1300-1650
×

1300-1650

Meer afbeeldingen


stadsmuur aan de Buitenkant
De Buitenkant in het noorden van de stad wordt gevormd door de voormalige loskade aan de buitenzijde van de stadsmuur, op de zuidoever van de Thorbeckegracht. Langs de binnenzijde van de muur loopt de Waterstraat. Dit stadsdeel is pas in de 15e eeuw ommuurd. Archeologisch onderzoek in 2004 heeft aangetoond dat voor die tijd de noordelijke grens van de oudste ommuring aan de binnenzijde van de Kleine Aa heeft gelegen. Ten noorden van de Kleine Aa was in de 14e eeuw de Thorbeckegracht gegraven (voor het eerst genoemd als ‘nije graven’ in 1351), om overtollig water dat via de vele weteringen naar de stad stroomde beter te kunnen verwerken. Hierdoor ontstond tussen de Kleine Aa, met de middeleeuwse stadsmuur aan de zuidelijke oever, en de Thorbeckegracht een strook grond die in 15e-eeuwse bronnen ook wel als ‘dat eylant’ wordt aangeduid. 

De ruimtelijke invulling en ontwikkeling van het Eiland kwam op gang toen de Dominicanen in 1465 op het voormalige erf van Egbert Degen tussen de Steenstraat en de Drietrommeltjessteeg het Broerenklooster stichtten. Er werden wegen aangelegd en in de oude stadsmuur langs de Kleine Aa maakte men meer doorgangen om de bereikbaarheid te verbeteren. In 1472 werden echter de vernieuwingen aan de oude stadsmuur gestaakt en besloot het stadsbestuur een nieuwe stadsmuur met poorten en torens langs de noordzijde van het Eiland te bouwen. 

Omstreeks 1500 was de nieuwe verdedigingsgordel op de oever van de Thorbeckegracht voltooid en aangesloten op de bestaande ommuring. De oude stadsmuur langs Kleine Aa (inclusief de oude Steenpoort en Broederenpoort) werd ontmanteld. In de nieuwe stadsmuur waren vanaf het Rode Torenplein tot de Broerenkerk de Rode Toren, de Jan Bagshtoren, de Zwanentoren, de Steenpoort, de Vispoort en de Pelsertoren opgenomen. Buiten de stadsmuur lag in het noordwesten het Rode Torenplein, waar de stadskraan stond en per schip aangevoerde goederen vanuit de haven overgeladen werden op karren of tijdelijk opgeslagen konden worden.


bouwen tegen de stadsmuur
Het bouwen van huizen tegen de binnenzijde- en vooral tegen de buitenzijde van de stadsmuur was lange tijd vanwege het belang van de verdediging van de stad niet toegestaan. Op historische afbeeldingen uit de eerste helft van de 17e eeuw is de noordelijke stadsmuur met weergang nog volledig intact en is er nog geen spoor van bebouwing aan de buitenzijde. Vanaf de ingebruikname van de nieuwe aarden vestingwerken in het begin van de 17e eeuw neemt het verdedigende belang van de stadsmuur af. Het duurde echter zeker tot 1640 voordat ‘seeckere werven by langes die wallen van de Dieserpoorte tot an die behuisinghe van S. Louwe Engbers streckende, alsoick tusschen die Visch- en Steenpoorten’ verpacht werden. Daarbij werd bovendien nadrukkelijk vermeld dat de terreinen alleen gebruikt mochten worden voor het opstapelen van goederen en dat men daarop geen woningen mocht bouwen. Rond deze tijd zal zeer waarschijnlijk wel aan de binnenzijde aan de Waterstraat al bebouwing tegen de stadsmuur gestaan hebben.

1650-1800
×

1650-1800

Meer afbeeldingen


grootschalige nieuwbouw ter plaatse van de stadsmuur
In 1676 en 1681 werden de terreinen aan de loskaden op de zuidoever van de Thorbeckegracht tegen betaling van grondgeld uitgegeven. Niet lang daarna zullen deze gronden bebouwd zijn. Aan de grachtzijde verscheen een aaneengesloten, ondiepe pakhuis- en woonbebouwing tegen de muur, waarbij door toepassing van overstekken op de verdiepingen zoveel mogelijk ruimte gecreëerd werd. Dit beeld is aan de Buitenkant voor een deel bewaard gebleven. De stadsmuur raakte niet alleen geleidelijk door muurhuizen aan weerszijden uit het zicht, maar er werden ook delen afgebroken om ruimte te maken voor grootschalige nieuwbouw. Zo nam Jannes Nauta omstreeks 1725 het initiatief tot het bouwen van een aantal pakhuizen op het tracé van de stadsmuur tegenover het Hopmanshuis (ter plaatse van de huidige panden Buitenkant 1-5). Hiervoor werd de stadsmuur ter plaatse gesloopt. Eén van de gebouwen zou precies boven de uitmonding van de Kleine Aa komen te staan. 

nieuwbouw
Ook het oostelijke bouwdeel van het onderzochte complex (deel A) zal op een vergelijkbare wijze tot stand gekomen zijn. De stadsmuur is ter plaatse verdwenen en het gebouw vertoont veel kenmerken die wijzen op nieuwbouw in de 18e eeuw.

De voor- en de achtergevel zijn over de volle hoogte op homogene wijze opgemetseld en ook in de zijmuren zijn geen sporen van oudere bebouwing ter plaatse waargenomen. De tweede verdieping en mogelijk ook de zolder zullen in de oorspronkelijke situatie bestemd geweest zijn voor opslag. Daarop wijzen de in de voorgevel uiterst links en rechts aangebrachte hijsdeuren. Boven de rechter hijsdeur bleef de hijsbalk met op zolder het bijbehorende hijsrad bewaard. Dit hijsrad is niet massief uitgevoerd maar is opgebouwd uit schenkelstukken die met houten spaken met de as verbonden zijn. In Zwolle zijn hijsraderen relatief zeldzaam, maar in Zutphen, waar veel meer raderen bewaard bleven, worden  op deze wijze vormgegeven raderen hoofdzakelijk in een 18e en 19e eeuwse context aangetroffen. De forse diameter van het rad in Buitenkant 14 wijst op het hijsen van zware lasten. 

De vensters op de tweede verdieping zijn in de voorgevel uitgevoerd als schuifvensters met een enkele roedeverdeling. Van deze vensters behoren zowel de kozijnen als de ramen nog tot de oorspronkelijke opzet van het gebouw (de op de bestaande situatie van 1927 getekende roedeverdeling kan op grond van de verhoudingen van de vensters niet juist zijn en moet een tekenfout zijn).  De eerste verdieping en de begane grond zullen oorspronkelijk een woonbestemming gehad hebben. Van de indeling van deze ruimten, die in de huidige situatie ongedeeld zijn, bleef niets bewaard. Onder de etalagevensters op de begane grond zijn in de gepleisterde borstwering vier openingen ten behoeve van kelderlichten waarneembaar.  

De vensterverdeling in de achtergevel is afgeleid van die in de voorgevel. Opvallend is dat zowel uiterst links als rechts over alle verdiepingen een vensteras doorloopt en dat het centrale deel geheel blind gebleven is. De invulling van de kozijnen is niet meer de oorspronkelijke; op de eerste en tweede verdieping zijn de ramen in verschillende perioden gemoderniseerd of verdwenen en op de begane grond is het rechter venster al geruime tijd geleden dichtgemetseld. Mogelijk waren de gevelopeningen op de hoogste verdieping oorspronkelijk alleen afgesloten met luiken. Het venster links op de begane grond is nog uitgevoerd als schuifvenster met een 19e eeuwse roedeverdeling. Mogelijk zijn deze ramen een keer vervangen maar zeker is dat niet. In de met een hardere klinker opgemetselde plint van de achtergevel zijn drie openingen ten behoeve van kelderlichten aangebracht. 

De kapconstructie is opgebouwd uit rondhouten daksporen, om en om zwaarder uitgevoerd en uitgevoerd met haanhouten. Deze daksporen worden ondersteund door flieringen die rusten op zes dekbalkgebinten. Deze gebinten zijn opgebouwd uit gezaagd naaldhout en voorzien van gehakte telmerken (op volgorde). De onderdelen van de gebinten zijn op traditionele wijze verbonden met pen-en-gatverbindingen. De korbelen zijn onder en boven gepend. Windschoren ontbreken.
Over de dekbalken is een vlieringvloer aangebracht met tussensteunpunten in de vorm van tussenhangbalkjes. Deze kapconstructie maakt een relatief vroege indruk. In Zwolle worden al in de 17e eeuw zogenaamde A-spanten in rondhout toegepast en al vroeg in de 18e eeuw worden de verbindingen van eventueel toegepaste gebinten vaak halfhouts uitgevoerd en worden korbelen over het algemeen aan de onderzijde tegen de gebitstijlen gespijkerd. Typologisch gezien zou deze kap heel goed uit het begin van de 18e eeuw kunnen dateren.

De balklagen van de eerste en tweede verdieping en de zolder zijn enkelvoudig uitgevoerd in naaldhout. De balken zijn aan de onderzijde gedecoreerd met een aangeschaafde kwartrond profilering.
De steektrap naar de zolder is niet meer de oorspronkelijke en staat ook niet meer op de oorspronkelijke plaats. Uit inkepingen in de balken die de trap flankeren valt af te leiden dat de oorspronkelijke trap een stuk steiler was en een stukje naar achteren stond. Later is de trap een kleine meter in de richting van de voorgevel verplaatst om tenslotte de looprichting 180º te draaien en weer wat in de richting van de achtergevelop te schuiven. 

De begane grondvloer is verhoogd aangelegd, zeer waarschijnlijk in verband met de aanleg van een kelder. Dit gedeelte van de stad had tot voor de aanleg van de Afsluitdijk regelmatig last van hoog water waardoor kelders snel onderliepen. De balklaag van de begane grond is ook enkelvoudig uitgevoerd. Rechts aan de achterzijde is met een in gele IJsselsteentjes uitgevoerde muur een deel van de kelder afgescheiden. De oorspronkelijke deur met kozijn is verwijderd. Zeer waarschijnlijk behoort deze ruimte bij de oorspronkelijke opzet van het huis. De kelderwanden zijn vrijwel over de gehele hoogte bekleed met een klamp en de vloer is afgewerkt met klinkers. Deze bestrating is in een merkwaardig gebogen patroon gelegd, om een nu verdwenen structuur die tegen de rechter zijmuur gestaan heeft: mogelijk een oven of een ketel o.i.d.

 
1800-1900
×

1800-1900

Meer afbeeldingen


schippers aan de Buitenkant
Het noordelijke stadsdeel werd gekenmerkt door een grote mate van bedrijvigheid door de directe aanwezigheid van de laad- en loskaden aan het water. Om meer ruimte te scheppen voor de overslag van goederen, werd de Buitenkant in 1856-’57 verbreed door aanplemping. Naast het grote huis (A) waren vanaf de late 17e eeuw ondiepe pakhuizen en woonhuizen tegen de muur gebouwd, waardoor de stadsmuur volledig uit het zicht raakte. Deze huizen waren in tegenstelling tot het grote huis lange tijd door de stadsmuur gescheiden van de bebouwing aan de Waterstraat. De kadastrale minuutkaart uit 1832 geeft een goed beeld van deze situatie. 

Het huis aan de Buitenkant op perceel 1392 (B) is in deze tijd het Schippers Gildehuis. Dit huis van twee bouwlagen onder een lessenaarsdak stond tegen de stadsmuur en had op de verdieping een overstek, ondersteund door uitstekende balken. De gevel was gepleisterd, aan de onderzijde in de vorm van blokbepleistering. Centraal op de begane grond bevond zich een dubbele entree met aan weerszijden en op de verdieping 18e-eeuwse vensters met roedeverdeling. Na de sloop van dit huis in de tweede helft van de 20e eeuw, is hier historiserende nieuwbouw in vergelijkbare vormgeving voor in de plaats gekomen. 

Het grote huis op perceel 1391 is in het begin van de 19e eeuw eigendom van Berdina van der Voort, weduwe van schipper Klaas Schuttevaer. De familie Schuttevaer zou tot 1884 hier aan de Buitenkant blijven wonen. In dat jaar wordt het huis, bewoond door ‘de dames Schuttevaer’, door de erfgenamen van H. Schuttevaer publiekelijk verkocht: ‘Het zeer solied gebouwd huis bevat twee beneden- en drie bovenkamers, waarvan drie van stookplaatsen voorzien, keuken met wel- en regenwaterpomp, kelder, provisiekelder, droogzolder met afgeschoten meidenkamer, twee andere zolders en zolder boven de keuken tot berging van turf, enz.’ [Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant 25-01-1884]. Deze indeling komt grotendeels overeen met de bestaande toestand die op tekeningen uit 1927 te zien is. De schouwen die hierop weergegeven zijn, hebben oorspronkelijk niet op deze plaats gestaan. In de kap zijn voor het aanbrengen van de rookkanalen namelijk de haanhouten ter plaatse doorgezaagd. 

De familie Schuttevaer heeft in de 19e eeuw in Zwolle een grote rol gespeeld in de ontwikkeling en professionalisering van de binnenscheepvaart. W.J. Schuttevaer richtte in 1849 de Koninklijke Schippersvereniging “Schuttevaer” op. Deze vereniging verdedigde de belangen van turfschippers en andere kleine binnenvaarders. Samen met H. Schuttevaer vormde W.J. Schuttevaer ook het bestuur van de Rotterdamsche Schroefstoomboot Maatschappij die vanaf 1867 tussen Zwolle en Rotterdam voer. 

Van der Voort was in 1832 tevens eigenaar van het achtergelegen huisjes/bergplaatsen aan de Waterstraat (percelen 1393, 1395 en 1396), het oostelijke buurpand aan de Buitenkant (perceel 1389) en het pand aan de westzijde van het Schippers Gildehuis op perceel 1394 (C). Beide laatstgenoemde huizen zijn als pakhuis in gebruik. Het pakhuis aan de westzijde van het Gildehuis bestond uit drie bouwlagen onder een lessenaarsdak en had een overstek op de eerste- en tweede verdieping. In het dakschild was een forse dakkapel met dubbele hijsdeuren opgenomen. Het huis had een drie-assige in schoon metselwerk opgetrokken voorgevel aan de Buitenkant met vensters met roedeverdeling op de verdiepingen. Ook dit pand zou in de jaren ’60 van de 20e eeuw gesloopt worden en vervangen worden door nieuwbouw. 

Tot in de 20e eeuw deden de muurhuizen (en de torens) aan de zuidzijde van de Thorbeckegracht niet alleen dienst als pakhuis, maar werd in de bebouwing ook kleinschalige industrie, horeca en prostitutie ondergebracht. In het restant van de Zwanentoren is bijvoorbeeld vanaf 1823 een café gevestigd en één van de voormalige pakhuizen van Nauta aan de westzijde van de toren deed dienst als bordeel.

1900-1950
×

1900-1950

Meer afbeeldingen


Huisman en Slurink
In de eerste helft van de 20e eeuw vestigen zich twee scheepvaartgerelateerde bedrijven in het voormalige complex van de schippersfamilie Schuttevaer aan de Buitenkant. Het pakhuis aan de westzijde van het oude Schippers Gildehuis werd in 1917 door H.J. Huisman ingericht als zeilmakerij en winkel voor scheepsvictualiën (proviand) met een bovenwoning. Huisman kreeg in 1927 concurrentie toen H.J. Slurink uit Zwartsluis in het grote huis (A) ook een zeilmakerij startte. De begane grond werd ingericht als werkruimte/winkel, waarbij materialen en producten uitgestald werden voor de nieuw aangebrachte etalagevensters. De verdiepingen blijven aanvankelijk in gebruik als woonruimte, maar in de loop van de 20e eeuw zal Slurink de winkelruimte op de begane grond hebben uitgebreid, waarna de tweede verdieping ingericht zal zijn als werkruimte/zeilmakerij. 

1950-heden
×

1950-heden

Meer afbeeldingen


restauratie, reconstructie en nieuwbouw
Ondanks dat grote delen van de stadsmuur en de meeste poorten en torens in de 19e eeuw zijn verdwenen, heeft toch een flink deel van de verdedigingswerken de tand des tijds en de sloophamer overleefd. Tot 1962 waren overblijfselen van de stadsmuur nagenoeg volledig ingekapseld in de bebouwing aan de Buitenkant en Waterstraat. Vooruitlopend op de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan voor het Zwolse stadscentrum werd in deze tijd voor het zwaarst verkrotte deel van de binnenstad alvast de uitvoering van een saneringsplan voorbereid. In 1963 werd onder supervisie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg de zorgvuldige restauratie van de middeleeuwse stadsmuur langs de Buitenkant gestart met de sloop van de tegen de muur gebouwde huisjes direct ten oosten van de Zwanentoren. Een restant van de toren zelf werd vrijgelegd en gerestaureerd. De restauratie van de verdedigingswerken en de nieuwbouw van de muurhuizen werd uitgevoerd naar ontwerp van architect Th. G. Verlaan (1912-1997). Verlaan was in 1946 als stadsarchitect aangesteld en had zich in 1959 als zelfstandig architect in Zwolle gevestigd. 

Het voormalige pakhuis met daarin de zeilmakerij van wed. H.J. Huisman werd afgebroken, evenals het daarnaast gelegen voormalige Schippers Gildehuis. Dit pand was voor de sloop als woning in gebruik. De nieuwbouw is uitgevoerd als een historiserende kopie met moderne winkelpui en is vervolgens bij de winkel van Slurink getrokken, die inmiddels vooral gericht was op de verkoop van kampeer- en watersportartikelen. Aan de zijde van de Waterstraat is ter hoogte van de verdieping de weergang van de stadsmuur gerestaureerd, ondersteund door overkraagde bogen die rusten op zware kraagstenen van zandsteen. Bij de restauratie heeft men de weergang voorzien van een houten met pannen gedekte overkapping. Op de begane grond kwam een verdiepingloze aanbouw onder een plat dak te staan waar de expeditieruimte en het kantoor van Slurink werd ondergebracht. Toen de stadsmuur in het zicht kwam, bleek de borstwering vlak afgedekt te zijn en voorzien van schietspleten. Hier en daar zijn tussen de zandstenen schietspleten werp- of kijkgaten aanwezig. 

Huisman had zich gespecialiseerd in scheeps- en aannemersmaterialen. De plek van het voormalige pakhuis/zeilmakerij werd opgevuld door nieuwbouw, waarbij het volume en de hoofdvorm werd aangepast aan het naastgelegen pand van Slurink. De gevels aan de Buitenkant en Waterstraat zijn ter hoogte van de verdieping met hout afgewerkt, de begane grond wordt aan de Buitenkant over de volledige breedte ingenomen door een betonnen winkelpui. Hiernaast kwam aan de westzijde een nieuwe verdiepingloze aanbouw te staan. 

Tegen het eind van de 20e eeuw werd de winkel van Slurink aan de Buitenkant overgenomen door Huisman. Op de begane grond werd een doorbraak gerealiseerd om beide winkels met elkaar te verbinden.  

1300-1650
1650-1800
1800-1900
1900-1950
1950-heden

Introductie

 

Op dit moment worden plannen voorbereid voor de verbouwing van het complex Buitenkant 14 in Zwolle. Deze rijksmonumenten zijn momenteel in gebruik bij een bedrijf in scheepsbenodigdheden. Vanwege de monumentenstatus en de prominente ligging aan de Thorbeckegracht zal bij de beoordeling van de plannen de cultuurhistorische waarde een belangrijke rol spelen. Aan ARCX is daarom gevraagd een bouwhistorische verkenning met waardestelling uit te voeren. Het onderzoek geeft inzicht in de bewaard gebleven historische structuur en de daarin te onderscheiden tijdlagen. Aan de hand van de resultaten kan bepaald worden welke cultuurhistorische waarden bij toekomstige veranderingen in het geding zijn en waar ruimte is voor nieuwe ingrepen.
De verkenning heeft bestaan uit het in kaart brengen van de bouwgeschiedenis van de panden en is opgebouwd uit een aantal onderdelen. Allereerst zijn direct beschikbare gegevens uit de literatuur en uit archieven geraadpleegd. Hiervoor is een bezoek gebracht aan het HCO in Zwolle. In diverse beeldbanken is historisch beeldmateriaal verzameld. Het veldwerk heeft plaatsgevonden op 30 mei 2017. Hierbij is geen destructief onderzoek uitgevoerd. Alle gegevens zijn vervolgens chronologisch geordend en digitaal gepresenteerd in opeenvolgende vensters in de tijdlijn. De rapportage is tenslotte voorzien van een waardering.

De directe link naar deze rapportage op de website www.tijdbeeld.com is http://www.tijdbeeld.com/projecten/54/zwolle

beschrijving

Buitenkant 14 is gesitueerd aan de kade langs de zuidzijde van de Thorbeckegracht en grenst aan de achterzijde aan de evenwijdig daaraan lopende Waterstraat. Het complex is opgebouwd uit een drietal bouwmassa’s die tot voor kort afzonderlijke huisnummers hadden die op de verschillende niveaus intern met elkaar verbonden zijn. 

Het meest westelijke deel (op de situatietekening aangegeven met een C, voormalig huisnummer 14 monumentnummer 41587) is gebouwd op een rechthoekige plattegrond die de volledige diepte van het perceel beslaat. Het gebouw telt twee bouwlagen onder een zadeldak. Aan de zijde van de Buitenkant staat aan de westzijde tegen de stadsmuur een verdiepingloze aanbouw onder een lessenaardak.

Het middelste deel van het complex (op de situatietekening aangegeven met een B, voormalig huisnummer 15-16 monumentnummer 41581) telt aan de zijde van de Buitenkant twee bouwlagen onder een lessenaardak. De achtergevel van dit deel bestaat uit de stadsmuur. Aan de zijde van de Waterstraat is dit deel verbonden met een verdiepingloze aanbouw onder een plat dak. 

Aan de oostzijde wordt het complex begrensd door een huis gebouwd op een rechthoekige plattegrond (op de situatietekening aangegeven met een A, voormalig huisnummer 17 monumentnummer 41582) die de volledige diepte van het perceel inneemt. Dit deel telt boven een kelder drie bouwlagen onder een schilddak. In de kap is een vliering aangebracht. 

 

Advies en waardering

samenvatting van de bouwgeschiedenis
Het noordelijk deel van het Zwolse stadscentrum werd in de late 15e eeuw binnen de ommuring van de stad getrokken door de bouw van een nieuwe stadsmuur op de zuidoever van de Thorbeckegracht. Buiten de muur lag langs het water een haven met loskade. Tot in de 17e eeuw was bouwen tegen de buitenzijde van de muur niet toegestaan. In 1676 en 1681 werden de terreinen aan de loskaden op de zuidoever van de Thorbeckegracht tegen betaling van grondgeld uitgegeven. Niet lang daarna zullen deze gronden bebouwd zijn. Aan de grachtzijde verscheen vanaf de 18e eeuw een aaneengesloten, ondiepe pakhuis- en woonbebouwing tegen de muur. De stadszijde van de muur aan de Waterstraat was mogelijk al eerder door muurhuizen uit het zicht zijn geraakt. Tot 1962 waren grote delen van de stadsmuur nagenoeg volledig ingekapseld in de bebouwing aan de Buitenkant en Waterstraat.

Het meest westelijke huis van het onderzochte complex, bouwdeel A, is als woonhuis ontstaan door nieuwbouw in de 18e eeuw. Hierbij is de stadsmuur ter plaatse gesloopt. De tweede verdieping en mogelijk ook de zolder zullen in de oorspronkelijke situatie bestemd geweest zijn voor opslag. In de 19e eeuw werd het huis bewoond door de bekende Zwolse schippersfamilie Schuttevaer. Toen H.J. Slurink hier in 1927 een zeilmakerij met winkel startte, werd de begane grond uitgebroken en werden er etalagevensters in de voorgevel geplaatst. De vensters op de verdieping van de voorgevel en op de eerste en tweede verdieping van de achtergevel zijn in de 19e en 20e eeuw gemoderniseerd. Na de nieuwbouw van de buurpanden in de jaren ’60 van de 20e eeuw werd het huis op de begane grond door middel van een doorbraak verbonden met de oostelijke belending aan de Buitenkant. 

In 1963 werden de muurhuizen aan beide zijden van de muur ten oosten van de Zwanentoren gesloopt en startte men met de restauratie van de stadsmuur naar ontwerp van architect Th. G. Verlaan. Het middelste huis, bouwdeel B, is ontstaan door nieuwbouw kort na 1967 ter plaatse van het oude Schippers Gildehuis. Aan de zijde van de Waterstraat werd de weergang gereconstrueerd en verrees tegen de muur een aanbouw onder een plat dak. Aan de Buitenkant is qua volume en vormgeving door architect Verlaan direct voortgeborduurd op de gesloopte voorganger. De gerestaureerde stadsmuur bleef tot op zolderniveau in het pand bewaard. 

De oostelijke bebouwing van het complex, bouwdeel C, betreft nieuwbouw kort na 1965, na de sloop van het voormalige pakhuis van de familie Schuttevaer dat op deze plek stond. Later was het pakhuis ingericht geweest als zeilmakerij en winkel van de firma (wed.) H.J. Huisman. Het volume van de nieuwbouw en de hoofdvorm stond los van deze voorganger en werd afgestemd op het buurpand (bouwdeel B). Aan de oostzijde kwam een lagere aanbouw te staan. 


waardering
De cultuurhistorische waardering van Buitenkant 14 in Zwolle is opgebouwd uit een aantal deelwaarderingen.

De fasering en de waardering worden tevens visueel gepresenteerd op ingekleurde plattegronden. Deze faserings- en waarderingsplattegronden zijn onder het tabblad bijlage in hogere resolutie te downloaden.

faseringsplattegronden

rood = 1300-1650
lichtrood = 1650-1800
lichtroze = 1800-heden

waarderingsplattegronden

blauw = hoge monumentwaarden, van cruciaal belang voor de structuur en/of betekenis van het object
groen = positieve monumentwaarden, van belang voor de structuur en/of betekenis van het object
geel = indifferente monumentwaarden, van relatief weinig belang voor de structuur en/of betekenis van het object

algemene historische waarden
Het complex is voor de stad Zwolle van groot historische belang vanwege de grote betekenis van zowel de locatie als de individuele bebouwing voor de scheepvaart en de daaraan gerelateerde bedrijvigheid en bewoning.  Vanaf de 15e eeuw was hier onafgebroken een haven met loskade langs het water van de Thorbeckegracht. Vanaf de 18e eeuw verrezen tegen de buitenzijde van de stadsmuur huizen met een pakhuisfunctie, scheepvaart gerelateerde bedrijvigheid of woningen van schippers. In het complex was het Schippers Gildehuis gevestigd en in de 19e eeuw werd het complex bewoond door de bekende familie Schuttevaer, die een grote rol gespeeld heeft in de ontwikkeling en professionalisering van de binnenscheepvaart en de Koninklijke Schippersvereniging Schuttevaer oprichtte. In de 20e eeuw waren de huizen in gebruik bij de bedrijven van Wed H. Huisman, scheeps- en aannemersbehoeften en P. Slurink, zeilmakerij, kampeer- en watersportartikelen. 

Daarnaast vertegenwoordigt het complex een belangrijke algemene historische waarde vanwege de herinnering aan de herstructurering van het noordelijk stadsdeel in de jaren ’60 van de 20e eeuw en de zeer zorgvuldige restauratie en reconstructie van de laat 15e-eeuwse stadsmuur met weergang. De huidige situatie is het resultaat van de toen heersende restauratieopvatting om waar mogelijk terug te keren naar de laatmiddeleeuwse toestand en daarmee de stadsmuur zoveel mogelijk weer in het zicht te krijgen. 

ensemblewaarden en stedenbouwkundige waarden
Het onderzochte complex is beeldbepalend voor het westelijke deel van de bebouwing van de Buitenkant en zeer representatief voor de wijze waarop de laat 15e eeuwse stadsmuur vormgegeven was en deze door bebouwing aan de binnen- en buitenzijde in de loop van de 18e eeuw uit het zicht verdween. De na de sanering van de historische bebouwing gerestaureerde stadsmuur is van belang vanwege de betekenis voor de laat-middeleeuwse verdediging van Zwolle en vormt een zeer herkenbare begrenzing van de omvang van de stad omstreeks 1500.

De in de jaren ’60 van de vorige eeuw gerealiseerde nieuwbouw vormt in combinatie met de grotendeels gereconstrueerde stadsmuur in directe zin een breuk met het verleden maar is wat betreft de ordening en ruimtelijke opbouw van de verschillende volumes wel duidelijk geïnspireerd op de historische structuur en levert zo een positieve bijdrage aan het stadsbeeld ter plaatse. 

architectuurhistorische- en bouwhistorische waarden
Bouwdeel A van het complex is van architectuurhistorische betekenis vanwege het relatief gaaf bewaard gebleven hoofdvolume, de opbouw en indeling van de voor- en de achtergevel en de herkenbaarheid van de historische woon- en pakhuisfuncties op de verschillende bouwlagen. Dit onderdeel van het complex heeft tevens een hoge bouwhistorische waarde vanwege het uitzonderlijk gaaf bewaarde casco met een voor de tijd van ontstaan in typologisch opzicht representatieve kapconstructie, hijsrad en vloeropbouw. Van de gevelindeling moeten met name de oorspronkelijke kozijnen en de op de zolderverdieping aan de voorzijde bewaard gebleven pakhuisdeuren en schuiframen specifiek genoemd worden.  

Verder zijn de bewaard gebleven restanten van de stadsmuur in materiële zin van grote bouwhistorische waarde. De gereconstrueerde delen van de stadsmuur hebben vooral een conceptuele bouwhistorische waarde. De nieuw gebouwde muurhuizen vertegenwoordigen geen materiële architectuurhistorische- of bouwhistorische waarde. Zij maken dankzij hun volume en hoofdvorm echter wel deel uit van een zorgvuldige en geslaagde verwijzing naar de historische bebouwing tegen de stadsmuur.