1400-1550
×

1400-1550

Meer afbeeldingen


ontwikkeling van de stad Zevenaar
De stad (Nieuw) Zevenaar is ontstaan nabij de inmiddels verdwenen burcht Sevenaer. Deze burcht werd in de 13e- of begin 14e eeuw op een doorwaadbare plaats van de Aa, ten noordwesten van Oud-Zevenaar gebouwd. De vestiging van de burcht heeft waarschijnlijk te maken met de strijd tussen het hertogdom Gelre en het graafschap Kleef om het gebied onder hun invloedssfeer te brengen. Zevenaar was van oorsprong Gelders bezit, maar werd uiteindelijk in 1406 verpand aan de graaf van Kleef (vanaf 1417 spreekt men van het hertogdom Kleef). 

In 1487 kreeg Zevenaar stadsrechten van hertog Jan II van Kleef en de daarbij horende privileges als het heffen van accijnzen, het houden van markten en het aanleggen van verdedigingswerken. De verlening van stadsrechten stimuleerde de ontwikkeling van Zevenaar tot het bestuurlijke en administratieve centrum van het ambt Liemers.

‘Smollingshuse’
Al voor het verlenen van stadsrechten in de 15e eeuw was er sprake van de ‘Vryheit Sevenaer’, omgeven door een gracht. Het ging hierbij om een gebied rond de Markt en de kapel van St. Andreas, de huidige Andreaskerk. Aan de westzijde grensde de Vryheit aan de burcht Sevenaer. De oostgrens bevond zich nabij het in oude archiefbronnen vermelde ‘Smollingshuse’, waar vanaf de late 14e eeuw de familie Smullinck gewoond zou hebben. In 1467 wordt concreet gesproken over ‘een weg to Smollingshuse’ (de huidige Weverstraat) en een ‘Smollingsgracht’. De Smullincks onderhielden nauwe banden met de Hertog van Kleef en hebben tot in de 16e eeuw het huis bewoond dat sinds 1785 eigendom is van de familie van Nispen tot Sevenaer en in de 18e eeuw de naam ‘Huis Sevenaer’ kreeg. 

Het is niet exact bekend wanneer het Huis Sevenaer, het voormalige ‘Smollingshuse’, is gebouwd. Mogelijk bestaat er een verband tussen de bouw van de havezate en het borgleen waarmee Derick Smullinck in 1393 werd beleend. In 1414 krijgt Derick bij zijn aanstelling als ambtman van de Liemers een stuk grond te leen. Waarschijnlijk betrof het oorspronkelijke huis een omgracht en eenbeukig zaalgebouw, dat oorspronkelijk al van een kelder was voorzien. De omvang van het eind 14e-eeuwse of vroeg 15e-eeuwse gebouw kwam mogelijk overeen met het westelijk (rechter) deel van de huidige hoofdvleugel van Huis Sevenaer. De substantiële dikte van het muurwerk tussen provisiekelder 1 en de linnenkamer in het souterrain en tussen het kantoor en de kleine eetkamer op de beletage verwijst wellicht nog naar de oostelijke begrenzing van het oude zaalgebouw. Hetzelfde geldt mogelijk voor het (minimale) onderscheid in de gordelbogen links en rechts in het souterrain en voor het verschil in vensterindeling (traveematen) in de achtergevel. 

Daarnaast dateren enkele hergebruikte daksporen in de hoofdkap mogelijk nog uit de oudste bouwfase. Uit de bouwsporen op deze daksporen valt af te leiden dat deze oorspronkelijk uitgevoerd waren met dubbele haanhouten, waarvan het onderste haanhout direct op de flieringen van het onderste gebint rustte. Deze ongebruikelijke constructie kon bij eerder onderzoek in het centrum van Doesburg ook waargenomen worden en is daar geïnterpreteerd als overgangsvorm tussen een zuivere sporenkap en de toepassing van gebinten. Mogelijk werd deze vernieuwing toegepast naar aanleiding van de introductie van (zwaardere) dakpannen omstreeks 1400 [ARCX, Koepoortstraat 24 in Doesburg, sept 2004; ARCX, Ooipoortstraat 58-60 in Doesburg, okt 2005; Peter Boer, Dendrochronologische dateringen in Doesburg, in: SBN nieuwsbrief bouwhistorie, 2009]. 

Behoudens de westelijke kelder en enkele hergebruikte daksporen resteert er op het oog vrijwel niets van deze oudste bouwfase. Latere verbouwingen zullen veel sporen uitgewist hebben. Ter hoogte van de vermoedelijke grens van het oudste bouwdeel zijn rond de derde en vierde vensteras in de achtergevel weliswaar enkele kleine verstoringen waarneembaar (enkele koppen in de strekkenlagen), maar er is geen sprake van een duidelijke bouwnaad. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat eventuele bouwsporen van een verlenging of verhoging van een ouder zaalgebouw nog schuil kunnen gaan onder de klimop, die een groot deel van de buitengevels aan het zicht onttrekt.

1550-1750
×

1550-1750

Meer afbeeldingen


verlenging en verbouwing van het zaalgebouw
Op enig moment vond er een ingrijpende verbouwing plaats, waarbij het bestaande ‘Smollingshuse’ waarschijnlijk werd verlengd. Hiermee bereikte de hoofdvleugel de omvang die voor het eerst is afgebeeld op een prent van de rondreizende kunstenaar Jan de Beijer uit 1745. Van deze prent zijn meerdere versies bekend in de vorm van latere kopieën door andere kunstenaars. De Beijer tekende een groot oost-west georiënteerd bouwvolume van twee bouwlagen onder een hoog schilddak, met op de westelijke zijgevel een fors rookkanaal dat waarschijnlijk oorspronkelijk opgenomen was in een topgevel. 

Van de gevels van de hoofdvleugel is maar een klein deel te zien. De vertrekken op de beletage, verdieping en de zolderruimten werden via kloostervensters van daglicht voorzien; smalle lichtopeningen met aan de bovenzijde glas-in-lood en daar onder een naar buiten draaiend luik. Deze vensters waren op de beletage uitgevoerd met een gebogen laag strekken boven de segmentbogen. De kapconstructie was opgebouwd uit acht gestapelde eiken dekbalkgebinten, waarvan in de huidige situatie alleen de onderste gebinten bewaard zijn gebleven. Deze zijn opeenvolgend genummerd met gehakte telmerken I t/m VIII. In het souterrain werd de bestaande constructie van smalle kruisgewelven tussen gordelbogen in het verlengde oostelijke deel voortgezet. 

De combinatie van eiken gebinten met gehakte telmerken en de vormgeving van de (voormalige) kloostervensters op de beletage wijst op een datering van deze verbouwing in de tweede helft van de 16e eeuw. De verdiepings- en zolderbalklaag is nergens in het zicht. De aard, samenstelling en datering van de balklagen blijft vooralsnog onbekend. Mogelijk kan de omvangrijke modernisering van de havezate in verband gebracht worden met het huwelijk van Wendelina Smullinck (1560-1594) en Adriaan Spieringh (?-1604) in 1575. Het adellijke huis ging over naar een nieuwe familie, wat wellicht de aanleiding vormde voor de uitbreiding. 

traptoren
Tegelijk met de bovenstaande verbouwing is waarschijnlijk ook de forse achtzijde traptoren tot stand gekomen die ongeveer centraal tegen de voorgevel is geplaatst en verbonden was met de kap van de hoofdvleugel. De toren was oorspronkelijk voorzien van een opengewerkte spits. Met behulp van de spiltrap in de toren kon men, onafhankelijk van destijds mogelijk aanwezige niveauverschillen, de vertrekken in het souterrain, de beletage, verdieping en zolder ontsluiten.  

Op de begane grond is aan de linkerkant een voormalige toegang dichtgezet. Boven deze voormalige entree is een van rijk beeldhouwwerk voorziene gevelsteen opgenomen die rust op twee geprofileerde consoles. In het bovenste deel van de gevelsteen zijn centraal de familiewapens van de adellijke families Spieringh en Nulant afgebeeld. Links is in de rand ook het wapen van de familie Smullinck weergegeven (een schuin geplaatste ladder van vijf sporten). Het onderste deel bevat het Latijnse onderschrift ‘nisi dominvs aedificaverit domvm in vanvm laporavervnt qv aedificante eam anno 1612’. De enigszins cryptische vertaling luidt: ‘Als de Heer het huis niet zou hebben gebouwd, zouden zij die haar bouwden tevergeefs hebben gewerkt in het jaar 1612’. Het jaartal roept in combinatie met de familiewapens vragen op. Frans van Spiering (1590-1649), zoon van Adriaan en Wendelina en eigenaar vanaf 1608, trouwde namelijk pas in 1625 met Henriëtte van Nuland (1605-1627). Wellicht heeft Frans pas na zijn huwelijk de gevelsteen geplaatst ter herinnering aan een eerdere verbouwing. Het is daarnaast mogelijk dat de herdenkingssteen oorspronkelijk op een andere plek was ingemetseld. 

twee dwarsvleugels aan de voorzijde
Op de tekening van de Beijer uit 1745 is te zien dat haaks tegen de voorgevel twee vleugels staan die voor 1818 weer gesloopt zouden worden. De linker aanbouw heeft een trapgevel, de rechter aanbouw is voorzien van een maniëristische voorgevel met in- en uitzwenkende geveltop en een zijgevel met kruisvensters. De vormgeving van met name het rechter bouwdeel wijst op een datering omstreeks of kort na 1600. Wellicht heeft het jaartal ‘1612’ in de genoemde gevelsteen betrekking op de bouw van deze vleugels. 

1750-1827
×

1750-1827

Meer afbeeldingen


De havezate blijft tot in de 18e eeuw het domein van de familie Spiering, vanaf 1723 niet langer als leengoed, maar als persoonlijk eigendom. In 1736 werd Huis Sevenaer gekocht door Otto graaf van Bylandt-Palstercamp, die het op zijn beurt in 1776 weer verkocht aan Alexandrina van Rouwenoort. Opvallend is dat ondanks de stijgende grondprijzen in de 18e eeuw, de waarde van Huis Sevenaer in deze periode is gedaald van fl. 23.500,- naar fl. 21.100,-. Hieruit kan mogelijk geconcludeerd worden dat het onderhoud van het gebouw inmiddels te wensen overliet. In 1785 kwam de havezate in handen van Arnoldus J.A. van Nispen (1761-1791) en zijn vrouw Debora P.M. Pelgrom. Het rentmeestersgeslacht Van Nispen heeft vanaf 1785 tot 2012 het landgoed beheerd. 

indeling en hoofdstructuur
Vermoedelijk is Huis Sevenaer kort na de aankoop in 1785 verbouwd en gemoderniseerd. In deze periode zullen de aanbouwen aan de voorzijde gesloopt zijn. De zo ontstane bebouwingscontour van het hoofdgebouw is nauwkeurig weergegeven op de kadastrale kaart uit 1818. Binnen de omgrachting staan ten noorden van het hoofdgebouw twee vrijstaande bijgebouwen, waarvan het westelijke gebouw in gebruik was als koetshuis. 

Het is verder niet exact bekend welke werkzaamheden nog meer in de tweede helft van de 18e eeuw zijn uitgevoerd. Vanwege latere verbouwingen, met name die van 1827, bevat het huidige gebouw geen zichtbare 18e-eeuwse interieuronderdelen. Het is wel aannemelijk dat de indeling van Huis Sevenaer voor een belangrijk deel in de 17e- of 18e eeuw tot stand is gekomen. Bij latere moderniseringsslagen duidt de informatie uit archiefbronnen namelijk hoofdzakelijk op het vernieuwen van het interieur en niet op het wijzigen van de hoofdstructuur. Het hoofdconcept bestaat uit een gang langs de voorgevel, die de vertrekken aan beide uiteinden en aan de achterzijde van het souterrain, de beletage en de verdieping ontsluit. Dat de gang op alle verdiepingen aan de noord-westzijde trapsgewijs breder wordt vormt een verwijzing naar de oorspronkelijke plaats van de trap aan deze zijde. Op een ongedateerde plattegrond (van J.T. Übbing uit 1827?) van de bel-etage staat ter plaatse de trap ook ingetekend. De hoofdentree van Huis Sevenaer bevond zich waarschijnlijk links van de traptoren, daar waar in 1827 een nieuwe entree werd gerealiseerd. 

1827
×

1827

Meer afbeeldingen


Vanaf het begin van de 19e eeuw was Everhardus C.F.J. van Nispen (1784-1842) eigenaar en bewoner. Hij trouwde in 1809 met Huberta J.C. van Middachten (1793-1868). Naar verluid raakte Everhard zwaar in de schulden en werd Huis Sevenaer in 1824 gekocht door zijn zeer vermogende oom Carel Herman van Nispen (1764-1829). Carel trad sinds 1810 op als voogd van Isabella E.J. Hoevel tot Swanenburg (1804-1879) en haar zus Christina J.T.M. Hoevel. In korte tijd ‘arrangeerde’ Carel het huwelijk van de zussen met zijn beide zonen. Op 6 november 1827 trouwde Christina met Carolus E.J.F. van Nispen tot Pannerden, waarna zij Huis ’t Hoek in Zevenaar betrokken. Vlak na de aankoop van Huis Sevenaer in 1824 had Carel het landgoed geschonken aan zijn oudste zoon Johannes A.C.A. van Nispen (1803-1875) die in 1823 in het huwelijk was getreden met Isabella. 

verbouwing in 1827 door architect J.T. Übbing
In 1827, een paar jaar na zijn huwelijk met Isabella Hoevel tot Swanenburg, treft Johannes A.C.A. van Nispen voorbereidingen om Huis Sevenaer grondig te verbouwen. Architect J.T. Übbing uit Anholt (D) werd ingeschakeld om een ontwerp te maken voor de transformatie van de oude havezate tot classicistisch landhuis. Übbing is in ons land vooral bekend door de in 1825-1827 uitgevoerde verbouwing van kasteel Landfort bij Megchelen. Dit buiten kreeg een uiterlijk in een landelijke historiserende classicistische stijl en werd uitgebreid met twee kwartronde vleugels. In het Gelders Archief is een flinke hoeveelheid documentatie, bestekken en tekeningen bewaard gebleven die duiden op een complex en omvangrijk bouwproces [Gelders Archief, 3027 -1773].

niet uitgevoerd ontwerp
In januari 1827 leverde Übbing een bestek met begroting aan voor enkele tientallen nieuwe kozijnen en ramen en een zestal paneeldeuren voor de eerste verdieping (bel-etage). Uit de stukken blijkt dat er op dat moment concrete plannen waren om het huis van een extra verdieping te voorzien. In de prijsopgave zijn voor de derde verdieping veertien kozijnen met ‘schuivende glasramen’ opgenomen. Hoewel Übbing nog geen bestektekeningen gereed heeft stelt hij voor om alles voorlopig ‘met of sonder ferandering des plaans klaargemaakt worden..’. 

Übbing had eind mei zijn tekeningen gereed die een zeer ambitieus plan laten zien waarbij de indeling en het aanzien van het huis ingrijpend zouden wijzigen. Aan de zuidzijde was een aangebouwde oranjerie gepland. Van het historische casco zouden alleen vloeren, delen van de gevels en de beide torens gespaard worden. Het plan voorzag tevens in het modernste comfort in de vorm van waterleidingen, riolering en een centraal gestookte hete lucht verwarming. In deze vorm is de verbouwing niet doorgegaan, mogelijk vanwege de kosten, die door de architect op f 10.055,- berekend werden. 

Hoewel het aanvankelijke ontwerp van Übbing niet is gerealiseerd, bleef hij wel betrokken bij de verbouwing van Huis Sevenaer, waarbij de plannen in een afgeslankte vorm zijn uitgevoerd. Het betrof een totaalconcept, waarbij zowel het hoofdgebouw, de bijgebouwen en het omliggende park een nieuwe uitstraling kregen.

1827 exterieur
×

1827 exterieur

Meer afbeeldingen


Nog hetzelfde jaar kreeg het exterieur van het hoofdgebouw een ‘moderne’ (neo)classicistische uitstraling door het rondom bepleisteren van de gevels en het vervangen van de laatmiddeleeuwse kruis- en kloostervensters door schuifvensters met een Empire roedeverdeling op de beletage en de verdieping. Hiermee werden tevens alle (storende) bouwsporen aan het zicht onttrokken. Links naast de traptoren verrees een nieuw entreeportaal, bestaande uit een door twee Dorische zuilen gedragen plat dak met rijk gedecoreerd fries. Een trap van twaalf hardstenen treden leidde naar de nieuwe hoofdentree met dubbele deuren onder een halfrond bovenlicht en een van blokbepleistering voorziene deuromlijsting. In deze periode moet het gebouw aan de noord-oostzijde ook uitgebreid zijn met een nieuwe dwarsvleugel, waarschijnlijk ook naar een ontwerp van Übbing. Van deze veranderingen bleven in de archieven helaas geen stukken bewaard.

kapconstructie
Om het classicistische beeld verder te volmaken werd aan het eind van 1827 ook de kap van het gebouw aangepakt. Timmerman/aannemer(?) R. de Vries uit Zevenaar stelde op 9 oktober 1827 een bestek op voor de vernieuwing van de kapconstructie, inclusief de gehele zoldervloer. Deze vloer werd vervangen door een enkelvoudige naaldhouten balklaag, opgebouwd uit ’45 stuks Strijkbalkens naar verdeeling horizontal op ’t muurwerk te strekken, verankern en de openingen der schoorsteenen, trappen enz. met wissel-houten te stravelen.’  De Vries bevestigde de werkzaamheden voor f 204,- aan te nemen en het werk ‘Primo December geheel verfaardigt te hebben.’ De bestaande gestapelde schaargebinten, 16 stuks in totaal, moesten gedemonteerd worden om de onderdelen opnieuw te kunnen gebruiken voor de nieuwe constructie. De nieuwe kap werd een stuk lager en met een flauwere dakhelling uitgevoerd. Ook een deel van de bestaande eiken daksporen werd herplaatst. 

Begin december was het werk al zo ver gevorderd dat J.T. Übbing een tussenrapport betreffende ‘de door den aannemer de Vries nog omteanderenen en in uitvoering te brengen.’ Ubbing merkte o..a. op dat de daksporen op de platen ingekeept moesten worden en ieder met een 6 1/2 tot 7 duimen lange nagel gezekerd moesten worden ‘edog met uitzondering van de geene sparren aan de noordzijde, zo verr de nieuwen vleugel gebouwt (…) om deselve vervolgens gemakkelijk weer weg te kunnen nemen.’ Deze zinsnede bevestigt dat in december 1827 nog aan de nieuwe vleugel gewerkt werd. Overigens is het er later niet meer van gekomen om de daksporen ter plaatse van de aansluiting tussen de bouwdelen weg te nemen. In de huidige situatie liggen de door De Vries geplaatse daksporen hier nog op hun plaats.

traptoren
Zeer waarschijnlijk heeft men in deze periode ook de spits van de traptoren vervangen door een plat dak met balustrade. Dit ‘uitkijkplatform’ bood familie en bezoekers een mooi uitzicht op het omliggende landschapspark, waarvan in het archief twee ongesigneerde en ongedateerde schetsontwerpen bewaard bleven. Het hoofdhuis werd aan de rechterkant direct verbonden met een aantal nieuwe bijgebouwen, waaronder het vernieuwde koetshuis. 

1827 interieur
×

1827 interieur

Meer afbeeldingen


Het interieur van het hoofdgebouw werd eveneens gemoderniseerd, passend bij het nieuwe neoclassicistische uiterlijk. In het archief wel bleven twee ongedateerde en anonieme begrotingen van een ‘ontwerp over het resterende timmerwerk in al de vertrekken op het huijs Zevenaar’ bewaard [Gelders Archief, 3027 - 1774]. De werkzaamheden zijn hierin per vertrek uitgesplitst en betreffen voor een totaalbedrag van f 128,30 en f 171,50 vooral het betimmeren van schuifvensters, het maken van blindkasten, vensterbanken, plafonds, de reparatie van vloeren en het aanbrengen van plinten, het betimmeren van binnendeurkozijnen en het afhangen van deuren. Bij beide begrotingen is met een ander handschrift de doortelling gecorrigeerd door al het plafondwerk in mindering te brengen. Bij de laagste begroting is tevens een ‘porte prizé’ (porte brisée) met ‘vier halve deuren van nagelhout’ geschrapt. In beide opsommingen is voor de keuken een ‘boezem met lijst’ opgenomen. Hoewel de beide begrotingen op details verschillen komen de werkzaamheden per vertrek grotendeels overeen. In bijgaande tabel zijn de werkzaamheden per vertrek gekwantificeerd. 

indeling
Uit de opsomming in dit document is de globale indeling en een deel van de oorspronkelijke functie en grootte (aantal schuifvensters) van de vertrekken af te leiden. De toenmalige indeling komt in grote lijnen overeen met de huidige en is waarschijnlijk al in de 17e of 18e eeuw ontstaan, zie het vorige tijdvenster. De vertrekken achter de trap (aan de westzijde, nu niet meer aanwezig) waren in gebruik als keuken en bijkeuken. De kleine eetkamer was oorspronkelijk waarschijnlijk opgedeeld in twee kleinere vertrekken (kantoor en kleine kamer). 

grote salon en grote eetkamer
De meest representatieve en rijk gedecoreerde vertrekken waren gesitueerd aan de linkerzijde op de beletage. De hier gelegen grote salon en de grote eetkamer geven nu nog altijd een goed beeld van de modernisering van het interieur in 1827. De bestaande grote salon is middels een porte-brisée verbonden met de grote eetkamer in de in 1827-1828 gerealiseerde aanbouw, waarmee een en-suite ruimte werd gecreëerd. De porte-brisée deur (Frans voor gebroken deur) bestond aanvankelijk waarschijnlijk uit openslaande vleugeldeuren. Deze zijn later vervangen door schuifdeuren, zoals dat in veel gevallen gebeurde. 

Waarschijnlijk dateren de beide sobere stucplafonds ook uit 1827. Geheel volgens de heersende empirestijl werden de plafonds vrij sober gehouden, een eenvoudige randlijst en een middenornament van acanthusbladen. Tegen de lange zijde van de vertrekken bevinden zich de schouwen, die een centraal element in de ruimte vormen. De empire schouw in de grote salon heeft zoals destijds gebruikelijk een lage schouw en ook de pilasters met Korinthische kapitelen sluiten aan bij de empire vormgeving. In de grote eetkamer is de vensterindeling geaccentueerd door het plaatsen van Ionische pilasters aan weerszijden van de vensters. De pilasters ondersteunen het uitspringende (gekorniste) lijstwerk van het stucplafond, dat zo de vorm krijgt van een hoofdgestel.

1907
×

1907

Meer afbeeldingen


Na het overlijden van zijn vader in 1875 verviel Huis Sevenaer aan Raphaël (A.J.B.) van Nispen (1835-1885) en zijn vrouw Adriana W.G. van der Schueren (1837-1906). Zij woonden tot dan toe op het nabijgelegen huis De Doelen, waar zij zes kinderen hadden gekregen. De oudste zoon Lodewijk J. M. van Nispen tot Sevenaer (1867-1949) zou in 1885 het adellijke huis erven. Lodewijk trad in 1897 in het huwelijk met Anna M.E.P.A. Vos de Wael (1872-1931). Hij woonde in het begin van de 20e eeuw samen met zijn vrouw en zijn drie jongere zussen, de jonkvrouwen Josephina (1873-1949), Theresia (1877-1961) en Euphemia (1880-1963) in het hoofdgebouw. Na het overlijden van hun moeder in 1906, startten zij in 1907 met de gezamenlijke exploitatie van het landgoed. Uit de periode 1903-1908 bleven in het Gelders Archief en het Streekarchivariaat de Liemers en Doesburg in Zevenaar een set tekeningen en een bestek bewaard van de verbouwing van huis Zevenaar door het Amsterdamse architectenbureau Ed. Cuypers. 

Eduard Cuypers
Eduard Gerard Hendrik Hubert Cuypers (1859-1927) was de zoon van Henri Cuypers, een oudere broer van de grote P.J.H. Cuypers. Eduard werd opgeleid op het bureau van zijn oom en nadat hij in 1881 zijn eigen bureau oprichtte specialiseerde hij zich in modieuze architectuur. Hij werkte veel voor het bedrijfsleven en leverde ontwerpen voor kantoren en winkels maar tekende ook villa’s en woonhuizen. Verder ontwierp hij tientallen stationsgebouwen. Belangrijke architecten van de architectuurstroming Amsterdamse School als Michiel de Klerk, Joan van der Mey en Piet Kramer waren aanvankelijk bij Cuypers werkzaam.In het begin van de 20e eeuw werd hij sterk beïnvloed door vernieuwende architectuurstromingen, zijn latere werk is overwegend in een sobere historiserende stijl. 

splitsing van Huis Sevenaer in twee woningen
De start van de gezamenlijke exploitatie in 1907 valt samen met de verbouwing van Huis Sevenaer naar ontwerp van Cuypers. Aanleiding voor de verbouwing was de wens van Lodewijk van Nispen en zijn zussen om in het huis twee gescheiden huishoudingen te voeren. Daarvoor moest het hoofdgebouw in twee delen gesplitst worden, ieder met een eigen entree. Om dat te bereiken werden ter hoogte van de traptoren op alle niveaus in de gangen scheidingsmuren gemetseld. Het bewaard gebleven bestek is opgedeeld in werkzaamheden in het linker en het rechter gedeelte. Het bestek is integraal opgenomen in de bijlagen en te downloaden via de knoppenbalk. Hier en in de volgende vensters worden de belangrijkste veranderingen genoemd.

exterieur
Tegelijk met de verbouwing omstreeks 1907 vond de sloop van de bijgebouwen plaats die tegen de rechter zijgevel van het hoofdgebouw stonden. Alleen het koetshuis bleef bewaard. Nadat de bouwwerken waren afgebroken werden de gevels van het hoofdgebouw ontpleisterd en zal het metselwerk rondom deels hersteld en/of vernieuwd zijn. Men koos er nadrukkelijk voor om sporen van voormalige kloostervensters in de voorgevel, achtergevel en linker zijgevel als restanten van de oude havezate in het zicht te laten.

1907 links
×

1907 links

Meer afbeeldingen


entree en souterrain
De bestaande - uit 1827 daterende - hoofdentree ging als toegang tot de linker woning functioneren. Onder het bordes realiseerde men een kolenbergplaats. De tweedeling van het huis betekende ook dat er twee verschillende huishoudens gevoerd werden. De twee delen hadden dan ook een eigen keuken nodig die beiden in het souterrain werden geplaatst. Het huispersoneel bereidde hier de maaltijden. De keuken van het linker deel werd gesitueerd in het souterrain onder de vleugel uit 1827. Op een terrazzovloer kwam tegen de noordgevel een aanrecht met gootsteen, pomp en onderkasten te staan. Dit vloertype was in 1907 relatief nieuw. De vloer heeft een glad en naadloos oppervlakte waardoor het goed schoon te maken is en dus zeer praktisch voor een keuken. Tegen de westmuur hing men boven het fornuis een ijzeren rookvang op.

Naast de keuken werd in de gang een spijzenliftje aangebracht, waarmee het eten direct naar de grote eetkamer kon worden vervoerd. Verder is in het linkerdeel in de zuidoostelijke vertrekken een vrij omvangrijke wijnkelder aangelegd. De genummerde wijnschappen dateren waarschijnlijk ook uit 1907 en zijn bovendien voorzien van een opschrift (de wijnschappen van gele bakstenen zijn van later datum). Het (later verplaatste) ijzeren hekwerk met slot sloot de wijnvoorraad af, in veel gevallen ook voor het personeel. Opvallend is dat deze werkzaamheden in het souterrain niet in het bestek van Cuypers genoemd worden. 

hall
Verreweg het meest ingrijpende deel van de verbouwing was de realisatie van een hall, waarvoor de kamer naast de grote salon opgeofferd werd. De hall die Cuypers in 1907 in huis Sevenaer toevoegde was geïnspireerd op het concept van de Engelse hall, die meer werd gebruikt als verblijfsruimte. Nederlandse architecten lieten zich vanaf 1890 inspireren door deze Engelse ruimte en combineerde in veel gevallen de circulatiefunctie met de verblijfsfunctie. Dit concept paste Cuypers ook toe in de nieuwe hall van huis Sevenaer.

Het vertrek werd nabij de hoofdingang (van het linker deel) gesitueerd waarmee het diende als ontvangstruimte. Tegen de wand van de ruimte werd een monumentale bordestrap naar de verdieping geplaatst, zodat er in het vertrek ruimte overbleef voor een kleine verblijfsruimte. De schouw en de bankjes maakte de ruimte daadwerkelijk tot een aangename plek om te verblijven. De doorsnede tekening toont dat er voor de gangdeur een zogenaamd portière of tochtgordijn aanwezig was. Door toepassing van donker Slavonisch eikenhout werd een intieme sfeer gecreëerd. De gecombineerde circulatie- en verblijfsfuncties van deze hall was totaal verschillend van de traditionele ontsluiting middels een gang waardoor aan dit deel van huis Sevenaer een moderne ruimte werd toegevoegd.

Voor de toetreding van daglicht in de hall werden in de achtergevel nieuwe kleine vensters en in de voorgevel een gereconstrueerd kloostervenster geplaatst. Onder het bordes situeerde men een toilet en een donkere kamer voor het ontwikkelen en afdrukken van foto’s. Het bestek beschrijft dat de trappen, lambriseringen, balusters en leuningen al op het huis aanwezig waren en pas gemaakt moesten worden. Onduidelijk is of deze hergebruikte onderdelen eerder al tot het huis behoorden of speciaal hiervoor aangekocht werden. 

verdieping en zolder
In 1907 kregen beide delen een eigen bescheiden badkamer op de eerste verdieping. In het rechterdeel werd de badkamer in een smal vertrek nabij de grens van beide delen gesitueerd, het linker bad had een relatief groot vertrek in de noordoostelijke vleugel. Rondom dit laatste bad op pootjes is een houten aftimmering geplaatst. In beide badkamers staat een wasbak met zeer karakteristiek ijzeren onderstel.

Op de verdieping kwam boven de hall een nieuwe trap naar de zolder van het linker deel. Op de overloop maakte men tegen de buitengevel een w.c. In afwijking tot de detailtekeningen werd rond het trapgat een afscheiding van stijl-en-regelwerk getimmerd, gevuld met metselwerk van drijfsteen. 

Op zolder werden voor het inwonend huispersoneel in 1907 twee zolderkamertjes afgetimmerd op de scheiding tussen de twee delen van het huis. Deze kamers en de op zolder geïnstalleerde watertank kregen wanden met een vergelijkbare opbouw als de vakwerkwanden rond het trapgat. De zolderruimtes zijn voor dienstvertrekken vrij groot maar worden op de plattegrond aangeduid in meervoud: “dienstboden”. Mogelijk deelden dus meerdere personeelsleden dezelfde zolderkamer. Links op zolder bevonden zich ook nog twee slaapkamers. Verder is de aanwezigheid van de op zolder afgetimmerde garderoberuimtes opvallend, de houten kledinghaken zijn in deze ruimtes nog altijd aanwezig. Gezien de wandconstructie zijn deze ruimtes waarschijnlijk eerder tot stand gekomen.

Op zolder was voor de verbouwing al een waterreservoir aanwezig waaruit drink- en badwater betrokken kon worden. Dit reservoir moest men met een handpomp vanuit een bron periodiek vullen. In 1908 werd aan de heer van Nispen tot Sevenaer een vergunning verleend voor het plaatsen van een petroleum motor van 6pk voor ‘huiselijk gebruik’. Deze motor dreef een centrifugaalpomp aan die het reservoir op zolder vulde en zo zorgde voor de benodigde waterdruk. Deze installatie werd in het noordelijke deel van het koetshuis geïnstalleerd.

1907 rechts
×

1907 rechts

Meer afbeeldingen


entree
Voor de nieuwe voordeur van het rechter deel ontwierp Cuypers een buitentrap met bordes met daar onder een dienstingang naar het souterrain. De treden en balustraden van de trap werden afgedekt met Niedenmänninger natuursteen, een vulkanisch gesteente van onbekende herkomst. Onder het bordes kwam ook een w.c. De entree op de beletage leidde naar het deel van de gang waar voorheen de verdiepingstrap stond. Deze werd noodzakelijkerwijs gesloopt en het trapgat werd dichtgelegd. De bewoners rechts konden gebruik maken van de trap in de traptoren.

souterrain en traptoren
Het westelijke deel van het souterrain werd in gebruik genomen als keuken, hiervoor moest een muur uitgebroken worden. De bovenliggende muren tussen salon en eetkamer en boudoir en hall werden opgevangen met dubbele ijzeren profielbalken. Ter plaatse vernieuwde men de keldergewelven en in de keuken en de gang kwam ook hier een terrazzo vloer. De keuken van het rechterdeel kwam in het meest westelijke vertrek. 

Na het vervangen van drie vensters en het betegelen van de wanden werd het aanrecht geplaatst, uitgevoerd met een marmeren blad. Tegen de westmuur kwam een grote schouw met een grote schouwboezem op natuurstenen consoles. De nog altijd aanwezige wandtegels en keukenkastjes getuigen nog van de vroegere keukenfunctie in deze ruimte. Net als in het linker deel werd ook hier een spijzenliftje voor het interne transport van vaatwerk en spijzen tussen souterrain en woon-eetkamer geplaatst. 

De onderste achttien treden van de spiltrap in de traptoren werden vervangen in beton en de traptoren kreeg op de bel-etage een doordraaiende deur.  een goederenlift. Deze lift werd door de Directie geleverd en de aannemer moest deze vanaf het station Zevenaar vervoeren en monteren. 

beletage
Door verwijdering van de dubbele steektrap in het bredere deel van de gang in het rechter deel ontstond op de beletage een extra brede ruimte die - zonder de doorloop te verhinderen - plaats bood aan onder andere een kachelnis. De hal kreeg een nieuw plafond en de muren werden opnieuw gepleisterd. De kozijnen werden voorzien van nieuwe architraaflijsten.

In de kachelnis stond een kolomkachel die de gang verwarmde en daarnaast de natte jassen aan de kapstok droogde. De gietijzeren kolomkachels hadden namelijk een vrij grote warmtespreiding in tegenstelling tot de open haarden waarvan de meeste warmte via de schoorsteen verdween. Hoewel kolomkachels in kachelnissen een typisch verschijnsel uit de eerste helft van de negentiende eeuw zijn, heeft deze verouderde warmtevoorziening in 1907 alsnog een plekje gekregen in de gang. In de warmere zomermaanden kon de kachel tijdelijk verplaatst worden en vulde men de nis op met bijvoorbeeld een bloemstuk, beeld of een (geschilderd) scherm voor de nis. In het souterrain staan nog altijd enkele kolomkachels los opgeslagen. 

De oude keuken en bijkeuken in het rechter deel veranderden in een (kleine) salon en een boudoir,  een ruimte waar de dames des huizes zich terug kon trekken. Het plafond van het boudoir (nu keuken/zitkamer) is in deze periode vernieuwd. Het middenornament, een gestileerde wolk met daaromheen een stralenkrans, is gelijk aan het middenornament van de naastgelegen gang. De randversiering met perklijst sluit aan op de overhoekse schouw, waarbij bloemdecoraties zijn aangebracht in de overige drie hoeken. Het schuifvenster in het boudoir werd opnieuw afgetimmerd, er kwam een nieuwe vloer en de aanwezige kasten werden uitgebroken, behalve dat deel waar een brandkast in geplaatst werd. 

De interieurs van de kleine eetkamer en de kleine salon werden naar het ontwerp van Cuypers geheel gewijzigd. Tussen de beide ruimtes kwam een nieuwe vleugeldeur met daarin ramen. In de salon moesten twee aanwezige schuifvensters, ‘kompleet met ramen en blinden en lambrisering gesteld en aangewerkt’ worden en moest de aannemer een bestaande schoorsteenmantel tegen een nieuwe boezem in de binnenhoek van het vertrek plaatsen. Ook het plafond werd vernieuwd. In de westelijke zijgevel moesten vier nieuwe lichtkozijnen aangebracht worden, twee op de bel-etage en twee op de verdieping ‘geheel volgens oude model met bijlevering van de nodige zandsteen voor dorpels en latei’. Het is veelzeggend dat Cuypers in de vormgeving van zijn nieuwe vensters niet aansloot bij de grote empire vensters zoals deze door architect Ubbing in 1827 zijn geplaatst. De waardering voor de 19e-eeuwse vensters was in 1907 zeer gering, dus besloot Cuypers voor zijn nieuwe vensters terug te grijpen op het oorspronkelijke venstertype van huis Sevenaer: de smalle kloostervensters.

In de woon-eetkamer werd de spijzenlift in de muur opgenomen en weggewerkt achter deurtjes die aansloten bij de nieuwe buffetkast. Het vertrek kreeg tevens een nieuwe vloer. De Directie leverde een ‘Engelse haard’ die een plek kreeg onder de aanwezige schoorsteenkap en nog altijd aanwezig is. In het bouwbestek uit 1907 wordt melding gemaakt van het aanbrengen van ‘hangers waartegen tengels’ wat wijst op een vernieuwing van het plafond. Het aanbrengen van het stucwerk werd waarschijnlijk separaat aanbesteed. Het middenornament werd vormgegeven in eclectische stijl met onder meer neorenaissance motieven.

Tot slot zijn in zowel het linker als het rechter deel een aantal binnendeuren met deurkozijnen en koplatten omstreeks 1907 vervangen. Deze vernieuwde deuren zijn te herkennen aan de relatief dikke ojiefprofilering. 

1908-heden
×

1908-heden

Meer afbeeldingen


In 1947 volgde de 28-jarige Hubert (Huub) R.R.L. van Nispen tot Sevenaer (1919-2012) zijn oom Lodewijk (sinds 1931 weduwnaar) en zijn tantes op als beheerder van het landgoed Sevenaer. Zij bleven wel allen tot aan hun overlijden in het hoofdgebouw wonen en hadden hun eigen vertrekken. Onder de bezielende leiding van Huub van Nispen groeide het landgoed uit tot een zelfvoorzienend biologisch landbouwbedrijf. Op het gebied van duurzame landbouw was de jonkheer zijn tijd ver vooruit. Zo waarschuwde hij al vroeg voor overmatig gebruik van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen. 

bellensysteem
In de loop van de 20e eeuw werd er ook een vernieuwingslag in de interne communicatie in Huis Sevenaer geïntroduceerd. Na de aansluiting van Zevenaar op het elektriciteitsnet in 1915 werd het mogelijk om voor het huisbellensysteem een nummertableau te gebruiken. Door ergens in huis de elektrische bel te gebruiken viel er een nummer voor één van de openingen in het nummertableau in de hall, het personeel kon zo zien in welk kamernummer er assistentie nodig was. In het rechthoekige nummertableau zaten evenveel elektromagneten als kamers van waaruit men kon bellen, getuige het nummertableau in de hall in het linker deel dus tien ruimtes.

veranderingen 1945-1965
Na de verbouwing van 1907 hebben in Huis Sevenaer nog slechts kleinschalige wijzigingen plaatsgevonden. Gedurende de Tweede Wereldoorlog werd het kleine vertrek geheel rechts op de beletage ingericht als noodkeuken, met een voor adellijke begrippen vrij bescheiden keukeninrichting. De spijsliftjes raakten daardoor in onbruik. Voor de uit 1907 daterende schouw werd een klein fornuis geplaatst en in de andere hoek kwam een klein aanrecht. In het linker deel werd de nieuwe keuken in het smalle dienstvertrek geplaatst, de keukenblokjes zijn hier langs de lange wand geplaatst.

Kort na de oorlog zijn een aantal kamers op de verdieping in de vleugel linksvoor opnieuw ingedeeld door het plaatsen van nieuwe lichte binnenwanden. Deze wandjes zijn opgebouwd uit houten stijl- en regelwerk met daartussen zachtboard platen. 

latere veranderingen
In 1965 is door architectenbureau W.A. Heineman uit Velp een opmeting gemaakt ter voorbereiding van restauratie- en onderhoudswerkzaamheden. Behoudens het dichtzetten van een doorgang beletage van de hoofdvleugel naar de vleugel uit 1827, bleef de indeling en interieurafwerking ongewijzigd. Overige latere veranderingen betreffen het plaatsen van een nieuwe schouw in de hal (onderzijde) en in het vertrek rechts naast de hal op de beletage. 

1400-1550
1550-1750
1750-1827
1827
1827 exterieur
1827 interieur
1907
1907 links
1907 rechts
1908-heden

Introductie


Momenteel worden door Boerman Kreek Architecten plannen ontwikkeld voor de restauratie van het Huis Sevenaer in Zevenaar. De status van rijksmonument speelt een belangrijke rol  bij de beoordeling van deze plannen. Aan ARCX is gevraagd om een bouwhistorisch onderzoek uit te voeren dat inzicht moet geven in de bewaard gebleven historische structuur en de daarin te onderscheiden tijdlagen. Aan de hand van de resultaten daarvan kan vervolgens bepaald worden welke cultuurhistorische waarden bij de verandering in het geding kunnen zijn en waar ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen.

Het onderzoek heeft zich gericht op de ruimtelijke ontwikkeling van het historische gebouw en is opgebouwd uit een aantal onderdelen. Begonnen is met een inventarisatie van de aanwezige gegevens in de literatuur en de verschillende archieven. Hiervoor zijn het Gelders Archief en het Streekarchivariaat de Liemers en Doesburg bezocht. In de verschillende digitale beeldbanken zijn vervolgens historische afbeeldingen, foto’s en kaarten verzameld. Bij het kadaster zijn de beschikbare hulpkaarten opgevraagd. Bij het onderzoek is verder dankbaar gebruik gemaakt van een in 2003 uitgevoerde bouwhistorische verkenning  door Annet Rood en Sabine Verkroost in het kader van hun studie aan de Hogeschool Utrecht HBO+ restauratie. 

Daarna is ingezoomd op het gebouw en zijn op grond van zichtbare bouwsporen en in combinatie met de aangetroffen archiefgegevens, de verschillende veranderingen en verbouwingen gedocumenteerd. Tijdens het onderzoek was het huis gedeeltelijk in gebruik en werd regulier bewoond. Veel bouwhistorische informatie gaat naar verwachting schuil achter afwerkingen, betimmeringen en plafonds. Daarnaast zijn grote delen van de buitengevels bedekt door klimop. Het historische beeld dat verkregen kon worden is dus lang niet volledig en daarom is het onvermijdelijk dat in de tijdlijn perioden met een onzekerheidsmarge, onvolledig of in het geheel niet benoemd worden. 

De bouwgeschiedenis van het complex is chronologisch gepresenteerd in een aantal tijdvensters. Met een kleurcodering wordt deze tevens weergegeven op faseringsplattegronden. Deze kunnen via de bijlagen op groot formaat als pdf geraadpleegd worden. 

De directe link naar deze rapportage op de website: http://www.tijdbeeld.com/projecten/113/zevenaar

beschrijving
Het hoofdhuis van het Landgoed Sevenaer is gesitueerd op een ruim bebost terrein ten oosten van de Wittenburgstraat in Zevenaar.  Het huis is gebouwd op een L-vormige plattegrond en telt boven een overwelfd souterrain twee volledige bouwlagen onder een schilddak. De gevels zijn opgetrokken in schoon metselwerk, het dak is gedekt met gesmoorde oud-Hollandse dakpannen. Aan de noordzijde staat een achtkantige bakstenen traptoren met aan weerszijden een toegang tot de bel-etage aan een verhoogd bordes.  

Voor een uitgebreide beschrijving wordt verwezen naar de recente opmetingsplattegronden van Boerman Kreek Architecten onder de knop 'bijlagen'.

Advies en waardering

 

samenvatting bouwgeschiedenis
Huis Sevenaer is waarschijnlijk aan het eind van de 14e eeuw ontstaan als ‘Smollingshuse’. Aanvankelijk ging het om een eenvoudig zaalhuis waarvan delen mogelijk  in het westelijke deel van de huidige hoofdvleugel bewaard bleven. Dit zaalhuis werd later in de middeleeuwen verlengd en voorzien van een vierkante toren en een achtzijdige traptoren. In 1785 kwam de havezate in handen van de familie Van Nispen die het verbouwde en moderniseerde. Onder leiding van architect J.T. Übbing uit Anholt vond in 1827 een ingrijpende verbouwing plaats, waarbij onder andere de gevelindeling en de kapconstructie veranderden en het interieur gemoderniseerd werd. Ook werden de gevels gepleisterd en werd een vleugel aangebouwd.

In 1907 startte Lodewijk J.M. van Nispen tot Sevenaer samen met zijn drie jongere zussen de exploitatie van het landgoed. Het huis moest daarvoor gesplitst worden, waarvoor de bekende architect Eduard Cuypers uit Amsterdam de plannen tekende. Bij deze verbouwing kreeg het huis in grote lijnen de huidige verschijningsvorm. 

waardering
De cultuurhistorische waardering is onderverdeeld in een aantal deelwaardestellingen. Daarnaast worden de bouwfasering en de waardering visueel gepresenteerd op de bijgevoegde faserings- en waarderingsplattegronden. Deze zijn in hoge resolutie onder het tabblad ‘bijlagen’ te downloaden.
 

algemene historische waarden en waarden vanuit de gebruikshistorie

  • Het gebouw is van belang als hoofdgebouw van het historische landgoed Sevenaer en herinnert op tastbare wijze aan de status van de voormalige eigenaren en bewoners.
  • De verschillende historische gebruiksfuncties van het gebouw zijn duidelijk afleesbaar aan de indeling van de vertrekken en de inrichting daarvan. Samen met de bewaard gebleven technische installaties, historisch meubilair en inventaris vormt het gebouw een unieke tijdcapsule van de 19e en 20e-eeuwse wooncultuur van de adellijke familie Van Nispen en hun huispersoneel.

ensemblewaarden (samenhang) en stedenbouwkundige waarden

  • Het gebouw vormt een historisch bouwkundig ensemble met het koetshuis en de overige (dienst)gebouwen aan de Wittenburgstraat. 
  • De historisch-ruimtelijke relatie tot de directe omgeving wordt daarnaast bepaald door de situering aan de rand van de bebouwde kom van Zevenaar, centraal op een gedeeltelijk ommuurd terrein gelegen in een formele tuinaanleg.

architectuurhistorische waarden

  • Het gebouw is van belang als representatief voorbeeld van een laat-middeleeuws adellijk huis, opgebouwd uit een (verlengd) zaalhuis met aangebouwde vleugel en achtzijdige traptoren. 
  • Het gebouw is van belang vanwege het exterieur en de bewaard gebleven indeling en de afwerking daarvan en de betekenis daarvan voor het oeuvre van de architecten J.T. Übbing en Ed. Cuypers die verantwoordelijk waren voor verbouwingen in de 19e en het begin van de 20e eeuw.
  • Van belang is verder de splitsing van het huis ten behoeve van de gescheiden huishouding van  Lodewijk van Nispen tot Sevenaer en zijn drie zussen. Deze splitsing bepaalde voor een belangrijk deel de huidige indeling en routing, inclusief een tweede representatieve toegang. 

bouwhistorische waarden

  • Het gebouw is van belang vanwege de afleesbaarheid van de bouwgeschiedenis aan de plattegrond, de gevelindelingen, de constructieve opbouw en de interieurafwerking.