900-1150
×

900-1150

Meer afbeeldingen

ringwalburg

Zutphen is ontstaan op de plaats waar de Berkel in de IJssel uitmondde. De plaats werd in de 9e eeuw het bestuurlijke centrum van een graafschap aan de IJssel. Uit de bronnen is bekend dat Zutphen in het jaar 882 door vikingen aangevallen is en verwoest werd. Als een reactie op de plundertochten van de Vikingen werden in de 9e eeuw langs de kusten van noordwest-Europa versterkingen aangelegd in de vorm van vluchtburgen, bestaande uit een ronde wal met daaromheen een gracht. De omvang weerspiegelde het aantal weerbare mannen dat de burg konden beschermen. De Zutphense burg was strategisch gelegen op het hoge rivierduin tussen de IJsseloever en de Berkel. 

Binnen de burg stond de grote zaal van het grafelijke hof, een marktplein en een bescheiden parochiekerk. Tot op de dag van vandaag is de vorm van de ringwal zichtbaar in het stratenpatroon en de gevelwanden.

Op de plek van de Groenmarkt, Houtmarkt en Zaadmarkt lag de droge gracht. De wal lag op de plaats van de zuidelijke gevelwand. Doordat de loop van de IJssel zich vanaf de 11e tot 14e eeuw verlegde, is het zuidelijk deel van de ringwal weggeslagen en kwam de oever langs de huidige Waterstraat te lopen. 

Rond het jaar 1000 kwam de grafelijke macht terug bij de keizer en een halve eeuw later, in 1046, werd het graafschap aan rijksbisschop Bernold van Utrecht geschonken. Bernold was een trouwe onderdaan van keizer Hendrik III. De Utrechtse bisschop liet binnen de burg in tufsteen een grote representatieve palts voor de koning bouwen en stichtte naast de palts een grote kapittelkerk, de latere Walburgiskerk. Binnen de burg lag niet alleen de koningspalts en de hof van de latere graven van Zutphen, maar bevond zich tevens de immuniteit van het kapittel van Sint Walburgis. Dat Zutphen het centrum van de macht was, werd nog eens bevestigd door het ophogen van de wallen en verdiepen van de grachten. De burg werd namens de bisschop bestuurd door de graven van Zutphen die resideerden in de palts die op het huidige ’s Gravenhof stond. Na een groot machtsconflict in de jaren 1120-1125 werd rondom de palts en de kapittelkerk een gracht met een wal aangelegd. Deze binnenversterking werd als extra verdedigingslinie om het wereldlijke en geestelijke machtscentrum aangelegd. Dit gebied was toegankelijk via een tufsteen poort in de Lange Hofstraat. Daarbinnen vormden het grafelijke hof en de immuniteit rond de kapittelkerk in ieder geval tot aan het einde van de 16e eeuw afgebakende en niet publiek toegankelijke gebieden. 

 
 
1150-1300
×

1150-1300

Meer afbeeldingen

Graaf Hendrik I van Gelre en Zutphen (1138-1182) bevorderde sterk de vestiging van  kooplieden en ambachtslui in de stad. Ten noorden van de ringwalburg stichtte hij daarvoor een nieuwe nederzetting (het huidige  Beukerstraat- en Barlhezekwartier) die de graaf  langs de Oude wand  en de Rozengracht van een eigen omwalling met een droge gracht liet voorzien. Zutphen werd daarmee een handelsnederzetting van betekenis. Aan het einde van de Beukenstraat lag aan de Berkel een haventje: de Schupstoel (=scheepstol) en langs de oever van de IJssel legde men houten kades aan. Nabij de noordelijke stadspoort bouwde de graaf een nieuwe representatieve grafelijke hof, op de plaats van het latere Dominicanenklooster. 

In de 13e eeuw nam het gebruik van de oude palts als verblijfsplaats van de vorst af. Het economisch centrum van de stad had zich inmiddels verplaatst in noordelijke richting, waar de graaf een molenbeek met watermolens had aangelegd en eendoor hem nieuw gestichte stad in ontwikkeling was. De Berkel kreeg hierdoor haar huidige loop door de stad langs de Rijkenhage en de Rozengracht.
Na de stadsrechtverlening van 1194-’95 en de daaropvolgende terugtrekking van de graven uit Zutphen, raakte de binnenburg geleidelijk in onbruik. In het begin van de 13e eeuw werd begonnen met het dempen van de gracht en de ontmanteling van de versterking.  Zo kwam nieuwe bouwgrond beschikbaar.
Aan de noord- en oostzijde van de immuniteit werd de vrijgekomen grond waarschijnlijk benut voor het realiseren van nieuwe kapittelgebouwen. In een aflaat van 1225-’26 wordt namelijk gesproken over de nieuwbouw en voltooiing van het ‘claustrum’. De nieuwbouw van een kapittelcomplex aan de oost- en noordzijde houdt waarschijnlijk verband met de dreiging van het verwoestende IJsselwater voor de bestaande kapittelgebouwen aan de zuidzijde. Door de eroderende werking van de IJssel en de veranderende loop van de rivier in de 12e tot en met de 14e eeuw, werden namelijk grote delen van de zuidzijde van de immuniteit weggeslagen.

Met het verlenen van stadsrecht kreeg Zutphen zelfbestuur. Aan de noordzijde van het gravenhof bouwde de stad een nieuw stadhuis op de hoek van de Vismarkt en de Lange Hofstraat.
In deze periode  transformeerde het aangezicht van de stad in hoog tempo. Rondom de stad werd een bakstenen stadsmuur gebouwd, waarvan bij de Bourgonjetoren een stukje behouden bleef. De muur was verstevigd met muurtorens en ter hoogte van de belangrijkste uitvalswegen kwamen poorten. De stadsmuur had aan de IJsselzijde tevens een waterkerende functie, waardoor het aangezicht zeer indrukwekkend moet zijn geweest. In de muur waren de Vispoort, de Veerpoort en de Rode Poort opgenomen die toegang gaven tot de handelskade en de veren over de IJssel.

 
 
1300-1600
×

1300-1600

Meer afbeeldingen

Uit historische bronnen kan opgemaakt worden dat de IJssel van de 11e tot de15e eeuw een zeer actieve rivier was. De rivier werd breder en ontwikkelde een noordelijke en zuidelijke meander. In de10e - 11e eeuw erodeerde de rivier eerst de westflank van het rivierduin van Zutphen (omgeving Waterstraat). In de 12e eeuw begon de rivier ten zuiden van Zutphen een meander te ontwikkelen. De buitenbocht daarvan veroorzaakte grote erosieschade aan de stad in de 13e en de eerste helft van de 14e eeuw. Ook de St. Salvatorkerk van Wichmond werd volledig opgeruimd. In 1357 werd de IJsselmeander onschadelijk gemaakt door een rivierverlegging die de IJssel weer min of meer in het huidige tracé bracht. In het jaar daarvoor had de stad het een deel van het goed Neder Helbergen aan de Veluwse zijde van de rivier aangekocht. Na de rivierverlegging volgde ook een bedijking van het gebied.

De 14e eeuw was voor de stad een periode van grote welvaart. Om de verwachtte bevolkingsgroei op te kunnen vangen  werd het laaggelegen gebied ten oosten van de stad, de Polsbroek, bij de stad getrokken en ommuurd. De stadsmuur aan de zuidzijde van de stad had veel te leiden van de eroderende werking van de rivier. Nadat de rivier in 1356-’57 een stuk naar het westen verlegd was, kon ter plaatse een nieuwe muur opgetrokken worden. Deze muur werd in het begin van de 15e eeuw doorgetrokken naar de Spittaalpoort.
In de nieuwe muur kwam in 1444 aan het einde van de Markt de Saltpoort gebouwd, die vanaf 1555 Drogenapstoren genoemd werd naar de bewoner, de stadsmuzikant Thonis Drogenap van Grol. 

Door de toegenomen kracht van vuurgeschut beschermen de oude bakstenen muren de stad onvoldoende. De meest kwetsbare punten werden in  de 15e en 16e eeuw gemoderniseerd. De Bourgonjetoren werd in 1457 op een strategische plek tegen de muur aangebouwd als geschuttoren met bijna 4 meter dikke muren. Ook met extra grachten en aarden tussenwallen probeerde met de vijand op grotere afstand te houden. In 1532 bouwde Karel van Gelre buiten de Saltpoort een dwangburcht, om de stad tot gehoorzaamheid te dwingen in zijn strijd tegen de Habsburgse keizer KarelV. De burcht werd al na korte tijd (1538) weer afgebroken.  

Vanaf 1572 raakt Zutphen betrokken bij de opstand tegen het Spaanse regime. Gedurende de Tachtigjarige Oorlog ligt rond de IJsselbij Zutphen de frontlijn van de strijd tussen het Spaanse en het Staatse leger. Tussen 1572 en 1579 wordt de stad afwisselend door de Staatse en Spaanse troepen ingenomen en belegerd door de tegenpartij. Uiteindelijk worden de Spanjaarden in 1591 definitief uit de stad verdreven. Zutphen fungeert vanaf dat moment als oostelijke ‘frontierstad’ van de Republiek. Vanwege het grotere bereik van de moderne kanonnen en nieuwe inzichten in de belegeringstechniek, worden er voorbereidingen getroffen om Zutphen van een gordel van de modernste vestingwerken te voorzien.

De palts aan het Gravenhof werd na het vertrek van de graaf door de stad in gebruik genomen en in de 15e eeuw deels gesloopt. Na een poging omstreeks 1470 door hertog Adolf van Gelre om van de resten nog een representatief huis te maken, werd het gebouw in de16e eeuw verder gesloopt. De stad kon vervolgens op het noordelijke deel van de gravenhof de vismarkt uitbreiden en op het zuidelijke deel van het plein werden lakenramen geplaatst. Bewoners van huizen aan de Kuiperstraat kochten delen van de westzijde van de gravenhof op en konden zo hun percelen verlengen. De laatste bovengrondse resten van de voormalige palts werden in 1635 opgeruimd.

1600-1850
×

1600-1850

Meer afbeeldingen

Als ‘frontierstad’ was Zutphen één van de vestingsteden die de oostelijke grensgebieden van de Republiek moesten bewaken. De stad kreeg een aanzienlijk garnizoen en de bijbehorende militaire infrastructuur. In en rond de stad werden bestaande of nieuwe gebouwen ingericht als kazernes, infirmerieën, wacht- en stalgebouwen, militaire scholen, kazernes, arsenalen en kruitmagazijnen. Vanwege het grotere bereik van de moderne kanonnen en nieuwe inzichten in de belegeringstechniek, werden na 1591 voorbereidingen getroffen om de stad van een gordel van de modernste verdedigingswerken te voorzien. Vrijwel alle oude rondelen verdwenen en Zutphen werd rond 1600 geheel omringd door een reeks aarden bastions en ravelijnen met brede grachten. In het zuidelijk deel waren het Bourgonjebolwerk (1593-'95), het Slijkbolwerk (1617) en het Galgenbolwerk (1618) opgenomen. 

De vestingwerken werden omstreeks 1620-1625 aangevuld met drie hoornwerken, waarvan er één buiten de Vispoort in het stadsweidegebied Helbergen kwam te liggen. Dit hoornwerk aan de IJssel werd in 1702 aangepast en uitgebreid in het kader van de aanleg van de linie van Coehoorn. Het gebied tussen het hoornwerk en de Emmerikseweg kon bij dreiging onder worden gezet (geïnundeerd). Omdat een open haven buiten de stadsmuur bij de Vispoort kwetsbaar was voor vijandelijke aanvallen, werd in 1636 binnen de vesting een nieuwe haven (Berkelhaven) aangelegd.

Aan de buitenzijde van de bastions werd een nieuwe vestinggracht gegraven op de plaats van de oude IJsselmeander en een deel van de gracht om de Spittaalstad. Het deel bij de vispoort werd ergens tussen 1672 en 1698 verder uitgegraven naar zijn huidige breedte en is later Vispoortgracht genoemd. De stadsmuur bleef bij al deze ontwikkelingen intact en behield, weliswaar in minder mate, haar verdedigingsfunctie. 

De gronden rond en buiten de vestingwerken werden zowel gebruikt voor militaire- als voor handelsdoeleinden. Met name de houthandel was voor Zutphen van groot belang. De contrescarp aan de buitenzijde van de Vispoortgracht was waarschijnlijk al in de 18e eeuw in gebruik als stapelplaats voor houthandelaren. Later kreeg deze vestingwal de naam Houtwal. 

 

1850-1940
×

1850-1940

Meer afbeeldingen

Eeuwenlang werd het aangezicht van Zutphen gedomineerd door de vestingwerken, met bastions, wallen, grachten en de stadsmuur met haar poorten en torens. In de tweede helft van de 19e eeuw zou dit beeld voorgoed veranderen. In korte tijd transformeerde de stad tussen 1860 en 1890 van een gesloten vestingstad in een open stad met royale groene singels. 

In de 19e eeuw was de bevolking in Zutphen gegroeid van 7500 inwoners in 1800 tot ruim 16000 in 1875, onder andere door immigratie vanuit het omringende platteland. Deze bevolkingstoename leidt al snel tot verdichting van de bebouwing in de binnenstad en verkrotting. Aan de behoefte tot uitbreiding en modernisering kan na 1874 definitief gehoor worden gegeven als met de nieuwe Vestingwet de vesting Zutphen wordt opgeheven. Stadsarchitect F.H. van Etteger ontwikkelde in 1878 een plan dat gebaseerd was op het slechten van de vestingwerken, het aanleggen van voorzieningen voor de verbetering van de scheepvaart en het verbeteren van de hygiënische omstandigheden in de stad. Nog in datzelfde jaar werden vrijwel alle voormalige vestinggronden door de gemeente van het Rijk overgenomen.

Met de concrete ontmanteling van de vesting was men omstreeks 1850 al begonnen. Wallen werden geslecht en grachten gedeeltelijk gedempt. Oude verdedigingswerken zoals zoals een deel van de stadsmuur aan de Waterstraat en de Binnen-Vispoort waren voor afbraak vrijgegeven en werden in respectievelijk 1844 en 1860 gesloopt. Aan de IJssel had de vesting al plaatsgemaakt voor de nieuwe IJsselkade en aan de noordzijde waren de verdedigingswerken verlegd en aangepast om Zutphen aan te kunnen sluiten op het landelijk spoorwegennet. Van de middeleeuwse verdedigingswerken zijn aan de zuidzijde de Drogenapstoren, de Bourgonjetoren en een flink stuk van de stadsmuur blijven staan.   

Op de voormalige wallen kwam een ring van nieuwe singels te liggen. Zo ontstond aan de zuidzijde de Bokkewal, later gewijzigd in Martinetsingel. De ruimte die ontstond door het gedeeltelijk dempen van grachten, het afgraven en de slechting van bastions, ravelijnen en andere vestingonderdelen werd voor een belangrijk deel gereserveerd voor openbare gebouwen zoals scholen en een nieuw gerechtsgebouw. De Vispoortgracht werd in fases gedeeltelijk gedempt. Aan het nieuw ontstane Vispoortplein werd in 1921 de Vakschool voor Meisjes gebouwd naar ontwerp van J.H.W. Leliman. Het voormalige Galgenbolwerk is voornamelijk ingevuld met arbeiderswoningen in de omgeving van de Tadamasingel, gebouwd door de David Evekink Stichting. Voor de beter gesitueerden werden woningen gebouwd aan de Martinetsingel en in het bouwblok tussen Vispoortplein en Vispoortstraat. 

De vestinggronden van het Hoornwerk kwamen pas in 1892 in het bezit van de gemeente. Het stadsbestuur maakte vervolgens plannen om in dit gebied een nieuwe haven aan te leggen. Uiteindelijk werd pas in 1902 een afgeslankt plan voor de Zuiderhaven uitgevoerd. De plannen bestonden uit de verbetering van de oude haven tot Vispoorthaven en de aanleg van de Zuiderhaven in de Helbergense Beek, die met een nieuw kanaal verbonden werd met de IJssel. Na 1924 legde men ter hoogte van het opgeruimde ravelijn de Badhuisweg aan. Met de aanleg van verschillende havens hoopte het stadsbestuur rond de eeuwwisseling alsnog aan te haken bij de landelijke trend van industrialisatie. Speciaal voor goederentrams werd in 1902 een trambaan in gebruik genomen die van het station over de IJsselkade naar de Houtwal liep. 

Ondanks alle inspanningen bleef de Zutphense industrie relatief kleinschalig. Het Hoornwerk was lange tijd het terrein van de kleurstoffenfabriek van Gebr. Struyk, aan de Zuiderhaven stond onder andere het graanoverslagbedrijf van de firma Wormgoor en de bakkerij van de coöperatie ‘Het Volksbelang’. Langs de Houtwal werd het beeld bepaald door de vele (hout)loodsen en werkplaatsen. Een stuk verderop lag buiten de Spittaalstraat aan het begin van de Emmerikseweg de stoomhoutzagerij van Ketjen & Van Roekel. 

1940-heden
×

1940-heden

Meer afbeeldingen

Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn door een ontplofte munitietrein, een mislukt bombardement van de geallieerden en tien dagen strijd om de bevrijding grote verwoestingen aangericht. Afzwaaiers van de RAF troffen de omgeving van het station, de Rozengracht, Barlheze, Waterstraat, Groenmarkt en Kuiperstraat. Bijna 100 mensen werden gedood en er waren veel gewonden te tellen. Bij hun aftocht lieten de Duitsers niet alleen beide IJsselbruggen springen, zij bliezen ook de voormalige Waliënkazerne op. Direct na de bevrijding werd de wederopbouw van de gehavende stad voortvarend aangepakt. Na de oprichting van een Bureau Wederopbouw nam men de schade op en werd een wederopbouwplan opgesteld. Bij de zwaarst getroffen delen werd het gebied compleet opnieuw ingericht. In het zuiden, waar de verwoesting relatief gezien meeviel, beperkte men zich tot het herstel van de oorlogsschade. Aan de Waterstraat werd traditionalistische nieuwbouw geïntegreerd in de bestaande gevelwanden.

In de periode van wederopbouw is het stadsbestuur ook op zoek naar een nieuw terrein voor de enigszins ingezakte Zutphense veemarkt. Uiteindelijk wordt de veemarkt in 1948 verplaatst naar de Houtwal. De nieuwe veemarkt leidt niet tot de verwachte bloei en wordt per 1 januari 1951 al weer opgeheven. In 1984 wordt op de vrijgekomen grond een nieuw politiebureau gebouwd. De rest van de voormalige veemarkt is als parkeerterrein ingericht. Aan de zuidzijde van het terrein staat nog altijd de loods die diende als markthal voor biggen en kalveren en die na de markt gebruikt kon worden als stalling voor het vee. 

De dichting van de Baakse overlaat in 1949 betekende dat Zutphen was verlost van periodieke overstromingen van de IJssel en dat de stad kon uitbreiden op de lager gelegen terreinen. Aan de zuidzijde werd de wijk Helbergen ontwikkeld, in de jaren ’70 gevolgd door de Zuidwijken. Door het toenemende vrachtverkeer over de weg, nam het belang van de Zutphense havens af. Toen de rivierdijken in de jaren ’60 op deltahoogte gebracht moesten worden, besloot het stadsbestuur De Zuiderhaven en het Verbindingskanaal bij het Hoornwerk te dempen. De Vispoorthaven werd in gebruik genomen als recreatieve jachthaven. Op enig moment is aan de oostzijde van deze haven een nieuw plantsoen aangelegd. Hiervoor moest de toegangsweg over het Vispoortplein verlegd worden in westelijke richting, ten koste van het plantsoen voor de voormalige Vakschool voor Meisjes. Het 's Gravenhof veranderde van een open plein naar een straat met aan weerszijden een afgebakend parkeerterrein. 

Naast deze stedenbouwkundige veranderingen zijn er ook een aantal nieuwbouwprojecten tot stand gekomen die op het niveau van de betrokken bebouwing zeer ingrijpend zijn geweest, maar die de ruimtelijke structuur slechts op ondergeschikte punten hebben beïnvloed. De Ambachtsschool en industrie op het Hoornwerk hebben gedeeltelijk plaatsgemaakt voor moderne woonbebouwing, de sloop van het postkantoor aan het ’s Gravenhof maakte ruimte voor de uitbreiding van het stadhuis en op het voormalige Slijkbolwerk verrees nieuwbouw op de plaats van het oude Huis van Bewaring. 

900-1150
1150-1300
1300-1600
1600-1850
1850-1940
1940-heden

Introductie

In het kader van de duurzame ontwikkeling van de binnenstad worden door de gemeente Zutphen momenteel plannen voorbereid voor de zuidelijke stadsrand. Met het project  de ‘Poort van Zuid’  moet de zuidelijke entree van de stad de komende jaren verder vormgegeven worden. De ‘Poort van Zuid’ bevat verschillende programma’s zoals de herinrichting van het ’s Gravenhof met het oog op de opening van het Hof van Heeckeren, een kwaliteitsimpuls aan de Houtwal en de ontwikkeling van de Vispoortgrachtbrug.

Een cultuurhistorische analyse moet op concrete wijze inzichtelijk maken op welke wijze de ruimtelijke structuur van het gebied tot stand gekomen is en welke kwaliteiten een belangrijke rol kunnen spelen bij nieuwe ingrepen. Het onderzoeksgebied beslaat een ruim gebied en sluit aan de westzijde aan bij het onderzoeksgebied ‘Rivier in de Stad’, waarvoor in 2013 door ARCX een cultuurhistorische analyse is opgesteld.  De resultaten van het onderzoek moeten niet alleen inzicht geven in de aanwezige cultuurhistorische waarden, nadrukkelijk is het ook gewenst dat de resultaten inspiratie opleveren voor de verschillende plannen die in ontwikkeling zijn. 

Gestart is met een inventarisatie van de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied tussen het ontstaan van de ringwalburg in de 9e eeuw en heden. Op grond van bestaande gegevens zijn voor een zestal perioden de veranderingen van lijnen, structuren en bebouwing schematisch vastgelegd. Een aantal representatieve historische vensters lichten in de vorm van een tijdlijn de belangrijkste veranderingen toe. 

Vervolgens is door een uitgebreide veldverkenning de huidige omgeving geanalyseerd met als doel de bestaande ruimtelijke karakteristieken te benoemen. De belangrijkste nog aanwezige structuren, relaties en de samenhang daartussen zijn op hoofdlijnen inzichtelijk gemaakt via een faseringskaart. 

Het onderzoek is door ARCX in co-productie uitgevoerd met SB4 Bureau voor Historische Tuinen, Parken en Landschappen uit Wageningen en Belfort cultuurhistorie en monumenten uit Doetinchem. De periode van uitvoering was februari-april 2017.

De inventarisatie en de waardering zijn gebaseerd op de huidige verschijningsvorm van de stad en de kennis van dit moment. Deze grootheden kennen ieder hun eigen dynamiek, hetgeen betekent dat voor een juiste weergave het kaartbeeld mee zal moeten veranderen door gegevens en ruimtelijke veranderingen te actualiseren.

Advies en waardering

Op bijgaande faseringskaart is van de nog bestaande dominante structuren in het onderzoeksgebied de periode van ontstaan weergegeven. Deze kaart laat een duidelijke tweedeling zien; de ruimtelijke ontwikkeling binnen en buiten de middeleeuwse stadsmuur is op verschillende wijze verlopen. 

Met de bouw van de ringwalburg in de 9e eeuw is al heel vroeg de stedenbouwkundige ‘footprint’ van het huidige stadscentrum vastgelegd. Deze hoofdstructuur, die gedomineerd wordt door de vorm van de voormalige omwalling en grachten, is nog steeds aanwezig in de vorm van de huidige markten. Het gebied kent een hoge continuïteit in het stratenverloop en de zeer herkenbare open ruimten rondom de Walburgkerk en het ’s-Gravenhof. De percelering en een belangrijk deel van de huidige bebouwing is ontstaan in de late middeleeuwen.

De hoofdstructuur van het gebied buiten de middeleeuwse stadsmuur ten zuiden van de middeleeuwse stad is bepaald door de westwaartse verlegging van de ter plaatse stromende  IJssel in de 14e eeuw en de aanleg van een uitgebreid verdedigingsstelsel met aarden wallen en grachten in het begin van de 17e eeuw. Pas na het opheffen van de vestingstatus in 1874 is het gebied bebouwd. Aanvankelijk was de bebouwing geconcentreerd langs op de plek van de hoofdwal aangelegde groene singels en aan de Vispoorthaven. Later is op weinig samenhangende wijze ook de rest van het gebied met bebouwing ingevuld. Hierdoor is de doorgaande structuur en de opbouw in de diepte van de voormalige vestingwerken sterk aangetast en vertoont het gebied weinig continuïteit en samenhang. 

Het tracé van de (gedeeltelijk nog bestaande) middeleeuwse stadsmuur vormt een scherpe grens tussen de middeleeuwse stad en het voormalige vestingterrein. Deze grens wordt in historische zin nog verscherpt door het feit dat de Vispoort vanaf het ’s-Gravenhof aanvankelijk alleen toegang gaf tot een kade aan de IJssel. Later liep hier een weg die langs de contre escape het vestingterrein ontsloot. De zuidelijke hoofdpoort van de stad lag ter hoogte van de Zaadmarkt en deze route werd later via de Pelikaanstraat verlegd naar de Spittaalstraat. 

De waardering van het gebied is binnen en buiten de stadsmuur is daarom separaat uitgewerkt voor het deelaspect (gebruiks)historie en op de schaalniveaus van structuren en objecten. 


binnen de stadsmuur

(gebruiks)historisch

  • Het ’s-Gravenhof is van belang vanwege de directe verwijzing naar de bestuurlijke en economische betekenis van de graven van Zutphen voor de ontwikkeling van de stad.
  • Het voormalige immuniteitsgebied is van belang vanwege de herkenbaarheid van de groei en betekenis van het kapittel tot aan de reformatie. Het voormalige kerkhof rondom de kerk is van betekenis als begraafplaats voor burgers van Zutphen.
  • Het ’s-Gravenhof en het Kerkhof zijn verder van belang als oorspronkelijk niet publiek toegankelijke ruimten met een daarbij behorende eigen karakter en identiteit. 

structuren

  • Het huidige stratenverloop is van belang vanwege de goede herkenbaarheid van de middeleeuwse oorsprong daarvan.
  • De middeleeuwse stadsmuur en de daarin opgenomen torens en poorten zijn van belang vanwege de afleesbaarheid van de ruimtelijke ontwikkeling en historische verdediging van de stad.
  • De hoofdvorm en percelering van de huizenblokken zijn van belang vanwege een grote gaafheid en een ontstaan in de late middeleeuwen.
  • de voormalige open ruimten rondom de kerk en van het grafelijke hof zijn van belang vanwege de bewaard gebleven begrenzing in de vorm van de representatieve woonbebouwing van adel en geestelijkheid. 

objecten

  • Latere invullingen met nieuwbouw voegen zich voor het merendeel op organische wijze in het bestaande stedelijke weefsel, zoals het stadhuis aan de Lange Hofstraat, de naoorlogse uitbreiding van het stadhuis aan het Kerkhof en het huizenblok uit de wederopbouwperiode aan het ’s-Gravenhof.
  • Het gebied bevat geconcentreerd op en om het ’s-Gravenhof een groot aantal monumentale (beschermde) gebouwen met een bijzondere functie of betekenis die historisch, stedenbouwkundig, architectuurhistorisch en bouwhistorisch van belang zijn. De belangrijkste zijn: St. Walburgiskerk, stadhuis, Hof van Heeckeren, Huize van de Kasteele, Proosdij, voormalige Gymnasium, stadsmuur, Bourgonjetoren, Drogenaptoren. Daarnaast moeten ook de ondergrondse resten van de voormalige tufstenen aula op het ’s-Gravenhof genoemd worden. 


buiten de stadsmuur

(gebruiks)historisch

  • De bewaard gebleven vestingwerken zijn van belang vanwege hun betekenis voor de verdediging van de stad en de Republiek in de 17e, 18e en 19e eeuw. 
  • De Houtwal is van belang vanwege de ontwikkeling van de houthandel en               -industrie op deze locatie. 
  • De Vispoorthaven is van belang vanwege de verwijzing naar de rivierhandel en transport vanaf de 14e eeuw. 

structuren

  • Hoewel op een aantal punten sterk aangetast door een gewijzigde infrastructuur en/of nieuwbouw zijn de voormalige vestingwerken (bastions, grachten, hoornwerken, bedekte wegen etc.) van belang als structuurbepalende ingrediënten van het gebied.
  • De aan het eind van de 19e eeuw tot singels getransformeerde bastions en courtine’s van de hoofdwal zijn in de vorm van Martinetsingel en Tademasingel van belang vanwege de herkenbaarheid van de vestingwerken en vanwege de bijdrage aan een groene parkachtige singel rond de binnenstad. 
  • De Houtwal is van belang vanwege het ondergeschikte karakter als voormalige ontsluitingsweg van het voormalige vestingterrein.

objecten

  • Langs de 19e eeuwse singels treffen we hoogwaardige en bijzondere (beschermde) bebouwing aan in de vorm van de rechtbank aan de Martinetsingel, de voormalige vrouwenvakschool aan het Vispoortplein en de school aan de Tademasingel.
  • Met name langs de Houtwal is na 1945 indifferente bedrijfsbebouwing ontstaan die weinig kwaliteit toevoegt. 


ambitie
Op grond van bovenstaande waardering is het voor het noordelijke deel van het onderzoeksgebied, de oude stad binnen de stadsmuren, voor de hand liggend om bij toekomstige veranderingen vooral in te zetten op behoud en consolidatie van de bestaande situatie. Het voormalige grafelijke hof en het immuniteitsgebied rondom de kerk vormen van oudsher afzonderlijke, omsloten en niet publieke ruimten. Deze afsluiting is door de tijd achterhaald maar geeft wel aanleiding om de specifieke eigen identiteit van deze gebieden te versterken. 

Behoudens langs de Martinet- en de Tademasingel is de hoofdstructuur van het voormalige vestingterrein sterk aangetast. De betekenis van en de onderlinge samenhang tussen de verschillende onderdelen is door latere veranderingen slecht herkenbaar. Bij toekomstige veranderingen is het aan te bevelen om met name de samenhang en de betekenis van de vestingwerken als geheel te versterken en daarbij de Houtwal een plek te geven die daarin past.