1200-1500
×

1200-1500

Meer afbeeldingen

Weesp is als nederzetting ontstaan aan de rivier de Vecht, bij de afsplitsing van het Smal Weesp. De eerste bewoners zullen zich op de oeverwallen aan de Vecht gevestigd hebben. De huidige Hoogstraat heeft haar ligging aan deze prestedelijke oeverwallen te danken en ontwikkelde zich als hoge, lange dijk langs de rivier. Het in de elfde eeuw ontwikkelde dorp duikt vanaf 1150 voor het eerst in de historische bronnen op en hoort vanaf 1317 bij het graafschap Holland. In eerste instantie bewoonden de mensen de tegenwoordige Hoogstraat, Slijkstraat en beide zijden van de Ghoenweg (huidige Nieuwstraat), waar een tufstenen kerkje gebouwd werd ter hoogte van de huidige Laurentiuskerk. 

Vanwege het toenemende strategische belang van de nederzetting in het grensgebied tussen Holland en het Sticht (Utrecht), krijgt Weesp in 1355 stadsrechten. Mogelijk was er voor de stadsrechtverlening al sprake van een aarden omwalling. In de tweede helft van de veertiende eeuw wordt Weesp versterkt met een bakstenen ommuring met poorten, muurtorens en een stadsgracht (Oude Gracht). De Hoogstraat werd aan de noordzijde ontsloten door de Muiderpoort en aan de zuidzijde kon men via de Klinketpoort de stad verlaten. Bij deze poort lag ook de brug over de Vecht. In het begin van de vijftiende eeuw werd aan de noordzijde van de Hoogstraat een muur met rondelen aangelegd. In deze periode nam het belang van de doorvaart via Weesp naar Amsterdam toe. Aanvankelijk werden goederen uitsluitend direct aan de steigers aan de Hoofdstraat langs de Vecht geladen en gelost. Tegen het einde van de veertiende eeuw werd de Grobbe uitgegraven, waarna ook hier handelswaar op- en overgeslagen werd. De bloei en status van Weesp in de vijftiende eeuw kwam mede tot uiting in de bouw van de nieuwe parochiekerk in 1459, de gotische Laurentiuskerk.

1500-1600
×

1500-1600

Meer afbeeldingen

In de zestiende- en zeventiende eeuw wordt de woonruimte in de stad verdicht en breidt Weesp zich uit tot buiten de Oude Gracht. In 1552 krijgt Weesp toestemming om tussen de Hoogstraat en de Grobbe de Middenstraat aan te leggen. Deze straat moest in eerste instantie om het terrein van het Jonge Convent heen worden geleid, maar werd na de reformatie (en de inbeslagname van de geestelijke goederen) in rechte lijn verlegd. Uit historisch onderzoek is bekend dat aan de Hoogstraat vooral de gegoede burgers woonden. De huizen aan de westzijde van de straat en aan de Vecht waren omstreeks 1600 in eigendom van burgers die bijvoorbeeld gasthuismeester, schepen of burgemeester waren geweest. In deze tijd stonden in Weesp nog talloze houten huizen, waarvan de daken met riet gedekt waren. Om het brandgevaar in te dammen, werd in 1611 bepaald dat de huizen met rieten daken binnen een periode van zeven jaar van dakpannen moesten zijn voorzien. Ook moest nieuwbouw uitgevoerd worden met gemetselde gevels en stenen zijmuren. Dit proces duurde nog voort tot in de loop van de zeventiende eeuw. Al in de zestiende eeuw zullen echter in de stad, zeker aan de hoofdstraten, ook stenen huizen gebouwd zijn.

In het achterhuis van Hoogstraat 51 zijn in de achtergevel van het hoofdhuis sporen van een lagere en smallere, bakstenen topgevel met vlechtingen aangetroffen. Zeer waarschijnlijk gaat het om een de gevel van een inmiddels verdwenen achterhuis dat hier in het begin van de zeventiende eeuw al stond.

1600-1625
×

1600-1625

Meer afbeeldingen


Nieuwbouw van het hoofdhuis in het eerste kwart van de zeventiende eeuw

Het hoofdhuis heeft een gedeeltelijk houtskelet. Op de verdieping wordt de zoldervloer gedragen door vier korbeelstellen, waarvan de dekbalken en muurstijlen bewaard bleven. De vloerplanken worden halverwege de gebintvakken ondersteund door lichtere tussenbalken. Behalve de muurstijlen is het geheel in naaldhout uitgevoerd. De verdiepingsvloer rust op een enkelvoudige naaldhouten balklaag die in de zijmuren oorspronkelijk op eikenhouten consoles was gelegd. De bouwmuren op de begane grond en verdieping zijn gemetseld in kruisverband en hebben hetzelfde baksteenformaat (10 lagen is 49 cm, 20-21 x  4 x 9-10).

Een dergelijk constructieprincipe komt exact overeen met de beschrijving van de ontwikkeling van het ‘jongere houtskelet’ dat na 1600 in het noordwestelijke gebied van ons land een opleving kende (zie verder de bijlage Analyse constructie hoofdhuis). Het casco van het hoofdhuis behoort tot één bouwfase en is tot stand gekomen in het eerste kwart van de zeventiende eeuw. Waarschijnlijk is bij de nieuwbouw van het hoofdhuis het bestaande achterhuis (zie tijdvak 1500-1600) in eerste instantie blijven staan.

De kapconstructie, bestaande uit een vijftal naaldhouten dekbalkgebinten, sluit aan bij de alternerende zolderbalklaag. Ook is in de kap en op de verdieping hetzelfde systeem met gehakte telmerken gehanteerd. Het oppervlak van de kapgebinten is handmatig bewerkt met een dissel (kapbijl). In de kap is een vlieringvloer aangebracht die tussen de gebinten ondersteund wordt door naaldhouten tussenhangbalken die met gesmede stroppen onder de eiken flieringen hangen. De daksporen bestaan uit rondhouten sparren. Voor deze sparren zijn in de flieringen halfronde uitsparingen gemaakt, waarschijnlijk horen zij dus bij de oorspronkelijke opzet. Ter plaatse van de gebinten zijn de sporen uitgevoerd als A-spanten, tevens in rondhout maar wat zwaarder uitgevoerd. Deze A-spanten dragen ter hoogte van de hanenbalken een tweede rij eiken flieringen. 

Naast het algemene constructieprincipe wijzen ook andere constructieve kenmerken van het hoofdhuis op een datering in de eerste helft van de zeventiende eeuw: het door elkaar gebruiken van eiken- en naaldhout in dezelfde kapconstructie, de toepassing van gehakte telmerken en de handmatige bewerking van de gebinten met een dissel. Cruciaal voor de specifiekere datering van het huis is de vondst van een restant van een console van een tussenbalk op de verdieping. De profilering hiervan was, gebaseerd op vergelijkbare gedateerde sleutelstukken, in de mode in het eerste kwart van de zeventiende eeuw (zie http://www.documentatie.org).  

Naast het grootste deel van het casco is ook de indeling in een voorhuis met daarachter een opkamer boven een kelder nog oorspronkelijk. De zoldertrap is het bovenste deel van een eiken spiltrap uit de bouwtijd, die oorspronkelijk tot op de begane grond doorgelopen zal hebben. De zware treden zijn in de spil gepend en voorzien van de voor dit soort trappen karakteristieke profilering. Aan de raveling in de verdiepingsbalklaag van het voorhuis is te zien dat tegen de rechter bouwmuur een forse oudere schouw gestaan moet hebben. Verder tonen de situering van de rookkanalen op zolder en de roetsporen en raveling aan de achterzijde op de verdieping aan dat tegen de achterwand van het hoofdhuis (verdieping en waarschijnlijk ook in de opkamer) schouwen gestaan hebben. 

1625-1700
×

1625-1700

Meer afbeeldingen


Bouw van het achterhuis 

Niet lang na de nieuwbouw van het hoofdhuis zal het huidige achterhuis gebouwd zijn, waarbij de bestaande bebouwing ter plaatse werd afgebroken. De bouwmuren zijn opgetrokken in iets kleiner steenformaat ((10 lagen is 47 cm, 18-19 x  3,5-4 x 9). De kap is opgebouwd uit naaldhouten dekbalkgebinten met oorspronkelijk rondhouten windschoren. Ook de daksporen zijn in rondhout uitgevoerd. De zoldervloer wordt gedragen door een naaldhouten, enkelvoudige balklaag. Direct op de dekbalken is een vlieringvloer aangebracht waarvan de brede vloerdelen nog tot de oorspronkelijke opzet behoren.

1700-1800
×

1700-1800

Bekijk afbeelding


Aanbouw

De aanbouw (achter het achterhuis) aan de tuinzijde is voorzien van een strakke gezaagde naaldhouten kapconstructie opgebouwd uit A-spanten die de vlieringen dragen, waar tegen de lichte daksporen rusten. Deze constructie laat zich lastig scherp in de tijd plaatsen. Gezien de verschijningsvorm op het kadastrale minuutplan is een achttiende-eeuwse datering het meest waarschijnlijk. Het achterste deel van dit bouwdeel is later aangepast met een eenvoudige sporenkap. 

1800-1830
×

1800-1830

Meer afbeeldingen

Vernieuwen van de voorgevel van het hoofdhuis

In het begin van de negentiende eeuw is de voorgevel van het hoofdhuis integraal vernieuwd. De oorspronkelijke topgevel maakte daarbij plaats voor een drie vensterassen brede lijstgevel, uitgevoerd in schoon metselwerk. De vensters werden uitgevoerd als schuiframen, de vensters op de verdieping dateren nog uit deze periode. Tegen het voorste dakschild plaatste men een forse dakkapel met een hijsbalk. Oorspronkelijk kon deze kapel waarschijnlijk afgesloten worden met dubbele hijsluiken. 

Eigenaar van het huis in 1812 was Jan van Achter, ‘grossier in sterke dranken’. Van Achter bezat ook de achtergelegen tuin en bebouwing aan de Middenstraat (percelen 195-198 op de kadastrale minuutkaart) en was burgemeester van Weesp van 1847 tot aan zijn dood in 1848. Het kwam vaak voor dat succesvolle branders een hoge positie als schepen of burgemeester in de Weesper maatschappij innamen. 

1874-1900
×

1874-1900

Meer afbeeldingen

De gangstructuur op de begane grond is zeer waarschijnlijk ontstaan in 1874, blijkens een jaartalopschrift in potlood op één van de moerbalken in de gang. Bij deze fase hoort ook de bouw van een nieuwe (maar inmiddels verdwenen) trap naar de verdieping. Deze trap zal het onderste deel van de spiltrap vervangen hebben en tekent zich nog af in de gangmuur in de kastenwand bij de opkamer. Tegelijkertijd werden in de opkamer en in het achterhuis stucplafonds aangebracht. Uit deze periode zijn ook nog de suitedeuren tussen de opkamer en het achterhuis bewaard gebleven. 

Aan het eind van de negentiende eeuw werd het huis gesplitst in een boven- en benedenwoning. De nieuwe voordeuren werden ondergebracht in een brede portiek die men voorzag van een omlijsting met hoofdgestel. Deze portiek werd gedecoreerd met ceramische wandtegels en vloertegels van cementsteen. Bij deze verbouwing werden naar alle waarschijnlijkheid ook de beide vensters op de begane grond vervangen. Aan de voorzijde van het huis werd de stoep afgezet met een stoephek, bestaande uit hardstenen stoeppalen, verbonden met van pinnen voorziene smeedijzeren roeden. De hardstenen onderdorpel van de bestaande voordeur werd herlegd voor de nieuwe portiek en de ontbrekende delen links en rechts vulde men aan met gepleisterd metselwerk. 

Voor de bovenwoning kwam achter de linker deur een nieuwe trap en op de begane grond werd in ieder geval het voorste deel van de gangstructuur aangepast. De wanden van het trappenhuis werkte men af met kraalschoten. Op de verdieping is de destijds gerealiseerde nieuwe indeling nog herkenbaar aan twee laat negentiende-eeuwse paneeldeuren. Ook de keukenschouw op de verdieping zal destijds geplaatst zijn. 

1900-heden
×

1900-heden

Meer afbeeldingen

In de twintigste eeuw en meer recent hebben in Hoogstraat 51 nog enkele indifferente aanpassingen plaatsgevonden. Rond 1930 zijn enkele deuren op de begane grond vervangen. Daarnaast is in de tweede helft van de twintigste eeuw het interieur van zowel het hoofdhuis, achterhuis als de aanbouw gemoderniseerd, met verlaagde plafonds, voorzetwanden, schouwen en wandafwerking. Ook werden enkele negentiende-eeuwse deuren rond verzaagd. In deze periode zijn waarschijnlijk ook de spitsboogvormige vensters in het achterhuis aangebracht. 

Meer recent zijn de sanitaire voorzieningen op de verdieping gemoderniseerd en zijn de achtergevel van het hoofdhuis en de aanbouw voorzien van kunststof kozijnen. 

1200-1500
1500-1600
1600-1625
1625-1700
1700-1800
1800-1830
1874-1900
1900-heden

Introductie


Op dit moment wordt door Nieuw Nederland landinrichters + architecten de verbouwing voorbereid van Hoogstraat 51 in Weesp. Vanwege de status van het pand als rijksmonument, hecht de gemeente veel waarde aan de zorgvuldige omgang met de historische bebouwing. Om van tevoren na te kunnen gaan wat de effecten zijn van de ingrepen op de cultuurhistorische waarden van het gebouw, is door de eigenaar van het pand aan Belfort opdracht gegeven voor een bouwhistorische verkenning met waardestelling. Destijds was het pand nog geheel bewoond. Naar aanleiding van deze verkenning heeft in opdracht van de gemeente Weesp een vervolgonderzoek plaatsgevonden, om de bouwsporen te duiden die na het grotendeels strippen van het pand in het zicht zijn gekomen. Nieuwe gegevens en inzichten die hieruit voortkwamen zijn samengevoegd met de resultaten van de verkenning. 

Het onderzoek heeft bestaan uit het in kaart brengen van de bouwgeschiedenis, met de verschillende te onderscheiden ontwikkelingsfasen. Naast het veldwerk is het archief van de RCE in Amersfoort bezocht en is de beeldbank van het Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen geraadpleegd, waar direct beschikbare gegevens geanalyseerd zijn. Tijdens het veldwerk is onderzocht wat er van de historische structuur van het gebouw bewaard is gebleven. Deze gegevens zijn in de tijdlijn chronologisch uiteengezet. Onder het kopje ‘advies en waardering’ is aan de hand van de analyse de cultuurhistorische waardering opgesteld. Op deze wijze wordt duidelijk waar binnen het pand ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen en op welke plaatsen de bestaande situatie zoveel mogelijk gerespecteerd zou moeten worden. De resultaten bieden handvaten bij de beoordeling van de verbouwingsplannen. Het veldwerk op locatie heeft plaatsgevonden op 9 maart en 20 mei 2015.


Situering
Het onderzochte gebouw staat binnen de oude stadskern van Weesp en is met de voorgevel opgenomen in de gevelwand aan de stadszijde van de Hoogstraat. Het pand maakt deel uit van het bouwblok dat iets ten zuiden van de Lange Vechtbrug ligt, begrensd door de Pieter Jacobstraat, Heer Elbertsteeg en de Middenstraat. Aan weerszijden wordt het huis door een osendrop gescheiden van de belendingen. Hoogstraat 51 bestaat uit drie bouwvolumes, met een voorhuis aan de straat, een aangebouwd achterhuis en daarachter nog een aanbouw. 

Beschrijving
Het hoofdhuis aan de Hoogstraat van twee bouwlagen onder een schilddak, is gebouwd op een rechthoekige plattegrond. De daken van alle bouwdelen zijn gedekt met machinale O.V. ceramische pannen. Aan de achterzijde van het hoofdhuis bevindt zich een kleine, half verdiepte kelder met daarboven een opkamer. De voorgevel is een in schoon metselwerk uitgevoerde lijstgevel met drie vensterassen. Op de begane grond bevindt zich links de dubbele voordeur, omkaderd met een deuromlijsting met hoofdgestel, en rechts twee zesruits schuifvensters met glas-in-lood in de bovenramen. De verdieping heeft drie negenruits schuifvensters. In het voorste dakschild is een dakkapel met fronton, geprofileerde wangen en hijsbalk opgenomen. Het venster met roedeverdeling in de dakkapel is gemoderniseerd. De achtergevel is een afgeknotte topgevel, met (recent) gemoderniseerde vensters op begane grond, verdieping en op zolderniveau. 

Het rondom gepleisterde achterhuis heeft een nagenoeg vierkante plattegrond, met één bouwlaag en een zolder onder een zadeldak. In de achter- en zijgevel bevinden zich twee spitsboogvensters met bakstenen venstertraceringen. Verder een modern venster in de achtergevel op zolderniveau. Ook de achterste aanbouw is verdiepingloos met rondom gepleisterde gevels. Alle deur- en vensteropeningen van deze aanbouw zijn gemoderniseerd. 

In de bijlage zijn de tekeningen van Nieuw Nederland van de bestaande toestand opgenomen voor een beter begrip van de indeling van de bouwdelen. 

 

 

Advies en waardering


Samenvatting van de bouwgeschiedenis

Het hoofdhuis met gedeeltelijk houtskelet is gebouwd in het eerste kwart van de zeventiende eeuw, waarschijnlijk voor een bestaand achterhuis. Mogelijk al in de loop van de zeventiende eeuw werd dit achterhuis vervangen door nieuwbouw. In de loop van de achttiende eeuw zal de aanbouw gerealiseerd zijn. In het begin van de negentiende eeuw is de voorgevel van het hoofdhuis gemoderniseerd, waarvoor het voorste deel van de kap aangepast moest worden. In het derde kwart van de negentiende eeuw is de gangstructuur op de begane grond ontstaan en vonden in het interieur moderniseringen plaats. Omstreeks 1900 werd het huis opgedeeld in een boven- en benedenwoning, met een aangepaste entree en nieuwe vensters op de begane grond. In de twintigste eeuw en recent vonden nog enkele ondergeschikte aanpassingen plaats. 

Waardering

De monumentale waarde is uitgewerkt in de volgende deelwaardestellingen:

Algemene historische waarden

Het pand heeft geen directe koppeling met bijzondere, historische gebeurtenissen of ontwikkelingen. Wel werd het huis in het begin van de negentiende eeuw bewoond door brander Jan van Achter, die in 1847-1848 burgemeester van Weesp was. Dit gegeven herinnert indirect aan het belang (en de daaruit voortkomende welvaart en invloed) van de brandewijnindustrie, waarmee veel inwoners uit Weesp in het verleden hun geld verdienden. 

Ensemblewaarden en stedenbouwkundige waarden

Hoogstraat 51 is van betekenis als onderdeel van de historische bebouwing aan de dijk langs de Vecht en draagt daarmee in sterke mate bij aan de stedenbouwkundige continuïteit van dit stadsdeel. De verschillende schaalniveaus in het ensemble van hoofdhuis, achterhuis en aanbouw laat een duidelijke en waardevolle hiërarchie in bebouwing zien vanaf de Hoogstraat naar de Middenstraat. De voor het huis gelegen stoep met stoepafzetting zijn belangrijke, historische elementen in het straatbeeld. 

Architectuurhistorische waarden

De architectuurhistorische waarde is hoofdzakelijk gelegen in de negentiende-eeuwse voorgevel met dakkapel, portiek en vensters op de begane grond en verdieping. Hieraan draagt ook de verfijnde, grotendeels oorspronkelijke, afwerking van het baksteenwerk met snijvoegen bij. Het negentiende-eeuwse interieur is voor een belangrijk deel verloren gegaan of aangetast bij aanpassingen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Enkele onderdelen bleven bewaard en hebben een positieve waarde, zoals de negentiende-eeuwse verdiepingstrap, de keukenblokjes met granito aanrechten, de keukenschouw op de verdieping, de suitedeuren met omlijsting naar de opkamer, de lambriseringen onder de vensters aan de voorzijde op de begane grond en verdieping en het stucplafond in de opkamer. 

Bouwhistorische waarden

De bouwhistorische waarden van Hoogstraat 51 zijn vooral gelegen in de relatief gaaf bewaard gebleven casco's van het hoofdhuis en achterhuis. Bij het hoofdhuis gaat het om het bewaard gebleven houtskelet op de verdieping, de kapconstructie, verdiepingsbalklaag en de spiltrap. Deze onderdelen zijn leidend voor de historische hoofdstructuur van het huis. Verder is ook de indeling, bestaande uit een voorhuis met daarachter een opkamer boven een kelder waardevol. Met betrekking tot het achterhuis gaat het om de kapconstructie (met oorspronkelijke vlieringvloer) en de zolderbalklaag. Ook de kap van de aanbouw is gaaf bewaard gebleven en is van belang om de historische samenhang van de bebouwing te kunnen begrijpen. 
 

Advies en aanbevelingen

Bij toekomstige verbouwingen is vanuit cultuurhistorisch oogpunt behoud van de casco's van hoofdhuis, achterhuis en aanbouw gewenst, met speciale aandacht voor de onder het kopje 'bouwhistorische waarden' genoemde onderdelen. Voor het bereiken van meer stahoogte kan het verlagen van de (bestaande) balklagen overwogen worden. Kansen voor verbetering liggen in het vervangen van de kunststof kozijnen en het herstellen van de 'hobbymatige' aanpassingen die in de tweede helft van de twintigste eeuw zijn uitgevoerd. Bij het aanpassen van de entree zou de bestaande onderdorpel van het portiek hergebruikt kunnen worden.