50 voor Chr.-200
×

50 voor Chr.-200

Meer afbeeldingen


Cultusplaatsen uit de late ijzertijd en vroeg-Romeinse tijd
Bij de opgravingen kort na de Tweede Wereldoorlog werden in de door brand verwoeste kerk de fundamenten gevonden van twee Romeinse tempels uit de 1e en 2e eeuw na Chr. [Glazema 1951; Bogaers 1955]. Uit dit onderzoek en uit aanvullende opgravingen in de jaren 2002 en 2003 blijkt dat de tempels voorafgegaan worden door een of twee cultusplaatsen uit de late ijzertijd en de vroeg-Romeinse tijd [Derks e.a. 2008]. Deze locatie was dus lang voor onze jaartelling al ingericht voor de religieuze verering van een specifieke godheid.

Vermoedelijk ging het hierbij om een openluchtheiligdom: in de periode tussen ongeveer 50 voor en 50 na Chr. was er nog geen sprake van een gebouw maar van een niet-overdekte heilige plaats waar vooral jongvolwassen runderen werden geofferd. Hun vlees werd vervolgens gegeten tijdens grote religieuze bijeenkomsten, en de botten van niet-vleesrijke delen verspreid over het terrein waardoor een dichte bottenlaag ontstond. Een onderdeel van een zwaard uit de Late IJzertijd dat in een smalle greppel onder de bottenlaag werd gevonden, duidt mogelijk op het bestaan van een nog ouder heiligdom op deze plaats. Soortgelijke zwaarden werden als offer in de Maas bij Kessel-Lith geworpen in de tijd van de Gallische oorlogen (58-52 voor Chr.), toen Julius Caesar stammen in het zuiden van het huidige Nederland onderwierp.

Bouw van de twee tempels
In de tijd tussen 50 en 100 na Chr. werd een stenen tempel opgetrokken op het terrein. Dit rechthoekige gebouw was 11,6 bij 8,7 m groot en had een vloer van cement met dakpangruis. Rond het jaar 100 werd deze eerste tempel vervangen door een veel groter exemplaar met een zuilengang rondom: een zogenaamde Gallo-Romeinse omgangstempel. Met zijn omvang van 30,95 bij 23,1 m hoort deze tempel tot de grootste in zijn soort. Het gebouw bestond uit een torenachtige kern met daaromheen een overdekte zuilengang op een 1,2 m hoog podium. Het podium was aan de zuidkant toegankelijk via een trap over de gehele breedte van de tempel. De kalkstenen zuilen waren voorzien van rijk versierde bekroningen (kapitelen).

Binnenin het alleen voor priesters toegankelijke kerngebouw, waar een levensgroot beeld van een godheid stond opgesteld, waren de muren versierd met kleurrijke schilderingen. Uit opgravingen van Romeinse tempels in het buitenland is bekend dat op het podium votiefstenen tentoongesteld werden; rechthoekige kalkstenen met de vorm van een offertafel die voorzien waren van een ingebeitelde tekst. Hiermee werd getoond dat een afgesmeekte gunst was beloond door de godheid. De steen vormde een voor ieder zichtbare getuigenis dat de gelovige zijn gelofte (meestal het beschikbaar stellen van een offerdier) had ingelost. Deze offers werden niet in de tempel verricht, maar op het plein ervoor, op een stenen altaar. Niet-eetbare zaken die geofferd werden, zoals munten, sieraden en militaire uitrustingsstukken, werden in sommige gevallen verzameld in kuilen op het te terrein [Roymans & Derks 1994]. 

Het tempelterrein was van de omgeving afgeschermd door een muur, maar omdat hiervan nog maar kleine delen zijn blootgelegd is niet bekend hoe groot dit was. Duidelijk is dat het tempelterrein in het noorden grensde aan een waterloop die tot ver in de vroege middeleeuwen is blijven bestaan. Aan de westkant van het tempelterrein liep de Romeinse weg van Nijmegen naar Driel. De huidige Grote Molenstraat volgt in grote lijnen het tracé van deze weg. In Driel bereikte de weg de Rijn, de noordelijke grens van het Romeinse rijk. 

Elst in de Romeinse tijd
Over het aanzien van Elst in de Romeinse tijd is nog maar weinig bekend. Langs de Dorpsstraat, enkele honderden meters westelijker, stond in de 2e eeuw nog een groot stenen gebouw; een uitzondering in een tijd dat op het platteland vrijwel uitsluitend in hout en leem werd gebouwd. Ook dit zal langs een weg gestaan hebben, haaks op de andere.

Sommige onderzoekers denken dat Elst een vicus was, een dorpachtige wegnederzetting met enkele publieke functies en enige handel. Een andere, veel kleinere tempel (14,2 x 13,2 m), is ruim 500 m naar het oosten opgegraven [Van Enckevort 2007]. Deze had mogelijk geen directe relatie met de Romeinse nederzetting in het centrum van het huidige Elst. Toch is het opvallend dat hier twee cultusplaatsen uit dezelfde periode zo dicht bij elkaar lagen. Naast de ligging van Elst op een knooppunt van Romeinse wegen, lijkt er sprake van een religieus centrum van regionale betekenis. Zo is wel eens geopperd dat ook het gebouw langs de Dorpsstraat deel uitgemaakt zou hebben van het tempelcomplex onder de Grote kerk (Van Es 1981, 197). 

De tempels in het licht van de Romeinse Limes
Een in de omgeving gevonden fragment van een votiefsteen geeft de naam van de aanbeden godheid prijs: Hercules Magusanus, en op het tempelterrein zelf is een van zijn vaste attributen gevonden: een knots die onderdeel was een klein bronzen Herculesbeeldje. Dergelijke ‘dubbelgoden’ waarbij de naam van een inheemse godheid vertaald werd in en verbonden aan de naam van een god uit het Romeinse godenspectrum, zijn meer bekend uit de Romeinse provincies. Hercules Magusanus was de belangrijkste god die in deze streken vereerd werd in de Romeinse tijd en mag gezien worden als de hoofdgod van de Bataven, de inheemse stam die in de late ijzertijd en Romeinse tijd de Betuwe en omgeving bevolkte. Hercules werd gezien als beschermer van vee en vooral als oorlogsgod, eigenschappen die nauw aansloten bij de waarden van de Bataafse stam.

De Bataven waren een belangrijke leverancier van hulptroepen aan het Romeinse leger langs de Rijn. In de 1e eeuw na Chr. leverden ze ongeveer 5000 soldaten, een buitengewone opgave gezien de relatief kleine omvang van de bevolking, die een grote weerslag gehad zal hebben op de gemeenschap. De Bataafse opstand van 69 en 70 na Chr., die door de Romeinen bloedig werd neergeslagen, maakte een voorlopig einde aan de stationering van Bataafse soldaten in hun eigen stamgebied. Onmiddellijk daarna streek het Tiende Legioen neer in een nieuw legerkamp in het oosten van Nijmegen, waar het ruim 30 jaar lang de regio onder controle hield.

De herbouw van het heiligdom rond het jaar 100 tot een Gallo-Romeinse omgangstempel van ongekende omvang lijkt samen te hangen met uitgebreide restauratiewerkzaamheden aan de rijksgrens in de Neder-Germaanse provincie. Zo werd de grensweg langs de Rijn hersteld, nieuwe mijlpalen (Romeinse wegwijzers) opgericht en kreeg de hoofdstad van het Bataafse gewest (Ulpia Noviomagus, Nijmegen-west) een facelift. In Elst zelf werd niet alleen de grote tempel herbouwd, ook de omheiningsmuur langs het water werd (opnieuw?) opgetrokken.

In precies deze tijd werden bovendien het gebouw langs de Dorpsstraat opgericht en de kleine tempel in het oosten, die voordien van hout was, werd vervangen door een stenen omgangstempel met een monumentale uitstraling. Verschillende onderzoekers denken dat de bouwwerkzaamheden niet alleen bedoeld waren om de grens te versterken, maar tevens om de integratie van de Bataven in het Romeinse rijk te bevorderen. In dat licht wordt ook de monumentale herbouw van een belangrijk Bataafs heiligdom begrijpelijk. De werkzaamheden moeten zijn uitgevoerd door de soldaten van het Tiende Legioen en gefinancierd door de Romeinse staat op last van Keizer Trajanus die in juist in deze jaren langs de Rijn verbleef. Wellicht leverden ook personen uit de bovenlaag van de Bataafse samenleving, met name bestuurders van de stad Ulpia, een financiële bijdrage aan de herbouw van de grote tempel [Van Enckevort 2007, 112-113; Derks e.a. 2008].

Continuiteit
Brandsporen op een groot aantal architectuurfragmenten van kalksteen laten zien dat de tweede tempel onder de Grote Kerk door brand verwoest is. Dit moet gebeurd zijn rond of kort na het jaar 200, want duidelijke vondsten uit de 3e eeuw na Chr. ontbreken op het terrein. Gezien de standplaats van de vroegmiddeleeuwse kerken precies bovenop de fundering van de Romeinse tempel uit de 2e eeuw wordt wel eens aangenomen dat er sprake moet zijn van een ononderbroken gebruik als heilige plaats tussen ongeveer 200 en de ingebruikname van de eerste kerk na 726. Daarvan blijkt echter niets uit de opgravingen: structurele resten uit die periode ontbreken volledig, en er is slechts een enkele aardewerkscherf bekend uit de tijd tussen 550 en 700. Deze scherf laat weliswaar zien dat de locatie door mensen is bezocht in de Merovingische tijd, maar niet dat de plaats in gebruik bleef als heiligdom. Bij de bouw van de kerk viel de keuze destijds waarschijnlijk op deze locatie vanwege de strategische ligging, de mogelijkheid om bouwmateriaal uit de Romeinse ruine te betrekken en de (foute) aanname dat het daarbij om de resten van een Romeins fort ging (zie verder venster 726). 

726
×

726

Meer afbeeldingen


De oudste kerk in Elst
Op de ruïnes van de voormalige Romeinse tempels werd in de 8e eeuw een romaanse kerk gebouwd. De datering van de bouw van de oudste kerk wordt gekoppeld aan een schenkingsakte uit 726. De akte vermeldt de schenking van de voormalige domeingoederen van Everhard in Marithhaime (Elst) door Karel Martel aan de Salvatorskerk. Waarschijnlijk gaat het hierbij om de Salvatorskerk in Utrecht, de kathedraal van Willibrord. Interessant is dat de schenkingsakte uit 726 vermeldt dat het geschonken goed lag op de plaats ubi castrum fuit; ‘waar voorheen een legerplaats had gestaan’. Omdat in Elst en de directe omgeving hiervan geen Romeins fort bekend is, kan worden aangenomen dat hiermee inderdaad de standplaats van de nadien opgetrokken kerk wordt bedoeld. Ook wordt dan duidelijk waarom juist deze locatie in handen van de Frankische koning Karel Martel is geraakt en aan Willibrord is geschonken. 

Strijd tussen de Franken en de Friezen
In de slag bij Dorestad, rond 695, won de Frankische koning van de Friezen de heerschappij over het Nederlandse rivierengebied. Hofmeier Pepijn van Herstal en zijn opvolger Karel Martel claimden vervolgens een reeks strategische plaatsen langs de Rijn en schonken delen daarvan aan de prille Utrechtse kerk om als steunpunt voor missiewerkzaamheden te dienen. Van een aantal plaatsen is duidelijk dat er kort daarna een kerk gesticht moet zijn. Opmerkelijk is dat van bijna al deze locaties bekend is dat ze in de Romeinse tijd als legerplaats dienden, veelal zonder dat er sprake is van bewoning tussen het einde van de Romeinse tijd en het begin van de Frankische heerschappij. De verklaring hiervoor is dat alle Romeinse forten langs de Rijn in de loop van de 2e eeuw zijn herbouwd in steen. Ze raakten aan het einde van de 3e eeuw in verval, maar de meeste zullen als ruïne nog eeuwenlang in het landschap zichtbaar zijn gebleven. 

De Franken kozen juist die ruïnes uit als steunpunt in hun strijd tegen de Friezen, die zich aan de overzijde van de Rijn hadden teruggetrokken, omwille van hun strategische ligging, de beschikbaarheid van bouwmateriaal en om zichzelf te profileren als erfopvolgers van de Romeinse keizers. Het is dus begrijpelijk dat Karel Martel de ruïne van de grote tempel in Elst aanzag voor een voormalige Romeinse legerplaats en deze, net als elders langs de Rijn, deelde met de eerste bisschop van de Utrechtse kerk [Halbertsma 2000, 208; Derks 2008, 142; Verhelst 2015]. 

De bouw van de pre-romaanse kerk zou in dat geval hebben plaatsgevonden na de schenking uit 726, toen Willibrord zijn metgezel Werenfried naar Elst zond. Deze theorie wordt ondersteund door sporen en vondsten van begravingen na opgravingen op het voormalige kerkhof en in de kerk in 2002-2003. Waarschijnlijk is men meteen na de stichting van de kerk met begraven (in en buiten de kerk) begonnen. De oudste graven van de begraafplaats dateren uit de 8e of 9e eeuw. De begraafplaats strekte zich oorspronkelijk uit tot achter de huizen aan de zuidzijde van de Sint Maartenstraat. 

Materiële overblijfselen
Van de oudste kerk is slechts een klein deel van het muurwerk en de fundamenten aangetroffen. De stenen van de tempelruïne zijn bij de bouw van de kerk op grote schaal hergebruikt. Het opgaande werk is uitgevoerd als kistwerk, bestaande uit een kern van specie, tuf, kwartsietstenen, grind en tegelfragmenten en een ‘bekleding’ van stukken tufsteen, kwartsieten en tegels. Op basis van de vondsten kan aangetoond worden dat het om een oost-west georiënteerde zaalkerk ging, met een versmald en rechtgesloten koor. In het koor zijn tevens fundamenten opgegraven waar zeer waarschijnlijk een altaar op heeft gerust. De breedte van het schip van de oudste kerk is gelijk aan die van de hoofdbeuk van de huidige, gotische kerk. Vergelijkbare smalle zaalkerken met gesloten koor zijn in Nederland tot in de 13e eeuw gebouwd. 

918-1085
×

918-1085

Meer afbeeldingen


Bouw van een romaanse kerk met crypt, 'buitencrypt' en priesterkoor
De oudste kerk is waarschijnlijk in de 10e eeuw vergroot en verbouwd. De aanleg van de crypt en de bouw van de romaanse kerk houdt zeer waarschijnlijk verband met de heiligverklaring van St. Werenfried door Balderik (bisschop van Utrecht in 918-975). Het ligt voor de hand dat voor de verering van de relieken een crypt wordt gebouwd. Er zal een sarcofaag met de overblijfselen van de heilige hebben gestaan. Het toeschrijven van de vernieuwing van het kerkgebouw in deze periode wordt hoofdzakelijk onderbouwd door de ‘steen van Balderik’. Deze steen van kalksteen met inscriptie (met daarop de naam Baldrico) werd in 1857 bij herstelwerkzaamheden gevonden. De plaat heeft vermoedelijk primair gediend ter bekleding van het podium van de tweede tempel en is in de middeleeuwen hergebruikt.

De romaanse kerk heeft in haar meest uitgebreide vorm bestaan uit een eenbeukig schip, een aangebouwde crypt en een buitencrypt, met boven de eerste crypt een romaans priesterkoor. Aan de westzijde van de kerk heeft hoogstwaarschijnlijk een toren gestaan. De crypt was vanuit het schip van de kerk toegankelijk via twee doorgangen met trapjes [ Bogaers 1955, 207; Ter Kuile 1952, 55} . De balkgaten in het bewaard gebleven deel van de noordmuur van de crypt, geven aan dat deze overdekt moet zijn geweest met een houten balklaag. In deze muur zijn ook zeer smalle vensters te zien, die tot de oudste fase van de crypt horen. Later zijn deze vensters dichtgezet en vervangen door een kleiner aantal grotere vensters.

Het is onduidelijk of de romaanse kerk in de oorspronkelijke opzet al een priesterkoor en een buitencrypt heeft gehad, of dat het hier om verschillende bouwfasen gaat. De bouw van het priesterkoor wordt ook wel gerelateerd aan de stichting van het kapittel of de proosdij van Elst, met acht kanunniken en een proost aan het hoofd. De twee rijen met pijlers die de oorspronkelijke crypt in drieën deelt, zouden in dat geval geplaatst kunnen zijn bij de (latere) overbouwing van de crypt met een koor. Het plaatsen van de pijlers zou de ruimte vervolgens mogelijk minder geschikt hebben gemaakt voor de verering van het gebeente van Werenfried. Dit zou een reden geweest kunnen zijn voor de bouw van een achtercrypt. Deze zou wel altijd als ‘buitencrypt’ gefunctioneerd hebben. De relieken van Werenfried zouden in de periode van de romaanse kerk tot aan de reformatie in het westelijk deel van de buitencrypt gelegen hebben. Het is echter zeker niet ondenkbaar dat de pijlers kort na of al tijdens de bouw van de crypt gebouwd zijn. Daarnaast is ook de stichtingsdatum van het kapittel onbekend. Deze moet reeds in 1085 bestaan hebben, maar kan al daarvoor zijn opgericht [Bogaers 1955, 215-221]. Het eind van de 11e eeuw vormt daarom een uiterste datering voor een aanzienlijke en belangrijke romaanse kerk in Elst, die verbonden was aan een kapittel en waar de overblijfselen van St. Werenfried vereerd werden. 

Van deze romaanse kerk resteren onder het koor een deel van de tufstenen noordmuur van het koor en muurwerk/fundamenten van de crypt en buitencrypt. Na de verwoestingen in 1944-’45 kwamen deze sporen aan het licht en konden zij gedocumenteerd worden. In de noordmuur van de crypt waren (sporen van) negen smalle vensters zichtbaar, waarschijnlijk onderdeel van twaalf op een rij. Aan de buitenzijde (sacristiezijde) werden deze vensters afgesloten met lateien. De grotere vensters die de smalle vensters later hebben vervangen, werden aan de buitenzijde afgesloten door tufstenen bogen. Van het romaanse koor waren recht boven de vensters van de crypt, sporen te zien van drie rondboogvensters (onderdeel van een reeks van vier). Het natuurstenen metselwerk van het romaanse koor reikte tot aan de bovenzijde van deze vensters. Opgaand tufsteenwerk bleek tenslotte ook tot aanzienlijke hoogte (10.60 meter boven de huidige betonvloer) verwerkt te zijn in de gotische triomfboog tussen schip en koor, die na 1945 gesloopt werd. In de basis zal deze boog deel uitgemaakt hebben van de romaanse kerk. [Ter Kuile 1952, 58-62].

1300-1400
×

1300-1400

Meer afbeeldingen


Bouw van de sacristie en de 'doopkapel'
In de 14e eeuw wordt aan de noordzijde tegen het romaanse koor een bakstenen sacristie gebouwd. Omdat het romaanse koor destijds nog functioneerde, bleef de noordmuur hiervan bewaard. De sacristie is voorzien van een kelder met tongewelf. Het huidige bouwwerk is na 1945 grotendeels opnieuw opgetrokken. Op zolderniveau is in het metselwerk van de zuidmuur van de sacristie nog de daklijn van het oorspronkelijke gebouw te zien. Hieruit valt af te leiden dat het dak van de oorspronkelijk sacristie haaks georiënteerd was op het dak van het koor. Vanuit het koor was er een toegang naar de sacristie. Na 1945 kwamen meerdere toegangen vanuit het koor naar de sacristie aan het licht. Door de bouw van het gotische koor kwam het vloerniveau van het koor ongeveer een meter lager te liggen, waardoor de locatie en hoogte van de deur naar de sacristie aangepast moest worden. Voor de scheve stand van de noordmuur van de sacristie is vooralsnog geen bevredigende verklaring gevonden. 

Nog voor de bouw van het gotische schip in de 15e eeuw, is tegen het romaanse schip een (doop)kapel gebouwd. Deze heeft tussen het zuiderportaal en het koor gestaan en is na de brand in 1701 afgebroken. Verschillende bouwsporen wijzen er op dat bij het optrekken van de zuidmuur van het gotische schip, rekening is gehouden met de aanwezigheid van een bestaande aanbouw. Tot de voormalige linker steunbeer van de kapel is onder de dakrand een tufstenen boogfries aangebracht en sluit een tufstenen plint aan de onderzijde aan tot aan de waterlijst. De spitsboogvensters zijn tot hier ook voorzien van natuurstenen neggeblokken. Rechts naast de linker steunbeer van de kapel is de afdruk van een verdwenen steunbeer zichtbaar. Deze volgde het ritme van de traveeën van het gotische schip. Als de bouw van het gotische schip en de kapel tot één bouwfase behoren, of in het geval dat de kapel later zou zijn toegevoegd, zou deze tussen twee steunberen geplaatst zijn. Er is echter voor gekozen om een bestaande kapel te laten staan en het ritme van de steunberen van de gotische kerk hier doorheen te zetten. Van de exacte ouderdom of vormgeving van de kapel is niets bekend. Bij archeologisch onderzoek zijn wel de contouren van de nagenoeg vierkante kapel blootgelegd.

1400-1450
×

1400-1450

Meer afbeeldingen


Vernieuwing van het koor
De transformatie van een romaanse kerk tot gotische kerk heeft vaak plaatsgevonden in meerdere bouwfasen. In de hele Betuwe zijn van dit proces diverse voorbeelden te vinden, waarbij in veel gevallen eerst het koor vernieuwd is. Een vergelijkbare ontwikkeling heeft ook de kerk in Elst doorgemaakt. Op de naoorlogse foto van de triomfboog is te zien dat de bakstenen top één keer verhoogd is. De voet van de laagste daklijn geeft mogelijk de goothoogte van de romaanse kerk aan. De bouw van een nieuw gotisch koor omstreeks 1400 moet de aanleiding zijn geweest voor de verhoging. Tegelijkertijd wordt aan de noordzijde van het koor tegen de sacristie een traptoren opgetrokken, om de kap van het koor toegankelijk te maken. Er is in deze periode dus sprake van een éénbeukig romaans schip (met waarschijnlijk een romaanse toren), een doopkapel, een gotisch koor met traptoren en een 14e-eeuwse sacristie. De bouw van het gotische koor betekende de afbraak van het oostelijk deel van de buitencrypt. Het westelijk deel van deze crypt zou van buitenaf toegankelijk zijn gebleven via doorgangen aan weerszijden in het koor. Pelgrims konden zo op efficiënte wijze de crypte bezoeken en weer verlaten. 

 

1450-1500
×

1450-1500

Meer afbeeldingen


Voltooiing van de gotische kerk
In de tweede helft van de 15e eeuw wordt de Grote kerk in Elst in Nederrijnse gotiek voltooid. Het lijkt erop dat eerst de gotische toren van drie geledingen tot stand is gekomen. Vervolgens zal het romaanse schip vervangen zijn door het gotische schip, dat op dezelfde hoogte als het koor werd gebracht. De traptoren werd aan de noordzijde opgenomen in de noordelijke zijbeuk en aan de zuidzijde bouwde men een nieuw portaal dat geheel met tufsteen bekleed werd. Het jaartal 1484 boven de zuideringang geeft waarschijnlijk de datering van de voltooiing van de gotische kerk aan. Zowel het schip als het koor zijn oorspronkelijk overdekt geweest met netgewelven. Omdat de doopkapel gespaard werd, moest om de kapel heen gemetseld worden. Men was wel gedwongen vast te houden aan de traveemaat van het gotische schip. Naast de bestaande linker steunbeer van de kapel werd daarom in de kapel een tweede steunbeer geplaatst, als tegenhanger van de schalk (of colonnet) aan de binnenzijde, om daar de kracht van het gewelf op te vangen. 

 

1588
×

1588

Bekijk afbeelding


Reformatie in Elst
In 1588 werd de kerk in Elst geplunderd en werd het grootste deel van de relieken van St. Werenfried op het voorplein voor de kerk verbrand. De Grote kerk werd vervolgens door de protestanten in gebruik genomen. Vermoedelijk is in de navolgende jaren de crypt gesloten en zijn de toegangen in de noord- en zuidmuur van het koor dichtgemetseld. Of in deze periode ook de verdere afbraak van de crypt en de verlaging van de vloer van het koor zijn uitgevoerd, is niet bekend. Wel moet de vloer van het koor voor 1688 al het ‘vooroorlogse’ niveau hebben gehad, aangezien hier een grafsteen met het jaartal 1688 van de familie van Lynden van de Park lag. J.L.L. Taminiau heeft al in de eerste helft van de 20e eeuw onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de kerk en geeft in zijn werk onder andere een overzicht van de destijds nog aanwezig en zichtbare grafzerken. Onder de steen van de familie van Lynden van de Park bevond zich een grafkelder, waar de leden van de familie in ieder geval vanaf de 17e eeuw zijn bijgezet [Taminiau 1946, 67-68]. Verder is de gehele kerk voorzien geweest van een zerkenvloer. De zerken en bijbehorende graven zijn geruimd na de aanleg van de betonvloer kort na de Tweede Wereldoorlog. 

 

1701
×

1701

Meer afbeeldingen


Verwoesting na brand
In 1701 wordt de Grote kerk in Elst getroffen door brand. De oorzaak en de exacte omvang van de verwoesting van de kerk zijn niet bekend. De doopkapel aan de zuidzijde werd in ieder geval na de brand afgebroken. In de zuidmuur zijn de bouwsporen zichtbaar van enkele balkgaten. Na afbraak van de kapel, zal het achterliggende muurwerk vernieuwd zijn. Bij deze verbouwing moest het bovenliggende metselwerk met balken ondersteund worden. Waarschijnlijk zijn in deze periode ook de gewelven in de kerk vernieuwd. Ter plaatse van de verdwenen kapel maakte men een lager venster. 

 

1900-1940
×

1900-1940

Meer afbeeldingen


Het interieur van de kerk in de eerste helft van de 20e eeuw en de restauratie(s) van de toren
Door het ontbreken van archiefgegevens en bouwtekeningen uit de 18e en 19e eeuw is er weinig tot geen informatie over mogelijke wijzigingen en verbouwingen in deze periode. Taminiau geeft aan dat de kerktoren in 1857 gerestaureerd is, waarbij de toren van haar (beelden)ornamentiek ontdaan is. [Taminiau 1946, 48]. 

In 1925-1928 vond een tweede restauratie van de toren plaats onder leiding van de regionaal bekende architect Hubertus A. Pothoven (1883-1970) uit Amersfoort. Naast zijn werk was hij daar actief als administrerend diaken van de Nederlands Hervormde gemeente [Borggreve 2012, 12]. Pothoven huwde in 1915 met de Oosterhoutse Janna Costermans en werkte nadien veel in de Betuwe. Hij kan beschouwd worden als de huisarchitect van de Nederlands Hervormde gemeente in Elst. Pothoven was eveneens verantwoordelijk voor een plan voor een cathechiseerlokaal in het westelijk deel van de noordbeuk. Ook in het middenschip was de kerkruimte inmiddels geminimaliseerd. De torenruimte en een flink deel van het middenschip was met een schot van de kerkruimte afgescheiden. Tegen dit schot stond het orgel opgesteld [Taminiau 1946, 51]. Onduidelijk is of de plannen voor het cathegiseerlokaal destijds ook gerealiseerd zijn.

De overgebleven ruimte was ingericht voor de protestantse eredienst, met kerkbanken in het oostelijk deel van het schip, in het koor en in het oostelijk deel van de noordelijke zijbeuk. De oriëntatie was mogelijk al sinds de reformatie gericht op de preekstoel, die op de grens tussen koor en schip tegen de zuidmuur stond. De preekstoel wordt omgeven door een dooptuin met houten doophek. In het koor stond één bank dwars tegen de noordmuur en één bank met een luifel, met de rug naar het koor in een tribune-opstelling. Het achterste deel van het koor lijkt afgescheiden te zijn geweest met schotten. Van het interieur uit deze periode bleef niets bewaard door de oorlogsverwoestingen in 1944-’45. 

 

1944-1953
×

1944-1953

Meer afbeeldingen


Verwoesting en wederopbouw
Elst lag in de periode van september 1944 tot april 1945 in de frontlinie tussen de Duitse bezetters en de geallieerde strijdmacht. Van 22 tot 24 september werden kerk en toren herhaaldelijk door Engels granaatvuur getroffen en vanaf 25 september tot april 1945 werd het dorp door de Duitse troepen beschoten. Op 1 oktober 1944 werd de kerk grotendeels door brand verwoest. Het centrum van Elst en een groot deel van de bebouwing in de directe omgeving lagen in puin. Na de verwoestingen en het puinruimen stond het gemeentebestuur voor een enorme wederopbouwopgave, in een tijd van schaarste in materiaal en arbeidskrachten [Mentink 1976, 25-26]. De wederopbouw werd centraal aangestuurd (en voor een deel gefinancierd) vanuit het Rijk en het streekbureau wederopbouw Over-Betuwe. In de periode 1947-1953 vond de restauratie/wederopbouw van de kerk plaats. De stuwende kracht achter het herstel was predikant ds. Plooij. Het kerkbestuur schakelde opnieuw de hulp in van architect Pothoven, die inmiddels samen met zijn zoon Gesienus het architectenbureau leidde. De uitvoering werd verzorgd door firma T. van Hoogevest, eveneens uit Amersfoort. 

In het voorjaar van 1947 werd door de ROB begonnen met opgravingen in en nabij de kerk. Hierbij werden zoals reeds vermeld resten ontdekt van twee Romeinse tempels en (pre)romaanse voorgangers van de gotische kerk. Na afronding van het onderzoek werden direct plannen gemaakt om de bijzondere vondsten van het archeologisch onderzoek in het zicht te houden en crypten en tempelfunderingen toegankelijk te maken. De restanten werden afgedekt met een nieuwe betonvloer die afgewerkt werd met tegels. Naast het blootleggen van de funderingsresten, ondernam men stappen voor de visualisatie van de vondsten in de vorm van gevulde vitrines en reconstructiemaquettes. Dit proces werd in belangrijke mate ondersteund door de betrokken burgemeester W.M.C. Klijn. 

De omvangrijke restauratie omvatte onder meer het herstel van muurwerk, het vernieuwen van de kapconstructies in eikenhout en beton, het maken van nieuwe kruisribgewelven, het grotendeels opnieuw optrekken van de sacristie en het vernieuwen van de vensters.  Na het herstel van het exterieur en de hoofddraagconstructie kon men een begin maken met het volledig opnieuw inrichten van het interieur van de kerk. Het schip werd ingericht met nieuwe banken, vervaardigd door de firma Van Hoogevest. Door de plaatsing van twee banken in het oostelijk deel van de noordbeuk en tegen de noordmuur van het koor kreeg het bankenplan nagenoeg dezelfde opstelling als voor de oorlog: amfitheatersgewijs gegroepeerd rondom de preekstoel. Deze was afkomstig uit de Hersteld Evangelisch Lutherse kerk in Amserdam en dateert uit 1793. Het koor deed echter voortaan dienst als liturgisch centrum, met de Avondmaalstafel, het doopvont en de bank voor de kerkeraad. Een nieuw trapje gaf toegang tot de voormalige sacristie. Aan westzijde van het schip kwam een nieuwe orgelgalerij te staan. Het front van het orgel werd ontworpen door G. Pothoven, het instrument zelf is van de hand van firma G. van Leeuwen uit Leiderdorp. 

Op 7 maart 1953 kon de Grote Kerk weer in gebruik genomen worden. De toren werd in de navolgende jaren hersteld. Het belang van de succesvolle restauratie van de ruïneuze kerk voor de gemeenschap in Elst was groot. Burgemeester Klijn verwoorde dit tijdens de ingebruikname in 1953 als volgt: ‘De kerk met haar overal in de omgeving dominerende toren behoorde immers aan iedere dorpsgenoot, was iets van hem zelf en toen slechts geblakerde resten overbleven, voelde men dit als een dolksteek recht door het hart. (…) onze oude in het dorpsbeeld zo vertrouwde St. Werferdskerk is weer uit haar as herrezen en staat hier thans als een monument, mooier en fraaier dan vóór haar ondergang in de droeve dagen van de jongste wereldoorlog. (…) Een belangrijk stuk op het gebied van de wederopbouw van onze zo zwaar door de oorlog geteisterde gemeente is hiermee afgesloten’. [De Betuwe, no. 11, vrijdag 13 maart 1953].

50 voor Chr.-200
726
918-1085
1300-1400
1400-1450
1450-1500
1588
1701
1900-1940
1944-1953

Introductie

De Grote Kerk in Elst dateert in haar huidige opzet uit de late middeleeuwen. Bij archeologisch onderzoek is ontdekt dat de kerk gebouwd is op de fundering van een Gallo-Romeinse tempel die in de 8e eeuw opgevolgd werd door een voorganger van het huidige gebouw.  

Op dit moment worden plannen ontwikkeld voor een breder gebruik van deze kerk en een betere ontsluiting van de ondergronds bewaard gebleven resten. De cultuurhistorische waarde van de kerk speelt een belangrijke rol in de planvorming. Vanwege de status van rijksmonument en de archeologisch belangrijke ondergrond worden hoge eisen gesteld aan bouwkundige aanpassingen. Een bouwhistorisch onderzoek moet inzicht geven in de ruimtelijke ontwikkeling van het gebouw, inclusief de daarbij behorende vaste inrichting. De resultaten maken duidelijk waar de bestaande situatie zoveel mogelijk geconsolideerd dient te worden en waar ruimte is voor nieuwe invullingen.

Het onderzoek is begonnen met een inventarisatie en ordening van de bestaande informatie uit de literatuur. Daarnaast is archiefonderzoek uitgevoerd in het Gelders Archief, het archief van de RCE en het archief van de Hervormde gemeente in Elst. Het accent heeft daarbij gelegen op het gebouw en de gebruiksgeschiedenis daarvan.

Een niet onbelangrijk onderdeel van de cultuurhistorische betekenis van de kerk wordt gevormd door de ondergrondse resten die vandaag de dag nog altijd, zij het in beperkte mate, toegankelijk zijn. Om de betekenis hiervan op een goed onderbouwde manier te kunnen presenteren is aan archeologisch adviesbureau RAAP gevraagd om dit deel van het gebouw te beschrijven en te waarderen naar de huidige stand van de wetenschap en in relatie tot andere bekende (Gallo-)Romeinse tempels en -sites in dit deel van het Romeinse Rijk c.q. de Limes. 

Vervolgens is ingezoomd op het gebouw, waarbij op grond van zichtbare bouwsporen en in combinatie met archiefgegevens, de verschillende veranderingen van het interieur en exterieur gedocumenteerd zijn. De op deze wijze ontstane bouwchronologie is chronologisch gerangschikt in een tijdlijn met historische vensters, die ieder een specifiek onderdeel van de bouwgeschiedenis behandelen. Tot slot zijn de bouwfasering en de aanwezige cultuurhistorische waarden van het kerkgebouw in kleur weergegeven op de huidige ondergrond van de kerk. Deze faserings- en waarderingsplattegronden zijn als afbeelding in de rapportage opgenomen en zijn in hogere resolutie als bijlage te downloaden. 

Het onderzoek is door ARCX uitgevoerd in samenwerking met Belfort Bureau voor Cultuurhistorie en Monumenten uit Doetinchem en archeologisch adviesbureau RAAP uit Zutphen. 

Het gebouw is bezocht op 24 mei en 15 juni 2016. Er heeft geen destructief onderzoek plaatsgevonden. 

De directe link naar deze rapportage op de website www.tijdbeeld.com is: http://www.tijdbeeld.com/
 

beschrijving
De Grote Kerk is een tweebeukige kerk, gelegen aan de Grote Molenstraat 2 in Elst. De kerk heeft een driezijdig gesloten koor, een middenschip met noorder zijbeuk en een toren aan de westzijde. Deze is opgebouwd uit twee vierkante- en een hoge achtkantige geleding en wordt bekroond door een korte spits met peervormige bekroning. De toren bevat een klokkenstoel met gelui van drie klokken, waarvan één van G. Schimmel uit 1705 en twee moderne klokken. De kerk heeft een hoog opgaand zadeldak, dat ter hoogte van het koor overgaat in een schilddak. Het dakschild aan de noordzijde overkapt zowel de hoofdbeuk als de noordbeuk. 

Tegen de noordzijde van het koor is een sacristie met diepe kelder met tongewelf gesitueerd en tegen de zuidzijde van het schip staat een gotisch portaal. De noordmuur van het koor wordt voor een deel gevormd door de zijwand van de voormalige romaanse crypt. Onder de kerk liggen, bedekt door een betonnen vloer, de funderingen van twee Romeinse tempels en van oudere voorgangers van de huidige kerk. Deze resten zijn zichtbaar en toegankelijk gemaakt na de restauratie van de kerk kort na de Tweede Wereldoorlog. Deze restauratie was noodzakelijk nadat beschietingen en brand in de periode september 1944 tot april 1945 de kerk in een ruïne veranderden.  

Het onderste deel van de toren en het zuidportaal hebben een bekleding van tufsteen. De tweede geleding van de toren bestaat uit afwisselende lagen baksteen en tufsteen. De bovenste torengeleding is in baksteen opgetrokken met enkele lagen tufsteen. Het muurwerk van het schip, de noordbeuk en het koor bestaat grotendeels uit in staand verband gemetselde baksteen. 

De gehele kerk en toren zijn overkluisd met kruisribgewelven. De kapconstructie van de kerk bestaat uit een beschoten eiken sporenkap van kort na de Tweede Wereldoorlog, ondersteund door gestapelde spanten die rusten op trekbalken met korbeelstellen van beton. Ook de houten muurplaat ligt bovenop een randbalk van beton. 

De kerk bezit een uit 1793 daterende, rijk gesneden en met beelden der Evangelisten op de hoeken versierde preekstoel. Deze is afkomstig uit de Hersteld Evangelisch Lutherse Kerk in Amsterdam. Zie voor een gedetailleerde weergave van de huidige indeling de recente opmeting, die  als bijlage te downloaden is. De buitenruimte rondom de kerk was vanouds ingericht als kerkhof en wordt begrensd door een lage, stenen ommuring.

 

 

Advies en waardering

De Grote kerk in Elst is gebouwd op de plaats van twee Romeinse tempels uit de 1e en 2e eeuw. Op de ruïnes van deze tempels werd in de 8e eeuw een romaanse kerk gebouwd die waarschijnlijk in de 10e eeuw vergroot en verbouwd werd. Voor de verering van de relieken van St. Werenfried  was onder het koor een crypt aangelegd. De romaanse kerk werd in de 14e eeuw uitgebreid met een sacristie en een doopkapel. In de 15e eeuw transformeerde men de kerk tot de huidige gotische kerk en werd de toren gebouwd. Een brand verwoestte in 1701 de doopkapel. Oorlogsgeweld aan het eind van 1944 veranderde de kerk in een ruïne waarvan alleen nog de buitenmuren en de toren overeind stonden. In de periode na 1947 vond een ingrijpende restauratie/wederopbouw plaats. Voorafgaand hieraan verrichtte de ROB grootschalig archeologisch onderzoek in de kerk. De ontdekte funderingen van Romeinse tempels en voorgangers van de huidige kerk  bleven onder de huidige kerkvloer behouden. 

Waardering

De cultuurhistorische waardering van de Grote Kerk is onderverdeeld in een aantal deelwaarderingen. Daarnaast wordt deze voor wat betreft het bovengrondse deel van de kerk visueel gepresenteerd op een ingekleurde waarderingsplattegrond.

algemene historische waarden
De Grote Kerk en de plek waarop deze gebouwd is vormt vanaf de late ijzertijd tot op heden het religieuze centrum van het dorp. In historisch opzicht verwijzen met name de restanten van de voorgangers van de huidige kerk op tastbare wijze naar de opkomst van het christendom in deze streken en het missiewerk dat door (Ierse) predikers in de 8e eeuw verricht is. De bewaard gebleven onderdelen van de crypt en buitencrypt zijn van betekenis vanwege directe verwijzing naar de verering van St.Werenfied en het belang van de kerk van Elst als middeleeuwse bedevaartplaats. 

De wederopbouw van de grotendeels verwoeste dorpskerk van Elst is van belang in de context van de wederopbouw van ons land na de Tweede Wereldoorlog en meer specifiek als voorbeeld van herstel van het belangrijkste historische gebouw in een gebied met grootschalige verwoestingen. De kerk is van betekenis als historisch ‘landmark’ dat destijds de nieuw vorm te geven toekomst op tastbare wijze verbond met het verleden. Als zodanig vertegenwoordigt de kerk een hoge algemene historische waarde. 

stedenbouwkundige waarden
De kerk is niet alleen als historisch gebouw van grote waarde, maar vormt ook in stedenbouwkundig opzicht het voornaamste en meest dominante oriëntatiepunt van het oude centrum. Door de ligging, omvang en grootte ervaart men het kerkgebouw als belangrijkste gebouw van het dorp. Het markeert verder het centrum van de oude dorpsstructuur die bij de naoorlogse wederopbouw een geheel nieuwe gedaante kreeg. De kerk heeft nog altijd een sterke relatie met de direct aangrenzende buitenruimte, die vanouds was ingericht als begraafplaats. De karakteristiek van het kerkhof is in materiële zin behoorlijk gewijzigd maar ruimtelijk nog zeer herkenbaar. 

architectuurhistorische- en bouwhistorische waarden
De bouwgeschiedenis van het bovengrondse gotische deel van de Grote Kerk was tot 1944 nog goed afleesbaar met daarin een aantal dominante perioden. Van het ondergrondse verleden en de voorgangers van de huidige kerk was tot dan toe niets bekend. De gebeurtenissen aan het eind van de Tweede Wereldoorlog hebben deze situatie bijna letterlijk omgedraaid. 

Bij de restauratie/herbouw van de kerk is destijds zoveel mogelijk van het historische muurwerk gespaard, daarbij was het echter ook onvermijdelijk dat grote delen vervangen moesten worden en bouwsporen voorgoed verdwenen. Bijvoorbeeld bij de invulling van de vensters en het realiseren van een nieuwe kap moest gekozen worden voor een homogene en historiserende invulling, veelal met moderne of niet authentieke materialen. 

Bij de noodzakelijke realisatie van een geheel nieuw interieur is gekozen voor een eenvormig bankenplan, georiënteerd op de lengte-as en uitgevoerd in een traditioneel ambachtelijke stijl. Het orgel en de orgelgalerij zijn in hoofdvorm aangepast bij de historische opbouw van het interieur. Dit nieuwe interieur levert desondanks maar een beperkte bijdrage aan de historische beleving van het gereconstrueerde laat-middeleeuwse kerkgebouw. Daarvoor is de inrichting te homogeen, wat nog versterkt wordt door het ontbreken van directe materiële verwijzingen naar het lange kerkelijke gebruik met de daarbij behorende standsverschillen. Daarbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld heren- en magistraatsbanken, rouwborden, grafzerken, een koorafsluiting, kroonluchters, een historisch orgel etc. De herplaatste Amsterdamse preekstoel uit 1793 kan dit gemis maar beperkt compenseren.   

De constructie in gewapend beton van de trekbalken en korbeelstellen van de kapconstructie zijn wel zeer representatief voor de periode van ontstaan. Ook de constructie van de vrijdragende kerkvloer met spoorrails als wapening in de betonbalken is in typologisch opzicht karakteristiek voor de naoorlogse periode waarin een chronisch gebrek aan bouwmaterialen bestond. 

archeologische waarden
Bij archeologisch onderzoek kort na de Tweede Wereldoorlog en in 2002/2003 zijn de unieke resten van twee Romeinse tempels en voorgangers van de huidige kerk blootgelegd en uitgebreid onderzocht. Dat het om een voor Nederlandse begrippen uiterst zeldzaam monument gaat, mag blijken uit het beperkte aantal opgegraven voorbeelden: uit Nijmegen, Maastricht, Aardenburg, Empel, Kessel en Elst zijn in totaal negen van natuursteen opgetrokken tempels bekend.

In het Nederrijnse gebied (Nederland en het aangrenzende gebied langs de Nederrijn in Duitsland) zijn in totaal 30 Gallo-Romeinse omgangstempels opgegraven, waarvan de tweede tempel van Elst veruit de grootste is [Roymans & Derks 1994, 54]. Überhaupt behoort deze tempel tot een van de grootste ten noorden van de Alpen [Derks 2008]. In Nederland zijn alleen de opgegraven resten van een Romeins tempelcomplex onder hotel Derlon in Maastricht toegankelijk. Het betreft daar echter niet het tempelgebouw zelf, maar de voorhof met de voet van een Jupiterzuil.

De resten in Elst zijn verder, met hun resterende hoogte van 3,3 m voor Nederlandse begrippen ongekend gaaf bewaard gebleven. Min of meer vergelijkbaar zijn de funderingen van de haventempel in Xanten (D), waarvan de funderingen enkele meters hoog zijn. Het is daarmee duidelijk dat de resten van de tempels onder de Grote Kerk in Elst op nationaal gebied ongeëvenaard zijn, en bijzonder voor dit deel van Europa. Het feit dat ze ondergronds liggen, doet daar weinig aan af. Voor bovengrondse bewaard gebleven muurwerk uit de Romeinse tijd dient men honderden kilometers zuidelijker te reizen: in Tongeren (B) zijn delen van de Romeinse stadsmuur boven de grond bewaard gebleven, en de dichtstbijzijnde tempelruïnes staan in Autun (F).

De crypt onder het koor uit de 10e eeuw vormt een zeer belangrijke schakel in de bouwgeschiedenis van de Grote Kerk in Elst. Het vereren van de relieken van St. Werenfried was zeer waarschijnlijk de aanleiding tot het vergroten van de kerk en het bouwen van de crypt (en later de buitencrypt). Zichtbare restanten van romaanse crypten zijn in Nederland zeldzaam. Hoewel de belevingswaarde van overwelfde crypten in bijvoorbeeld de Pieterskerk in Utrecht en de Lebuïneskerk in Deventer groter is, zijn de materiële overblijfselen van de crypt Elst zowel archeologisch als bouwhistorisch bijzonder en waardevol. Speciale vermelding verdienen daarbij nog de vermoedelijk 8e-eeuwse sarcofaag en het graf met skelet naast de crypte dat vermoedelijk uit de 10e eeuw dateert. 

Aanbevelingen

Bij het toekomstige (bredere) gebruik van de Grote Kerk in Elst speelt een betere ontsluiting van de ondergronds bewaard gebleven resten een belangrijke rol. Momenteel kunnen deze restanten beperkt bezichtigd worden in een ruimte met beperkte stahoogte en TL-verlichting. Gelet op de internationale allure van de Romeinse tempelresten en het belang van de crypt, zouden hoge eisen gesteld mogen worden aan het zichtbaar maken daarvan. 

Daarnaast is er ook behoefte aan een bij het museum behorende presentatie-, tentoonstellings- of introductieruimte. In de huidige situatie worden voorwerpen van het Tempel/kerkmuseum tentoongesteld in vitrines, die tegen de noordmuur in de noordbeuk staan. Omdat hier ook nog toiletten zijn ondergebracht, wordt de doorloop versmald en is de ruimtebeleving van de noordbeuk beperkt. 

Er vanuit gaande dat het gebruik van de kerk als gebedsplaats voorop staat, volgen hieronder enkele mogelijke scenario’s.

stahoogte en zichtbaarheid

  • Het verhogen van de vloer van het koor. Hierdoor ontstaat in de daaronder gelegen crypt meer stahoogte. Het verdient aanbeveling om hierbij aansluiting te zoeken bij het oudere (gotische) vloerniveau dat enkele decimeters hoger lag. 
     
  • Verdiepen van de vloer in de ruimte waarin de tempelresten liggen. Oudere archeologische resten onder de Romeinse tempels zijn waarschijnlijk reeds verwijderd bij de opgraving in 1947, iets dat met behulp van de opgravingstekeningen ter plaatse geverifieerd zal moeten worden. Naar verwachting is hiervoor echter geen aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk. 
    Onder de fundering van de cellamuren van tempel II bevindt zich een dicht raster van dennenhouten heipalen, die ongeveer 1,5 m lang zijn. De bovenkant van deze palen ligt op 7.60 m +NAP. (ter referentie: de bovenkant van de huidige vloer van het schip ligt volgens de tekeningen van Pothoven op 12.16 m +NAP). Om de exacte diepte, draagkracht en stabiliteit van de Romeinse funderingen vast te stellen is een een afzonderlijk (bouwkundig) onderzoekaan te bevelen. Het is daarbij van belang om mee te wegen dat de palen gevoelig zijn voor rot bij ontgraving of verlaging van de grondwaterstand.
     

toegang en presentatieruimte

  • Het realiseren van één gecombineerde entree naar de ondergrondse ruimten van de tempelresten en van de crypt. Dit zal de totaalbeleving ten goede komen. Voor wat betreft de locatie van de entree zou de zone tussen schip en koor een belangrijke rol kunnen spelen. Hiervandaan was de crypt oorspronkelijk toegankelijk via doorgangen met trappen. Vanuit cultuurhistorisch perspectief is dit de meest wenselijke oplossing, omdat hierbij wordt aangesloten bij de historische samenhang en routing van de ruimten in de kerk.
    De opgravingstekeningen behorend bij het onderzoek van 1947 geven in doorsnede informatie over de bodemopbouw en muurresten in deze zone ongeveer tot aan de onderzijde van de Romeinse funderingen. Om vast te stellen of daadwerkelijk het gehele vlak tot dit niveau onderzocht is, is waarschijnlijk aanvullend archeologisch onderzoek op dit punt noodzakelijk.

    De sacristie zou in dit scenario benut kunnen worden als introductie- of presentatieruimte. Bij handhaving van de presentatieruimte in de noordbeuk, zou aandacht besteed moeten worden aan het herstel van de historische ruimtewerking in de vorm van het vrijmaken van de binnenzijde van de noordgevel en het geven van een eigen ruimte en identiteit van de opstelling van het tentoongestelde materiaal en de in de huidige situatie daaraan gekoppelde  facilitaire ruimten en bergingenen.                                                                       
     
  • Het verbinden van de ruimte met tempelresten met een tentoonstellingsruimte in de kerktoren, via een tunnel en/of een bovengrondse trap/loopbrug. Ook hier zal voor ontgravingen en de toegang tot de tempelkelder mogelijk vooraf archeologisch onderzoek plaats moeten vinden, afhankelijk van de omvang van de opgraving in 1947. De grond onder de toren is destijds tot ongeveer 2 m onder de vloer van het torenportaal ontgraven en onderzocht. Bij het aanleggen van een toegang in de toren is het tevens noodzakelijk om een doorbraak in de torenfundering te maken waaraan in cultuurhistorisch en technisch opzicht beperkingen gesteld zullen worden. 
     
  • Verbinding van de tempelkelder met een tentoonstellingsgebouw aan de overkant van de Sint-Maartenstraat, via een ondergrondse gang. Archeologisch gezien is dit het meest ingrijpende scenario, aangezien hiermee met zekerheid nog niet onderzochte delen van het tempelcomplex en kerkhof verstoord zullen worden. Voorzien wordt dat een tamelijk kostbare opgraving noodzakelijk zal zijn en dat door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed eisen aan zowel onderzoek als de omvang en locatie van de gang gesteld zullen worden. Indien doorgangen gemaakt moeten worden in funderingen, dan zal daar door de Rijksdienst op zijn minst kritisch naar worden gekeken. Voor het behoud van de eikenhouten heipalen onder de cellamuur van tempel II zullen naar verwachting speciale maatregelen getroffen moeten worden. Vanuit het oogpunt van monumentenzorg heeft deze ingreep een grote impact op bestaande cultuurhistorische waarden. Anderzijds kan de opgraving interessante en mogelijk zelfs opzienbarende nieuwe ontdekkingen opleveren, die een bijdrage leveren aan de aantrekkelijkheid van de nieuwe inrichting.