1701
×

1701

Meer afbeeldingen

De droogmaking van de Binnenwegse polder

De boerderij aan de Zegwaartseweg 43 ligt in de Binnenwegse polder ten noordoosten van de omstreeks 1150 ontstane kern van Zegwaart. De bodem in de omgeving bestond in de middeleeuwen uit een metersdikke veenlaag. Na 1200 vonden de eerste ontginningen plaats van het natte moerasgebied. Door het graven van sloten werd het veen ontwaterd en in cultuur gebracht. De Zegwaartseweg fungeerde als ontginningsbasis voor de aan weerszijden gelegen poldergebieden. Daarnaast vormde de weg de verbinding tussen Benthuizen en Zegwaart. In de loop der eeuwen zorgde toenemende ontwatering voor inklinking van de veengrond. Grootschalige turfwinning leidde er al vroeg toe dat er grote waterplassen en meren gevormd werden. Ondanks molenbemaling bleef wateroverlast en het bijkomende overstromingsgevaar in de hele omgeving een groot probleem.

Om de dreiging van het water tegen te gaan werden kort voor 1700 plannen gemaakt om de Binnenwegse Polder droog te maken. Het bestuur van Zegwaart stelde dat de landen ‘waren geraeckt in een seer desolaten staet, door dien de selve gantsch verslachtturft en tot water geraeckt waren, soodanigh, dat deselve niet meer konden geslachturft werden, maer selfs genoeghsaem waren tot Binnenlandsche Meeren’. Het octrooi tot droogmaking werd in 1701 verkocht aan de stad Rotterdam en nog in hetzelfde jaar startte men met de daadwerkelijke droogmaking. Langs de Zegwaartseweg en de naastgelegen wetering ontstond lintbebouwing met boerderijen. De Palensteinse polder aan de andere zijde van de Zegwaartseweg werd in 1759-1762 drooggemalen. In plaats van turfwinning hielden de boeren zich in het veenweidegebied voortaan hoofdzakelijk bezig met veehouderij, met name gericht op de melkproductie en de boter- en kaasbereiding.

Tussen grofweg 1966 en 2000 zijn de drooggemaakte polders aan weerszijden van de Zegwaartseweg bebouwd met de woonwijken Paleinstein, Seghwaert, Noordhove en Oosterheem en het bedrijventerrein Zoeterhage. 

1701-1947
×

1701-1947

Meer afbeeldingen

Nieuwbouw van een boerderij in de eerste helft van de 18e eeuw

De oudste herkenbare weergave van de onderzochte boerderij staat op het kadastrale minuutplan van 1832. Op een erf aan de weg is onder nummer 212 een langgerekte boerderij getekend met een T-vormige plattegrond. Eigenaar was Vrij Ziere, landman. Het gebouw was destijds aan de achterzijde een stuk langer dan nu het geval is. In de oostelijke binnenhoek van de ’T’ stond een vrijstaand bijgebouw dat pas na de Tweede Wereldoorlog gesloopt werd. Volgens de huidige bewoonster was dit een karnmolen. Ter plaatse van de huidige berging/stal direct aan de straat bevond zich 1832 ook al een bijgebouw. 

De constructieve opzet van de oorspronkelijke boerderij is nog goed te herkennen in het huidige gebouw. De boerderij is gebouwd met hoge zijgevels die de enkelvoudige zolderbalklaag dragen. Deze balklaag is in naaldhout uitgevoerd en in het woongedeelte aan de onderzijde gedecoreerd met een kwartrond profiel. Vanaf de gangmuur die grenst aan de keuken zijn de balken onversierd. Het woongedeelte zal oorspronkelijk dus ongeveer een meter korter geweest zijn. 

De kapconstructie bestaat uit vierkante (naaldhouten) daksporen die rusten op vlieringen. De vlieringen worden gedragen door negen naaldhouten dekbalkgebinten met daar boven eenvoudige schaargebinten. De korbelen zijn aan de bovenzijde verbonden met een pen-en-gat verbinding en zijn aan de onderzijde gespijkerd. De gebinten zijn voorzien van gehakte telmerken, links en rechts verschillend (maantjes en streepjes) en aan de achterzijde beginnend met nummer twee. Aangezien er geen strijkgebinten zijn toegepast, is het bedrijfsgedeelte dus met twee gebitvakken ingekort. 

Boven het woongedeelte is door middel van zogenaamde tussenhangbalkjes boven de dekbalken een vlieringvloer gerealiseerd. Deze vliering is met een houten schot afgescheiden van de zolder van het bedrijfsgedeelte en toegankelijk via een laddertrapje. Bovenstaande constructieve kenmerken wijzen er op dat de boerderij waarschijnlijk ontstaan zal zijn bij nieuwbouw in de eerste helft van de 18e eeuw. 

uitbouw aan de zuidzijde
De uitbouw aan de zuidtzijde is waarschijnlijk wat later in de 18e of aan het begin van de 19e eeuw toegevoegd. Ter hoogte van de uitbreiding loopt de kapconstructie  van het hoofdhuis gewoon door. Ook hier is de zoldervloer uitgevoerd met een enkelvoudige naaldhouten balklaag (ongedecoreerd). De kapconstructie bestaat uit twee A-spanten met uitkragende hanenbalken die de flieringen ondersteunen. Tussen de spanten is een eenvoudige bedstede zonder deuren getimmerd. De beplanking van deze bedstede is met smeedijzeren spijkers bevestigd, maar onderdelen zijn ook met (modernere) draadnagels verbonden. Aan de binnenzijde is geen aftekening van een verdwenen matrasbodem zichtbaar. Alleen de buitenzijde is van een afwerking met verf voorzien.

Volgens de overlevering hing tegen deze bedstede een paneel met het jaartal 1741. Dit paneel is afgenomen en gerestaureerd, waarbij het gedeelte met het jaartal opnieuw gesneden is. Deze datering, die ook op de bouw van de boerderij van toepassing zou zijn, is daarmee niet langer betrouwbaar en controleerbaar. Hoewel er geen directe redenen zijn om aan de authenticiteit van de bedstede te twijfelen, zijn de uitvoering in combinatie met de plaats in het huis niet nader te duiden. 

Boven het woongedeelte is waarschijnlijk in de 19e eeuw een indeling met slaapvertrekken gemaakt, met wanden uitgevoerd als houten stijl en regelwerk met aan één zijde beplanking. Ter plaatse van enkele deuren zijn de balken van de hoofddraagconstructie een stukje uitgehaald. 

interieur
Van het interieur van het woongedeelte behoren de kelder met opkamer, het naastgelegen slaapvertrek en het grote woonvertrek daar achter tot de oorspronkelijke opzet. In dit woonvertrek stond de schouw op dezelfde plaats als nu. De kelder wordt afgesloten met een houten balklaag. De wand tussen de opkamer en het aangrenzende slaapvertrek is in de huidige situatie uitgebroken. 

Op twee foto’s die in de eerste helft van de 20e eeuw gemaakt zullen zijn is te zien dat de voorgevel oorspronkelijk een symmetrische indeling had met centraal een voordeur onder een bovenlicht, geflankeerd door zesruits schuifvensters. Ook in de rechter zijgevel en de gevels van de aanbouw waren zesruits schuifvensters aangebracht. De aanbouw was tevens via een deur met een bovenlicht in de westgevel toegankelijk. 

Op een oude foto van de linker zijgevel is te zien dat de opkamer een klein hoog venster had en dat het vertrek daar achter voorzien was van een breed venster met een kleine roedeverdeling. Een stuk verder naar achteren was op de plaats waar nu de voordeur is ook al een deur, die waarschijnlijk toegang gaf tot het bedrijfsgedeelte. Van de openingen in de zijgevel van de koestal is alleen het eerste venster in de vorm van een houten bolkozijn goed te zien. Deze indeling komt overeen met een opmetingstekening van de gevels van de boerderij uit 1947. Het metselwerk van het voorste deel van de linker zijgevel (tot aan de voordeur) behoort nog tot de oorspronkelijke opzet van de boerderij. 

Het bedrijfsgedeelte was ingericht als Hollandse koestal met de koeien aangebonden langs de gevels met aan de buitenzijde mestgoten. Het centrale deel was in gebruik als voergang. Tegen de balklaag tekenen zich de bevestigingspunten van de verdwenen stalen stalstaken af die de oorspronkelijke inrichting vervangen zullen hebben. De zolderbalklaag wordt aan de noordzijde ondersteund door een naaldhouten onderslagbalk die rust op houten stijlen. Deze onderslag is  op grond van talloze losse klossen aan de bovenzijde in deze vorm zeer waarschijnlijk later toegevoegd. Gezien de grote overspanning van de zolderbalklaag lijkt één of meer tussensteunpunt(en) wel wenselijk. Aan de zuidzijde wordt de balklaag op een aantal plaatsen ondersteund door houten portalen. Deze portalen zijn opgebouwd uit secundair eikenhout en waarschijnlijk ook later onder de (doorbuigende) vloer geplaatst.  

De zoldervloer is geheel bevloerd, wat het stalklimaat positief beïnvloedde, maar slecht was voor de ventilatie van de hooiopslag daarboven. Om die reden was het gebruikelijk om de wintervoorraad hoofdzakelijk in vrijstaande bergen op het erf op te slaan. Op het erf stonden dan ook een aantal zesroedige (hooi)bergen. De stal werd geventileerd via openingen in de zijgevels en/of houten luchtkokers. 

functies
Op grond van bovenstaande zijn geen definitieve uitspraken te doen over de oorspronkelijke bedrijfsvoering. In deze streek van Zuid Holland komen zowel gemengde bedrijven als melkvee boerderijen voor. Uit de beschikbare oude foto’s en de verschijningsvorm van het bedrijfsgedeelte lijkt Zegwaardseweg 43 hoofdzakelijk op de productie van melk (en boter) ingericht geweest te zijn. Ook de in een apart gebouw ondergebrachte karn wijst in die richting. In dat geval zullen tot de oorspronkelijke indeling tevens ruimten als een dagelijkse keuken en een boenhok behoord hebben. Uit de overlevering is bekend dat in de later gerealiseerde aanbouw koelbakken voor de melkbussen waren en dat achter de zijdeur van dit deel een halletje was. De rest van deze ruimte was mogelijk in gebruik als woonvertrek van inwonende ouders van de boer. 

1947
×

1947

Meer afbeeldingen

Verbouwing in 1947

In 1947 is de boerderij verpacht en wordt namens de eigenaar, Jhr. E.F.M.J. Michiels van Verduynen, een bouwvergunning aangevraagd voor het vernieuwen van twee buitenmuren en het verbouwen van het interieur van de boerderij. Michiels van Verduynen was op dat moment Nederlands ambassadeur in Londen. Deze gefortuneerde zakenman was na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog de Nederlandse gezant in Engeland. 

Van dit bouwplan bleven de tekeningen niet bewaard, wel een opmeting van de bestaande toestand van de gevels. Aan de hand van de huidige verschijningsvorm van de boerderij in combinatie met een vogelvlucht foto gemaakt tussen 1947 en 1962 kan grotendeels wel herleid worden welke werkzaamheden destijds uitgevoerd werden.  

exterieur
Het meest ingrijpend was het geheel nieuw optrekken van de voorgevel en het voorste deel van de rechter zijgevel van het woongedeelte als spouwmuur. In combinatie hiermee kregen alle gevels van het voorste deel van de boerderij een nieuwe indeling met nieuwe vensters. Alleen de plaats van de deuren in de linker zijgevel en in de aanbouw bleven als bestaand. Daarnaast werden ook de twee kelderlichten van de melkkelder gehandhaafd. De beide zijgevels van het aangrenzende stalgedeelte werden vernieuwd in steens metselwerk. In deze geveldelen werden stalvensters van schokbeton en houten loopdeuren opgenomen. In de linker zijgevel bleef de bestaande kapel met een hooiluik bestaan.

interieur
Ook de indeling wijzigde ingrijpend. In het woongedeelte behield men alleen de kelder met de opkamer, de indeling daar achter werd geheel vernieuwd met op de begane grond binnenwanden van kalkzandsteen en drijfsteen. De kamertjes op de zolder werden ontsloten via een nieuwe trap, waarvoor op zolder met drijfsteen een portaal voor de opgang ingemetseld werd. De zoldervertrekken kregen nieuwe boarddeuren. Waarschijnlijk werd tegelijkertijd de gang achter de deur in de linker zijgevel met een in de stal uitgebouwde toiletruimte bij de woning getrokken. Het rookkanaal van de nieuwe schouw in de woonkamer en de keuken metselde men opnieuw op ter plaatse van het oude kanaal. 

Over de veranderingen in het bedrijfsgedeelte is geen informatie bekend, mogelijk werd de stalinrichting vervangen en/of gemoderniseerd. 
De vermoedelijke omvang van deze verbouwing is wat betreft de gevels en de indeling op de begane grond in kleur gemarkeerd op een tekening van de huidige plattegrond (zie afbeeldingen bij dit venster).

1962
×

1962

Meer afbeeldingen

Inkorting van het bedrijfsgedeelte en latere veranderingen

Uit 1962 dateert een bouwaanvraag voor het verbouwen en uitbreiden van een achter de onderzochte boerderij gelegen landbouwschuur. Tegen de schuur werd een nieuwe koestal aangebouwd, waarvoor het bestaande stalgedeelte in de historische boerderij een stukje ingekort moest worden. Het ingekorte gebouw werd aan de achterzijde afgesloten met een in schoon metselwerk uitgevoerde gevel waarin schokbetonnen stalvensters opgenomen werden. In de geveltop kwam een houten drielichtvenster.

Het bedrijfsgedeelte van de boerderij behield aanvankelijk een functie als veestalling, mogelijk voor jongvee. Na het beëindigen van de agrarische activiteiten op deze locatie is het stalinterieur verwijderd en werd de vloer geëgaliseerd. De ruimte kreeg daarna een opslagfunctie waarvoor in de linker zijgevel een roldeur aangebracht werd. 

In het woongedeelte zijn de recente veranderingen beperkt van omvang. De aanbouw werd getransformeerd tot woonvertrek door de indeling te verwijderen, er kwam een nieuwe schouw en in de kopgevel van de aanbouw werden dubbele glasdeuren geplaatst. De doorgang vanuit de hal naar dit vertrek werd verbreed en voorzien van een ontlastingsboog. Verder werd de voordeur in de linker zijgevel vernieuwd en kreeg het gebouw een c.v.-installatie. 

 

1701
1701-1947
1947
1962

Introductie

introductie

Voor de als gemeentelijk monument beschermde boerderij Zegwaartseweg 43 in Zoetermeer worden op dit moment verbouwingsplannen gemaakt. Vanwege de monumentenstatus zal bij de beoordeling van de plannen de cultuurhistorische waarde een belangrijke rol spelen. Aan ARCX is daarom gevraagd een bouwhistorische quickscan met waardestelling uit te voeren. Het onderzoek geeft inzicht in de bewaard gebleven historische structuur en de daarin te onderscheiden tijdlagen. Aan de hand van de resultaten kan bepaald worden welke cultuurhistorische waarden bij toekomstige veranderingen in het geding zijn en waar eventueel ruimte is voor nieuwe ingrepen.

De verkenning heeft bestaan uit het in kaart brengen van de bouwgeschiedenis van de boerderij en is opgebouwd uit een aantal onderdelen. Allereerst zijn direct beschikbare gegevens uit de literatuur en uit archieven geraadpleegd. Hiervoor is een bezoek gebracht aan het Gemeentearchief van Zoetermeer. Helaas bleek daar dat niet alle bouwtekeningen in de desbetreffende dossiers bewaard bleven. In diverse beeldbanken is historisch beeldmateriaal verzameld.
Het veldwerk heeft plaatsgevonden op 14 september 2017. Hierbij is geen destructief onderzoek uitgevoerd. De bijgebouwen zijn niet onderzocht.
Alle gegevens zijn vervolgens chronologisch geordend en digitaal gepresenteerd in opeenvolgende vensters in de tijdlijn. De rapportage is tenslotte voorzien van een waardering.

De directe link naar deze rapportage op de website www.tijdbeeld.com is
http://www.tijdbeeld.com/beveiligd/57/zoetermeer?token=LFN0G4IR

ruimtelijke beschrijving
 
De onderzochte boerderij staat aan de oostzijde van de Zegwaartseweg op een ruim erf. Het pand is gebouwd op een T-vormige plattegrond, en telt één bouwlaag onder een rietgedekt en aan de voorzijde afgewolfd zadeldak. De gevels zijn opgetrokken in metselwerk dat aan de buitenzijde rondom afgewerkt is met een dunne witte stuclaag.
Het woongedeelte aan de voorzijde is op de begane grond en de zolder ingedeeld met vertrekken, het voormalige bedrijfsgedeelte is niet ingedeeld. 

Voor de actuele situatie wordt verwezen naar de opmetingstekening van architectenbureau Bikker nr 1318-A-H-01 dd 24-07-2017 onder de knop 'bijlagen'.

Advies en waardering

samenvatting bouwgeschiedenis

De boerderij Zegwaartseweg 43 in Zoetermeer is in de eerste helft van de 18e eeuw gebouwd, na de droogmaking van de Binnenwegse polder in 1701. Later in de 18e eeuw of aan het begin van de 19e eeuw zal de langgerekte boerderij uitgebreid zijn met een oostelijke uitbouw, waardoor het gebouw een  T-vormige plattegrond kreeg. Aan de noordzijde van de uitbouw stond tot ver in de 20e eeuw een bijgebouw dat als karnmolen in gebruik was. In 1947 vond een grondige verbouwing plaats, waarbij de gevels voor het grootste deel opnieuw opgetrokken werden en voorzien werden van nieuwe vensters en -indeling. Ook de indeling van het woongedeelte is in 1947 gewijzigd. In combinatie met de bouw van een nieuwe landbouwschuur werd het stalgedeelte in 1962 ingekort en voorzien van een nieuwe achtergevel. 

waardering

De waardering is uitgewerkt in onderstaande deelwaardestellingen:

algemene historische waarden en waarden vanuit de gebruikshistorie

De boerderij is van algemeen belang vanwege de herinnering aan en de verwijzing naar de ontwikkeling van de melkveehouderij en de boter- en kaasmakerij in het veenweidegebied van Zegwaart. Het belang van het historische gebruik blijkt met name uit de bewaard gebleven scheiding in een woongedeelte aan de voorzijde en een bedrijfsgedeelte aan de achterzijde. Verdere concrete waardevolle sporen van het gebruik zijn door het stopzetten van de bedrijfsvoering en de modernisering en verandering van het interieur in de tweede helft van de 20e eeuw verdwenen. De (voormalige) grootte van de boerderij zegt wat over de aanwezigheid van een afzetmarkt en welgestelde investeerders nabij grote steden als Den Haag. De boerderij is  eigendom geweest van (politiek) invloedrijke bewoners, waaronder Jhr. E.F.M.J. Michiels van Verduynen en E.L.L. Baron van Tuyll van Serooskerken. 

ensemblewaarden en stedenbouwkundige waarden

De boerderij is van belang als onderdeel van het grotendeels verdwenen historische boerderijlint dat in de 18e eeuw ontstond langs de Zegwaartseweg na droogmaking van de Binnenwegse- en Palensteinse polder.
De boerderij is verder van belang vanwege de situering op een ruim en open erf, verhard aan de zijde van het bedrijfsgedeelte en met een historisch bijgebouw aan de straatzijde en een (sier)tuin rond het woongedeelte.

architectuurhistorische waarden

Door de ingrijpende verandering en vernieuwing van het exterieur in 1947 en (in mindere mate) in 1962, beperkt de architectuurhistorische waarde zich hoofdzakelijk tot de hoofdvorm van een langgerekte rietgedekte boerderij met oostelijke uitbouw. De scheiding tussen woon- en bedrijfsgedeelte manifesteert zich in de verschillende vormgeving van deuren en vensters en de aanwezigheid van een hooiluik in de noordgevel. In het interieur vertegenwoordigt de duidelijke scheiding tussen een grotendeels open en ongedeelde bedrijfsgedeelte en het met binnenwanden ingedeeld woongedeelte een belangrijke conceptuele waarde. De oorspronkelijke scheiding tussen beide delen is op de begane grond herkenbaar in de huidige gang door de overgang van gedecoreerde naar ongedecoreerde balken.
In materiële zin is de waarde van in 1947 gerealiseerde indeling van gevels en interieur indifferent, deze verbouwing was hoofdzakelijk gebaseerd op pragmatische gronden. Bij de destijds doorgevoerde nieuwe indelingen van de gevels en de plattegrond is gebroken met de streek- en productiegebonden bouwtraditie. Deze verbouwing vormt daarmee een harde breuklijn in de ruimtelijk-historische ontwikkeling van de boerderij die de afleesbaarheid van de bouwgeschiedenis van deze boerderij zeer negatief heeft beinvloed. Hoewel deze bouwfase het huidige beeld domineert en vrij gaaf bewaard bleef, zijn de vorm en het decoratieschema daarvan  zeker niet zeldzaam.   
Op de zolder wordt de architectuurhistorische waarde gevormd door de bedstede in de uitbouw en de indeling met slaapvertrekken boven het woongedeelte die waarschijnlijk uit de 19e eeuw dateert.

bouwhistorische waarden

De boerderij is bouwhistorisch van belang vanwege de zeer gaaf bewaard gebleven constructieve opzet uit de bouwtijd, bestaande uit enkelvoudige zolderbalklagen, vlieringvloer en de kapconstructies. 

waarderingsplattegronden

De waardering is tevens uitgewerkt op bijgaande waarderingsplattegronden. Vanwege het grote verschil in conceptuele en materiele waarden zijn voor de begane grond deze waarden op verschillende plattegronden weergegeven.
- conceptuele waarden hebben betrekking  op de hoofdlijnen van het gehele gebouwde concept van het gebouw en
- materiele waarden hebben betrekking op stoffelijk bewaard gebleven onderdelen van het gebouw of de decoraties daarvan.  

blauw = hoge monumentwaarden, van cruciaal belang voor de structuur en/of betekenis van het object
groen = positieve monumentwaarden, van belang voor de structuur en/of betekenis van het object
geel = indifferente monumentwaarden, van relatief weinig belang voor de structuur en/of betekenis van het object