1600-1650
×

1600-1650

Meer afbeeldingen

De vroegste concrete informatie over zitplaatsen in de Grote Kerk dateert van na de Reformatie. Omdat de kerken geen eigendom waren van de gereformeerde kerk, maar als publieke ruimten werden beschouwd, had de magistraat het voor het zeggen voor wat betreft de inrichting van het interieur. In Zwolle werden banken enkel aan collectieve gezelschappen toegewezen en alleen aan corporaties met een ‘stemme in staat’ of lagere ambtelijke groepen. De magistraat hield de inrichting van de kerken met vaste banken en de toewijzing van zitplaatsen in eigen hand. Hierdoor ontstond een strikte maatschappelijke, hiërarchische scheiding. 

In de loop van de 17e eeuw waren de eerste magistraatsbanken verschenen, gevolgd door banken voor de lagere stadsfunctionarissen en andere maatschappelijke groepen. In het middenschip staat tegen een pijler een met snijwerk versierde preekstoel uit 1617-’22, gemaakt door Adam Straes uit Weilburg. De preekstoel staat in een dooptuin, die aan vier zijden is afgezet met een gesneden eiken doophek. De oostelijke helft van dit hek dateert nog uit het begin van de 17e eeuw. Dit geldt ook voor één van de banken achter het doophek. Hier zaten waarschijnlijk destijds leden van de kerkenraad. 

Ook welgestelde particulieren die meenden door hun speciale positie daar recht op tehebben, konden om een aparte bank of plaats vragen. In de loop der tijd kregen bijvoorbeeld oudburgemeesters en oud-secretarissen toestemming om in de herenbanken plaats te nemen. Tot ver in de 17de eeuw waren er behalve voor de leden van de stadsregering en de kerkenraad geen stoelen of banken in de kerk. Het middenschip was grotendeels leeg. De meeste burgers waren genoodzaakt een eigen stoel mee te nemen. [Streng 1997, 282 e.v.]. Deze inrichting is zichtbaar op een tekening van Johannes van Cuijlenburch van het interieur van de St. Michaëlskerk, gemaakt rond het midden van de 17e eeuw. 

 

1687
×

1687

Meer afbeeldingen

De 113,5 meter hoge St. Michaëlstoren werd in de loop van de 16e en 17e eeuw geteisterd door blikseminslagen. Tijdens een zware storm in 1682 bezweek de bouwvallige toren onder haar eigen gewicht. Een deel van het muurwerk en een gedeelte van het orgel werden in de val meegenomen. In de navolgende jaren wordt puin geruimd en moet het westelijk muurwerk en de bekapping van de kerk aan deze kant vernieuwd worden. Rondvliegende brokstukken hadden tevens de preekstoel en de herenbanken beschadigd.

De opgelopen schade vormde de aanleiding om het gehele bankenplan te vernieuwen. Bestekken uit 1687 maken melding van nieuwe herenbanken, meentsliedenbanken, banken voor de officieren der militie, banken 'aan de muure' en de banken ten oosten en westen van het doophuis voor een totaalbedrag van 1383 gulden. [HCO 0700, inv.nr. 1304]. Bij het werk zijn meerdere timmerlieden en beeldsnijders betrokken: Herman(nus) van Arnhem, Gerrit Baver, Albert van Goor en Hendrik van Wan(n)ingen. Van dit 17e-eeuwse bankenplan bleven in de huidige situatie substantiële delen bewaard. 

Heerengestoelte
Het gestoelte van de Heren van de Magistraat is gesitueerd tegenover de preekstoel, tussen de tweede en derde pijler vanaf het orgel. Oorspronkelijk (na 1687) stak dit vak aan de voorzijde een stukje voor de flankerende pijlers uit en was in het midden van het gestoelte een gang uitgespaard.  Het gestoelte moest van voren 29,75 voet (8,60 m) breed en 14,5 voet (4,19 m) diep worden met rondom een omkadering van 5 voet (1,45m) hoog. Van deze opzet bleven in aangepaste vorm vrij veel onderdelen bewaard. Achter de herenbanken werden nog 4 'gemene' banken geplaatst, die niet specifiek aan een bepaalde groep waren toegewezen. 

Meentsliedengestoelte
De banken voor de Meensluiden moesten ten oosten van de herenbanken tussen de pijlers geplaatst worden en 9 voet (2,60 m) diep worden. Het bekleedsel voor het gestoelte telde vijf panelen met een bossing, de beide zijkanten twee panelen. Achter het Meentsliedengestoelte kwamen vijf 'gemene' banken te staan. 

Officieren van de militie
De banken voor de Officieren der militie kwamen ten westen van de herenbanken tussen de pilaren te staan en moest 13 en een halve voet (3,90 m) lang worden. De banken werden op dezelfde wijze uitgevoerd als de zitplaatsen voor de Meentslieden. Achter het vak voor de officieren werden drie 'gemene' banken geplaatst. Het front kreeg in plaats van vijf, vier panelen, zodat aan de rechterzijde ruimte overbleef voor een gang. Van deze opzet bleef de omkadering en een deel van de banken in gewijzigde vorm bewaard. 

Banken 'aan de muur'
In het bestek wordt ook melding gemaakt van nieuwe banken aan de muur. Achter het Herengestoelte worden twee gestoelten tegen elkaar gezet met in totaal een lengte van 34 voet (9,80 m). Hoewel in het bestek niet zo genoemd, wordt bij het meerwerk gesproken over ‘het gestoelte voor de Latijnse doominees’. De banken op deze locatie waren dus al in 1687 bestemd voor de Latijnse School. In de huidige situatie zijn alleen de achterste banken in hoofdopzet oorspronkelijk. 

Achter het Meentsliedengestoelte komen twee gestoelten met elk drie banken tegen de muur. De banken worden in een tribune-opstelling geplaatst, met oplopend niveauverschil. Van deze opstelling bleven de achterste twee banken in hoofdopzet bewaard. 

Via de bijlagen zijn de besteksteksten integraal als pdf-bestand te downloaden. 

1687-1780
×

1687-1780

Meer afbeeldingen

Lange tijd moesten de meentslieden hun banken delen met edelen en andere vooraanstaande groepen. In de tweede helft van de 18e eeuw uitten zij in toenemende mate bij de magistraat hun onvrede over deze situatie. Deze strijd om bescherming van privileges vormt waarschijnlijk de aanleiding voor een aantal wijzigingen in het bankenplan in deze periode.

In 1760 werd door enkele jonkers namelijk om een eigen gestoelte voor de edelen in de Grote Kerk verzocht. Het verzoek werd snel gehonoreerd en de adel kreeg haar eigen banken met tien tot elf zitplaatsen tussen de twee pijlers tegenover de ingang naar de markt, naast de banken voor de meentslieden. Vooralsnog moet aangenomen worden dat hiervan geen onderdelen bewaard bleven. Tien jaar later wenste de Ridderschap aparte zitplaatsen in de Grote Kerk. Waarschijnlijk konden zij plaatsnemen in de banken tegen de muur achter het Meentsliedengestoelte. In de literatuur wordt tevens vermeldt dat in 1777 werd begonnen met het maken van twee nieuwe banken voor meentslieden, maar het is onduidelijk waar deze staan of gestaan hebben.

Aan het einde van de 18e eeuw was het grootste deel van de plaatsen in de Grote Kerk aan de noordzijde gereserveerd voor de wereldlijke notabelen en de zuidzijde voor de kerkelijke bestuurders. De lege ruimte in het middenschip werd opgevuld met losse stoelen, die aan individuele gelovigen werden verhuurd. Voor de armen waren enkel plaatsen aan de randen beschikbaar. Van deze situatie bleef een ingekleurde plattegrond van de kerk bewaard. Op deze plattegrond is in kleur gemarkeerd welke onderdelen van het destijds bestaande bankenplan tot nu toe bewaard bleven. 

1780-1880
×

1780-1880

Meer afbeeldingen

Op basis van vergelijking van plattegronden zijn in het bankenplan een aantal veranderingen aan te wijzen die tussen 1780 en 1880 plaatsgevonden moeten hebben. Op de voormalige banken van de Latijnse School (1803) en de adel (1815) zijn diverse jaartallen ingekrast, waarvan de vroegste van omstreeks 1800.

Het is verleidelijk aan te nemen dat de wijzigingen in het bankenplan direct verband houden met de machtswisseling en de opheffing van de bestaande bestuursstructuur na de inval van de Franse legers in 1794-’95. Onder het mom van ‘vrijheid, gelijkheid, broederschap’ werden alle privileges van groepen en individuen opgeheven, hoewel de standenmaatschappij in de Grote Kerk aanvankelijk stand hield. Na onderzoek kwam een raadscommissie namelijk tot de conclusie dat de huurinkomsten van de gereserveerde zitplaatsen niet gemist konden worden. Dit met de toevoeging ‘dat zoo ras het zingen voor de predicatie is geëindigt, elk en een ieder medegeregtigt zal zijn, zig zoo wel in die als in alle andere banken mede te mogen plaatsen’. Later, in 1798, werd besloten de regeringsbanken voor iedereen open te stellen [Ten Hove 2005, 391-393]. Het is echter de vraag in hoeverre deze nieuw verworven vrijheden in de praktijk benut werden.

De veranderingen bestaan in eerste instantie uit het naar achteren schuiven van de banken tussen de pijlers in de noordbeuk. De banken van de Latijnse School werden aangepast, met nieuwe trapjes aan weerszijden. Bij de banken van de Ridderschap werd de voorste bank verwijderd en werden in het midden schotten aangebracht. Achter de zitplaatsen van de Officieren der militie kwam een nieuw, schuingeplaatst vak met grenen banken. Het Heerengestoelte werd ingekort en verplaatst. Ook de ‘gemene’ banken daarachter kregen een nieuwe opstelling. Hierbij werd bestaand meubilair hergebruikt en herschikt, zoals blijkt uit talloze naden en niet oorspronkelijke aansluitingen in dit deel. Voor het voormalige Meentsliedengestoelte kwam een nieuw front, samengesteld uit overgebleven onderdelen van het kader van het Heerengestoelte. Met name delen van de acanthuslijst en een aantal festoenen zijn van het burgemeestersgestoelte afgenomen en herplaatst in de niewe opstelling van de meentsliedenbanken. Ten oosten van de voormalige meentsliedenbanken werden het vak met banken voor de adel en de banken daarachter volledig vernieuwd. 

1880-1900
×

1880-1900

Meer afbeeldingen

De Grote Kerk onderging vanaf 1882 een ingrijpende restauratie onder toezicht van rijksadviseur P.J.H. Cuypers (1827-1921). De restauratie zelf werd uitgevoerd onder leiding van de Zwolse architect F.C. Koch (1840-1917). Gedurende de restauratie is een deel van het bestaande bankenplan gewijzigd. Men schoof de banken in de noordbeuk weer iets naar voren, zodat aan de achterzijde 'het gangpad' breder werd. In de middenbeuk werden nieuwe vakken banken geplaatst, gemaakt door aannemer Volkers, waarbij tevens een nieuwe houten bevloering werd gelegd. De kerkvoogdij had door een gift de mogelijkheid gekregen ‘eikenhouten banken aan te schaffen ter vervanging van de ‘onmogelijke keukenstoelen die tot dusverre het ruim ontsierden’ [NA, archief De Stuers, inv.nr. 2480]. 

Dezelfde banken kwamen in de twee schuingeplaatste hoekvakken aan weerszijden van de dooptuin in de zuidbeuk te staan, ter vervangen van de bestaande zitplaatsen. Hierdoor ontstond meer symmetrie in het bankenplan en werd het zicht op de preekstoel enigszins verbeterd. De nieuwe banken zijn uniform vormgegeven en gedecoreerd in neorenaissancestijl. Om het contrast tussen de oude banken en het nieuwe materiaal te verzachten, werden het kader van de twee hoekvakken in de noordbeuk ook vernieuwd in gelijke vormgeving.

In deze periode moet ook het front van het vak ter plaatse van de voormalige banken van de adel vernieuwd zijn. Verder werden de banken tegen de noordmuur op een podium gezet en kreeg het voormalige gestoelte van de Ridderschap weer een bank erbij aan de voorzijde. 

Naast de banken werd ook het doophek bij de restauratie betrokken. Cuypers stelde in 1888 dat het doophek rond de preekstoel voor het grootste gedeelte hersteld was. Hierbij werd de dooptuin uitgebreid en verlengd, zodat de preekstoel niet langer in de hoek, maar in het midden van de dooptuin kwam te staan. Omdat ook nieuwe toegangen gemaakt moesten worden, werd in de begroting van het kerkbestuur van 1895 een post opgenomen van 250 gulden voor twee in paneel gewerkte eikenhouten afsluitingen bij het ruim. Achter het doophek werden ook nieuwe banken geplaatst, waarbij de vormgeving gekopieerd is van de bestaande 17e-eeuwse kerkbank. 

Na 1900 hebben er geen grote wijzigingen meer plaatsgevonden, met uitzondering van de recent verdwenen banken uit het middenschip. 

1600-1650
1687
1687-1780
1780-1880
1880-1900

Introductie

In verband met de herinrichting van de Grote- of St. Michaelskerk in Zwolle bestaat het voornemen om delen van het huidige bankenplan te demonteren en op te slaan. Daarvoor is door de RCE en de gemeente Zwolle om aanvullende gegevens gevraagd in de vorm van faserings- en waarderingstekeningen. Aan ARCX is gevraagd om in aanvulling op een eerder uitgevoerde bouwhistorische quickscan de ontstaansgeschiedenis van het bankenplan in kaart te brengen en te voorzien van een waardering. 

Bij de datering en fasering van de verschillende onderdelen van het bankenplan is gebruik gemaakt van de in het Historisch Centrum Overijssel (HCO) in Zwolle bewaard gebleven bestekken uit het eind van de 17e eeuw. Naast gegevens over het herstel van de kerk na de torenval in 1682 zijn hier ook enkele bestekken aanwezig die betrekking hebben op de vervaardiging van nieuwe banken. Daarnaast zijn er gedetailleerde plattegronden van de kerk uit 1780 en het eind van de 19e eeuw, met daarop de verschillende banken en hun gebruikers aangegeven. Uit de literatuur zijn tevens enkele vermeldingen van vernieuwingen bekend.  De beschikbare historische gegevens zijn geanalyseerd en vervolgens vergeleken met de huidige opstelling in de kerk en de gegevens die bekend zijn van de laat 19e-eeuwse restauratie onder leiding van F.C.  Koch. Er heeft geen destructief onderzoek plaatsgevonden.

De kerk is bezocht op 31 mei en op 8 juni 2016. 

De directe link naar deze rapportage op de website www.tijdbeeld.com is: http://www.tijdbeeld.com/projecten/34/zwolle

Advies en waardering

Bij een oppervlakkige beschouwing lijkt de bankenopstelling in de kerk weinig samenhangend. De gedachte wasdat deze situatie vooral ontstaan zou zijn na een herschikking van het beschikbare meubilair in combinatie met een uitbreiding van het aantal zitplaatsen, na de afronding van de grote 19e-eeuwse restauratie door F.C. Koch. Op grond van een nadere analyse van de beschikbare historische plattegronden van de kerk en aanvullend archiefmateriaal moet dit beeld fors bijgesteld worden. De huidige opstelling vormt een directe afgeleide van kort na 1687 doorgevoerde vernieuwingen waarbij de opstelling zich nadrukkelijk richtte op het liturgische centrum rond de preekstoel. De plattegrond was  gebaseerd op de sociaal hiërarchische verhoudingen binnen de kerkelijke en burgerlijke gemeente. Met name in het noordelijke schip bleven substantiële delen van de verschillende groepen met een ‘stemme in staat’ zoals de magistraat, leden van de meente, officieren van de militie en de ridderschap bewaard. Daarbij bleek in materieel opzicht aanmerkelijk meer 17e-eeuws materiaal bewaard dan bij eerder onderzoek aangenomen. 

Door latere aanpassingen en veranderingen is het 17e-eeuwse beeld niet goed meer als zodanig herkenbaar. Met name door de staatkundige veranderingen in de Franse tijd vervaagden oude privileges. Daarnaast vereiste de toename van het aantal kerkbezoekers in de 19e eeuw een efficiëntere opstelling, met meer zitplaatsen met goed zicht op de preekstoel. 

Waardering
De cultuurhistorische waardering van het bankenplan is onderverdeeld in een aantal deelwaarderingen. Daarnaast wordt de bouwfasering en de waardering visueel gepresenteerd op faserings- en waarderingsplattegronden.

De plattegronden zijn in hogere resolutie onder het tabblad 'bijlagen' te downloaden. 

faseringplattegrond

paars = voor 1687
rood = 1687-1770
blauw = 1770 - 1880
groen = 1880 - 1900

waarderingsplattegrond

blauw = hoge monumentwaarden, van cruciaal belang voor de structuur en/of de betekenis van het object.
groen = positieve monumentwaarden, van belang voor de structuur en/of betekenis van het object.
geel = indifferente monumentwaarden, van relatief weinig belang voor de structuur en/of betekenis van het object. 

algemene historische waarden
De Grote Kerk ontleent haar historische identiteit hoofdzakelijk aan een ononderbroken religieus gebruik, vanaf de Reformatie aan het eind van de 16e eeuw voor de protestantse eredienst. De bewaard gebleven 17e-eeuwse onderdelen en de opstelling daarvan zijn zeer representatief voor de maatschappelijke, religieuze en bestuurlijke verhoudingen in Zwolle ten tijde van het ancien regime. De vroegste veranderingen en toevoegingen zijn het gevolg van de maatschappelijke vernieuwingen in het begin van de 19e eeuw waarbij de meeste oude privileges opgeheven werden. De nieuwe opstelling weerspiegelt de ‘nieuwe verhoudingen’ en is voor de afleesbaarheid daarvan in materiële en ruimtelijke zin zeer betekenisvol. Bij ruimtelijke veranderingen in de opstelling is steeds zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaand meubilair en met de oorspronkelijke opstelling van de preekstoel als vaste waarde. Dit zorgde voor een zekere continuïteit vanaf het begin van de 17e eeuw tot op heden. Deze ingrediënten zijn zeer zeldzaam (aan het worden) en leveren een positieve en substantiële bijdrage aan de historische gelaagdheid van het kerkinterieur.  

ensemble waarden
Tot 1770 is de identiteit en status van de verschillende ‘gestoelten’ vrij overzichtelijk en goed afleesbaar. De verschillende gebruikers zijn door middel van brede gangpaden van elkaar gescheiden en de belangrijkste banken zijn met een ‘bekleedsel’ fysiek afgeschermd. Bij latere veranderingen zijn de open tussenruimten vaak op pragmatische wijze ingevuld met vaste zitplaatsen en is door herschikking van de verschillende afscheidingen en schotten een veel diffuser beeld ontstaan. 

In conceptuele zin zijn deze transformaties zeer representatief voor de ontwikkelingsgeschiedenis van het kerkinterieur, en daarmee positief te waarderen. In materiële  zin is de uitvoering lang niet altijd even doordacht en zorgvuldig uitgevoerd, met een rommelig en onoverzichtelijk beeld tot gevolg. 

De uitbreiding van het bankenplan in de late 19e eeuw breekt wat betreft schaal en omvang met de oude traditie. Koch vult met name aan de randen en in het midden grote vakken op regelmatige en homogene wijze met eenvormige banken, die langs de randen afgezet worden met overdadig in neo-renaissancestijl gedecoreerde schotten. 

architectuurhistorische- en bouwhistorische waarden
Met uitzondering van de preekstoel, de oorspronkelijke onderdelen van het doophek, het oorspronkelijke meubilair in de dooptuin en het bekleedsel van de Herenbanken zijn de verschillende banken wat betreft de vormgeving en decoratie niet zeldzaam of bijzonder. Wel zeldzaam en redelijk gaaf bewaard is het eerlijke en degelijke timmerwerk. Het meubilair is volgens uitgebreide bestekken in een zeer goede kwaliteit eikenhout uitgevoerd, in een constructie die tussen de verschillende banken grote overeenkomsten vertoont. De banken zijn vervaardigd door bij naam bekende Zwolse gildelieden en als zodanig representatief en betekenisvol voor hun oeuvre en het vakmanschap van deze beroepsgroep aan het eind van de 17e eeuw.  

De uitbreiding van omstreeks 1900 heeft door de schaal en de eenvormige vormgeving een geheel andere uitstraling en betekenis. Deze banken zijn machinaal vervaardigd en voegen zich daardoor minder goed bij de oudere exemplaren. Dit wordt nog verder versterkt wordt door een voor deze periode kenmerkende decoratie van de afscheidingen die afgeleid is van de ornamentiek van het koor- en het doophek.