1350-1400
×

1350-1400

Meer afbeeldingen

Het Langhuis staat binnen de oude kern van Zwolle. In de veertiende eeuw werd de fysieke, zuidelijke begrenzing van de stad gevormd door de stadsmuur aan de Walstraat, Koestraat en Kamperstraat. Nabij het huis werd, op inititief van de ‘Moderne Devoten’, aan de Praubstraat in 1384 het Convent of Fraterhuis van de Broeders des Gemenen Levens gesticht. Deze instelling groeide met name in de vijftiende- en zestiende eeuw uit tot een omvangrijk gebouwencomplex in het gebied tussen Blijmarkt, Papenstraat, Praubstraat en Goudsteeg. Binnen het Convent maakte men onderscheid tussen het Rijk- en het Arme-Fraterhuis. De gebouwen van het Arme-Fraterhuis verrezen aan de oostzijde van de Praubstraat. In de literatuur wordt verondersteld dat Het Langhuis mogelijk ooit bij het Arme-Fraterhuis in gebruik is geweest [Stenvert (e.a.) 1998, 289-290]. Hoewel het moeilijk te bepalen is tot hoever de bebouwing van de religieuze instelling zich heeft uitgestrekt, zijn hiervoor bij het archiefonderzoek geen aanknopingspunten gevonden. Met de informatie uit transporten en de registers van het vuursteden- of schoorsteengeld kan geen link gelegd worden tussen Het Langhuis en het Arme-Fraterhuis. 

Het zuidelijke deel van Het Langhuis is het oudst en is op grond van de constructieve verschijningsvorm omstreeks 1400 te dateren.  Het verdiepingloze huis is opgetrokken op een parallellogram-vormige plattegrond. De gevels zijn uitgevoerd in baksteenmetselwerk met een 10-lagenmaat van 81cm. Hoewel dit geen exact dateringscriterium is, geldt wel dat de oudste stenen het dikst zijn. 10-lagenmaten boven de 80cm worden in Zwolle over het algemeen in de veertiende eeuw gedateerd. De samengestelde eiken zolderbalklaag telt vijf balkvakken met aan de gerende zijgevels een half wigvormig vak met strijkbalken. De moerbalken zijn bij de opleggingen niet voorzien van consoles of korbeelstellen. 

De kapconstructie is opgebouwd uit zes eiken kromstijlgebinten die via vlieringen de eiken daksporen ondersteunen. De gebinten zijn genummerd met gesneden telmerken, die aan de oostzijde gebroken uitgevoerd zijn. Van het laatste gebintstijl aan de noordzijde is de rechter stijl genummerd 7, waarschijnlijk was tegen de topgevel ter plaatse oorspronkelijk een half gebint geplaatst. Dit gebint is op enig moment in zijn geheel verwijderd en de stijl is ter plaatse van nummer zes herplaatst.  Kapconstructies met eiken kromstijlgebinten en gesneden telmerken worden in Zwolle vanaf de tweede helft van de veertiende eeuw tot in de zestiende eeuw toegepast. De zolderborstwering is relatief hoog uitgevoerd en biedt ruimte aan nu dichtgemetselde vensteropeningen die corresponderen met de plaats van de oorspronkelijke kruisvensters op de begane grond. 

De daksporen zijn voorzien van enkele haanhouten. Enkele exemplaren hebben een rechthoekige doorsnede, een vorm die na de veertiende eeuw niet gebruikelijk meer is. 

1500-1600
×

1500-1600

Meer afbeeldingen

Het noordelijke deel van Het Langhuis  dateert mogelijk uit de zestiende eeuw.  Ook dit deel heeft een parallellogram-vormige plattegrond en gevels uitgevoerd in baksteenmetselwerk.  De eiken alternerende balklaag telt vier balkvakken, de moerbalken zijn bij de opleggingen niet voorzien van consoles of korbeelstellen. 

De kapconstructie bestaat uit vier eiken kromstijlgebinten, waarvan het meest noordelijke gebint uitgevoerd is als strijkgebint. De gebinten zijn genummerd met gesneden telmerken die aan de oostzijde gebroken uitgevoerd zijn. De datering van dit type kap lijkt wat vroeger dan die van de alternerende zolderbalklaag. Alternerende balklagen vormen een overgangstype tussen een samengestelde balklaag met moer- en kinderbinten en geheel enkelvoudige balklagen. Enkelvoudige eiken balklagen zijn vanaf de zestiende eeuw in opkomst en worden na 1600 geheel verdrongen door enkelvoudige balklagen van naaldhout. Alternerende balklagen worden vaak toegepast bij de modernisering van samengestelde balklagen, door de kinderbinten te vervangen door wat lichter uitgevoerde tussenbalken. Of dat bij Het Langhuis ook het geval geweest is kon bij het onderzoek niet vastgesteld worden. 

.

1600-1639
×

1600-1639

Meer afbeeldingen

De eerste sporen van de bewoningsgeschiedenis stammen uit de zeventiende eeuw. Uit de vuurstedenregisters uit de periode 1628-1631 blijkt dat een voornaam huis aan de Praubstraat eigendom is van rigter ter Borch. Aan de Goudsteeg heeft hij twee achterhuizen. De archiefstukken tonen ook aan dat deze huisjes niet door Ter Borch zelf bewoond werden, maar waarschijnlijk als aparte woningen verhuurd werden en/of onderdak boden aan alleenstaande vrouwen als ‘Hardensteijns moeder’ en ‘Dirk van Os(s)ens weduwe’. Het gaat hier alleen om het zuidelijk deel van Het Langhuis, het noordelijk deel fungeerde tot 1882 als achterhuis van Praubstraat 21.

Op 1 februari 1638 wordt het voormalige eigendom van Ter Borch, ‘twee huizen in de Praauwstraete ende Goldstege’ gekocht door Anna van Haerst [Meijer (ORG) 1918, 13]. Haar echtgenoot Emmanuel van Twenhuysen en zoon waren aan de pest overleden en de weduwe besloot een tehuis voor de opvang van oude vrouwen op te richten. Ter nagedachtenis aan haar man kreeg het katholieke armenhuis de naam ‘Emmanuelshuizen’. In haar testament bepaalde Anna van Haerst dat in deze woningen ‘enige bedaechde ende eerbare vrouw-personen geduyrende die tijt heures levens bequamelijk verblijff ende woninge connen ende mogen hebben’ [Ten Hove 2005, 301]. Na haar overlijden in 1639 werd deze wens uitgevoerd door de naaste erfgenamen Joan van der Merssche en Cornelis van Twenhuysen. Er werd een inventaris van alle roerende en onroerende goederen opgemaakt. Onder vaste goederen werd vermeld: ‘Eerstelick een huijs ende doorgaende weere, staende inde Prawstrate, met een huijrhuijs daerbeneffens in de Prawstrate, en twee huijrhuijsen in Goltstege (…)’ [Meijer (ORG) 1918, 16-17].

Het zuidelijke deel van het gebouw is ingedeeld in twee vertrekken. In de tussenwand is een rookkanaal van twee ruggelings geplaatste schouwen opgenomen. De scheidingsmuur tussen deze vertrekken en het noordelijke deel van het gebouw is op de begane grond uitgevoerd in metselwerk. Deze muur is op zolderniveau ter plaatse van gebint nummer 3 doorgezet. Onder de dekbalk is de muur verstevigd met een eikenhouten stijl- en regelwerk. Boven de dekbalk bestaat de scheiding uit verticaal geplaatste eiken delen. Deze delen zijn aan de noordzijde in het zicht, de zuidzijde is met plaatmateriaal afgewerkt. 

1800-1882
×

1800-1882

Bekijk afbeelding

Uit de OAT van 1832 blijkt dat de percelen 1868, 1869 (zuidelijk deel van Het Langhuis) nog altijd in eigendom zijn van de stichting De Emmanuelshuizen. Het blok ten zuiden van Het Langhuis aan de Koestraat, dat bekend staat als de Hof van Zuthem, is in bezit van v. Rechteren tot Limpurg. Het noordelijk deel van Het Langhuis is het achterhuis van Melchior Greve Brouwer, wiens perceel doorloopt tot aan de Praubstraat. 

Van het archief van de Emmanuelshuizen te Zwolle zijn diverse kasboeken en staten van inkomsten en uitgaven bekeken. In de negentiende eeuw werden door de stichting in 1846 kosten gemaakt voor ‘het verbouwen der armkamer tot twee woonhuisjes’ en het ‘schoonmaken der nieuwe huisjes’. Waarschijnlijk gaat het hier alleen om een aanpassing van de indeling van Het Langhuis. Ook in 1870 werd een flinke kostenpost vermeld voor metselwerk en timmerwerk voor de ‘nieuwe huisjes in de Goudsteeg’. 

In 1882 vindt een uitbreiding van de Emmanuelshuizen plaats. Het voormalige achterhuis van Melchior Greve Brouwer (inmiddels in handen gekomen van baron J.A.G. van Ittersum) werd aangekocht, zodat sinds 1884 23 personen in de huisjes ondergebracht konden worden (inclusief deel aan de Praubstraat). Het nieuwe eigendom moest mogelijk nog flink wat aanpassingen ondergaan, aangezien in 1882-1883 aan E.J. van der Berg in drie termijnen geld betaald werd voor ‘het verbouwen van het huis’. 

1967
×

1967

Meer afbeeldingen

Het tehuis van de stichting Emmanuelshuizen bleef bestaan tot 1964, waarna de gebouwen aan de stad werden verkocht. Vervolgens is Het Langhuis in 1967 door de afdeling Monumentenzorg van de dienst Openbare werken gerestaureerd en geschikt gemaakt als expositieruimte voor kunstenaars. Hierbij werd de voorgevel aan de Goudsteeg ontpleisterd en accentueerde men de vele bouwsporen in de gevels. De muur aan de straat ten zuiden van Het Langhuis, met daarin de toegang tot het achterterrein en de verschillende ‘kamers’, werd gesloopt. Ter vervanging werd ter plaatse van een venster een nieuwe voordeur gerealiseerd. De dubbele garagedeur in het noordelijk deel maakte plaats voor een enkel venster. Aan de achterzijde werd een reeks dakramen in het dakschild geplaatst. 

Voor wat betreft het interieur werd in het noordelijk deel een binnenmuur afgebroken om een open ruimte te creëren. Het meest zuidelijke deel bleef verkamerd ten behoeve van een kantoor, berging en een toiletgroep. Verder werden er nieuwe trappen naar de zolder geplaatst en kwamen op de vloer nieuwe plavuizen te liggen. 

Opvallend is dat op de bestaande toestand geen kinderbinten in de zolderbalklaag zijn getekend, terwijl deze wel op het nieuwe plan staan. Het lijkt er niet op dat alle kinderbinten bij de restauratie zijn aangebracht. Mogelijk zijn de kinderbinten deels vernieuwd en herlegd bij het egaliseren van de zoldervloer. 

1350-1400
1500-1600
1600-1639
1800-1882
1967

Introductie

Het rijksmonument ‘Het Langhuis’ vormde vanaf de stichting in de zeventiende eeuw een onderdeel van de Emmanuelshuizen, een rooms katholieke instelling voor de ondersteuning van behoeftige oude vrouwen. Sinds de restauratie in 1967 heeft het gebouw een culturele bestemming en is het in gebruik als kunstgalerie. Momenteel worden er plannen gemaakt om het gebouw aan te passen aan de hedendaagse eisen voor de presentatie van kunst en de ontvangst van bezoekers. Aan ARCX is opdracht verleend voor een bouwhistorisch onderzoek dat inzicht moet geven in de bewaard gebleven historische structuur en de daarin te onderscheiden tijdlagen. Aan de hand van de resultaten daarvan kan bepaald worden welke cultuurhistorische waarden bij de verandering in het geding kunnen zijn en waar ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen.

Het onderzoek heeft bestaan uit het in kaart brengen van de bouwgeschiedenis van dit gebouw. Tevens zijn direct beschikbare gegevens uit het HCO (literatuur, archief Emanuelshuizen, historische afbeeldingen en bouwdossiers) en van de voormalige afdeling Bk-Monumentenzorg van de dienst Openbare Werken (1967) bij het onderzoek betrokken. De locatie is bezocht op woensdag 18 februari 2015. 

Beschrijving

Het Langhuis bestaat uit twee bouwmassa’s met bakstenen gevels. Het deel aan de zuidzijde heeft een langgerekte rechthoekige plattegrond evenwijdig aan de straat. Het huis heeft boven de begane grond een zolder onder een schilddak. Alleen het zuidelijke deel van de plattegrond  is ingedeeld met twee vertrekken. Links en aan de achterzijde staat het pand vrij en grenst daar aan een overwegend groen binnenterrein.

Aan de noordzijde is een volume aangebouwd, dat wat ondieper is en waarvan de zoldervloer op hetzelfde niveau als het zuidelijke deel ligt. Ook deze aanbouw heeft een schilddak. Beide daken zijn gedekt met rode oud- Hollandse dakpannen. De achtergevel van deze aanbouw is ingebouwd door het achterhuis van Praubstraat 23.

Van het huis is geen recente opmetingstekening beschikbaar, sinds de restauratie in 1967 vonden geen ingrijpende wijzigingen plaats. De plantekening uit dat jaar geeft een redelijk accuraat beeld van de huidige situatie. 

Advies en waardering

De huidige opzet van Goudsteeg 8 in Zwolle is in hoofdlijnen ontstaan bij de samenvoeging in de negentiende eeuw van twee achterhuizen die oorspronkelijk behoorden bij de hoofdbebouwing aan de Praubstraat. Het zuidelijke deel is waarschijnlijk gebouwd omstreeks 1400, het noordelijke deel dateert uit de zestiende eeuw. Het oudste deel van het huis maakte vanaf 1639 deel uit van de stichting ‘Emmanuelshuizen’ die huisvesting bood aan arme vrouwen van katholieke huize. 

Historische waarden
Het Langhuis  is van belang als herkenbaar onderdeel van de in het begin van de zeventiende eeuw op persoonlijk initiatief gestichte liefdadigheidsvoorziening, hoofdzakelijk gericht op de huisvesting van arme katholieke vrouwen.

Ensemblewaarden
Het complex is van belang vanwege de herkenbaarheid door schaal en omvang als oorspronkelijk zelfstandig achterhuis van een hoofdhuis aan de Praubstraat.

Bouwhistorische waarden
Het gebouw is van belang als typologisch voorbeeld van twee samengevoegde evenwijdig aan de straat gebouwde verdiepingloze dwarshuizen.
Het gebouw bezit een hoge monumentale waarde vanwege het gaaf bewaarde casco, bestaande uit in schoon metselwerk opgetrokken gevels met daarin herkenbare bouwsporen van voormalige gevelopeningen, grotendeels oorspronkelijke zolderbalklagen en uit de bouwtijd daterende eiken kapconstructies.
Het gebouw is verder van belang vanwege de bewaard gebleven historische indeling, waarbij met name de op zolderniveau aanwezige houten wand genoemd moet worden.

Waarden vanuit de gebruikshistorie
Het gebouw is van belang vanwege de herkenbare verwijzing naar de kleinschalige en sobere huisvesting van de voormalige doelgroep, zoals die blijkt uit de bewaarde gebleven indeling van de ruimte op de begane grond, de aanwezige schouwen en de huidige gevelindeling.

Aanbevelingen

Bij de voorgenomen plannen biedt de bestaande situatie in historisch opzicht vrij veel houvast. De restauratie in de jaren ’60 van de vorige eeuw betekende geen grote veranderingen; op terughoudende wijze is destijds de bestaande situatie geconsolideerd en aanvullingen zijn op eigentijdse en herkenbare wijze uitgevoerd. Eenvoud en soberheid in combinatie met een goede afleesbaarheid van de historische gelaagdheid zijn belangrijke bouwhistorische kernwaarden van Het Langhuis waarmee bij de geplande aanpassingen rekening gehouden moet worden.