/2.29

Introductie


In 2014 en 2015 is kasteel Ruurlo in opdracht van Hans Melchers verbouwd tot een museum. Het gebouw zal een dependence worden voor het Museum voor Modern Realisme in Gorssel en vooral werken van de Nederlandse kunstschilder Carel Willink tentoonstellen.
Bij de ingrijpende verbouwingsactiviteiten was veel van de constructie van vloeren en muren in het zicht waardoor talloze bouwsporen waarneembaar waren. Dit bood volop gelegenheid om door middel van documentatie en analyse van deze bouwsporen de ruimtelijke ontwikkeling van het kasteel en de daarin te onderscheiden tijdlagen vast te leggen.

Het onderzoek is in twee delen uitgevoerd. De eerste fase richtte zich op de ruimtelijke ontwikkeling van het historische hoofdgebouw en de direct aangrenzende buitenruimte. Deze fase was opgebouwd uit een aantal onderdelen. Begonnen werd met een inventarisatie van de aanwezige gegevens in de literatuur en de verschillende archieven. Hiervoor zijn het Gelders Archief in Arnhem, het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers in Doetinchem en het documentatiecentrum van de RCE in Amersfoort bezocht.

Vervolgens is ingezoomd op het gebouw, waarbij op grond van zichtbare bouwsporen in het in- en exterieur en in combinatie met de aangetroffen archiefgegevens, de verschillende veranderingen en verbouwingen gedocumenteerd zijn. De opname van het gebouw heeft voor het interieur plaatsgevonden op het beschouwingsniveau van de verschillende te onderscheiden ruimten en voor het exterieur op het beschouwingsniveau van de gevelopeningen. Daarnaast zijn de verschillende bouwfasen door middel van dendrochronologisch onderzoek gedateerd. Hierbij is het jaarringenpatroon van een groot aantal houtmonsters vergeleken met bekende standaardcurven. Dit specialistische onderzoek is uitgevoerd door Pressler GmbH uit Gersten (Duitsland).

In de tweede fase van het onderzoek is speciale aandacht geschonken worden aan de datering en ruimtelijke context van de bewaard gebleven historische interieuronderdelen. Met name de authenticiteit van de betimmering en plafondafwerking van enkele representatieve vertrekken op de begane grond en eerste verdieping stonden ter discussie. Aan de hand van beschikbare archiefgegevens, historische foto’s en een opname en analyse van de huidige toestand is deze problematiek zoveel mogelijk inzichtelijk gemaakt.

Destructief onderzoek, zoals het ontpleisteren van muren, onderzoek naar de bewonings- en gebruiksgeschiedenis alsmede het vervaardigen van documentatietekeningen op schaal maakte geen onderdeel uit van deze opdracht. Het historische beeld dat uit dit onderzoek volgt, is zeker niet compleet. De tijdlijn vertoont een groot aantal lacunes die niet allemaal concreet ingevuld konden worden. Desondanks is de grote lijn in de ruimtelijke ontwikkeling van het gebouw wel duidelijker geworden. Met name over de oorspronkelijke verschijningsvorm van het kasteel zijn bij de werkzaamheden belangrijke bouwsporen in het zicht gekomen. Ook het archiefonderzoek en de dendrochronologische dateringen hebben duidelijke resultaten opgeleverd. Het kasteel is in 2014 bezocht op 22 en 27 mei, 20 en 25 juni, 9 en 16 juli, 16 september, 1, 8 en 15 oktober en in 2015 op 30 januari,18 februari en 19 maart. 

Ruimtelijke beschrijving

Kasteel Ruurlo heeft een complexe ruimtelijke structuur die ontstaan is door het samenvoegen van meerdere bouwmassa’s op een geheel omgracht terrein. Bij de beschrijving van de verschillende ruimten zijn zoveel mogelijk de vertreknummers volgens de opmetingstekeningen van Verlaan & Bouwstra architecten gevolgd.

Het kasteel is in hoofdopzet op een U-vormige plattegrond gebouwd en telt boven een verhoogd aangelegde kelder twee volledige bouwlagen onder zadeldaken. Aan de zuid- en de noordzijde staan tegen de buitenzijde hoektorens. 

Advies en waardering


Samenvatting van de bouwgeschiedenis

De vroegste vermelding van kasteel Ruurlo stamt uit 1326. Waarschijnlijk gaat het om een omgracht huis van beperkte omvang. Van dit zaalgebouw zijn delen bewaard gebleven in de huidige zuidvleugel. Het bouwdeel wordt in de vijftiende eeuw verhoogd met een verdieping. Bij deze verbouwing zijn tevens de kelders voorzien van kruisgewelven. Het is onbekend of er in deze periode aan de noordzijde al bebouwing stond. In ieder geval wordt in de zestiende eeuw (in 1572) op de noordwestelijke hoek een vierkante hoektoren gebouwd. Waarschijnlijk is destijds ook het volume tussen deze toren en het oude zaalgebouw tot stand gekomen. Dit bouwdeel heeft een kelder met gordelbogen en kruisgewelven. In deze periode zal ook een nieuwe westvleugel (nu de voorzijde) zijn gerealiseerd. Hiervan resteren aan de rechterzijde en op de linkerhoek nog delen van het metselwerk. In de zeventiende eeuw, in 1627, wordt een bestaande noordelijke hoektoren verhoogd en deels vernieuwd. De huidige westvleugel komt tot stand in het begin van de achttiende eeuw. In deze tijd wordt ook het interieur vernieuwd. Met behulp van dendrochronologisch onderzoek kon worden vastgesteld dat in het eerste kwart van de achttiende eeuw ook alle balklagen van het kasteel vernieuwd zijn. De nieuwe voorgevel wordt enkele jaren later voorzien van een middenrisaliet met daarin een nieuwe entreepartij. In de negentiende eeuw worden de vensters en het interieur gemoderniseerd. Voor wat betreft het exterieur vinden er met name aan de achterzijde verbouwingen plaats naar ontwerp van architect L.H. Eberson. Er verschijnen twee nieuwe trapgevels en de middelste vleugel wordt naar achteren verlengd. In 1982-1984 wordt Huis Ruurlo gerestaureerd en getransformeerd tot gemeentehuis. Op dit moment wordt een tweede restauratie afgerond, waarna het kasteel in gebruik zal worden genomen als museum.