Historische context
×

Historische context

Meer afbeeldingen


De boerderij De Negelaer is gelegen op de reliëfrijke dekzandrug tussen de (Oude) IJssel en de Rijn, ten westen van de dorpskern van Nieuw-Wehl. Dit kerkdorp kwam pas na 1900 tot ontwikkeling met de bouw van een school, de R.K. kerk en pastorie en twee café’s. De dorpsbebouwing concentreert zich sindsdien rond de kruising van de Nieuwe Kerkweg en de Monseigneur Hendriksenstraat/Nieuw Wehlseweg. In 1934 werd nabij de kerk een tehuis voor de zusters van Julie Postel in gebruik genomen. Deze zorginstelling zou uitgroeien tot het latere Fatima-complex (het huidige Elver).

boerenbedrijven in ‘Achterwehl’
Oorspronkelijk werd het gebied ‘Achterwehl’ genoemd, een buurtschap die eeuwenlang enkel uit verspreid gelegen boerderijen bestond. Na ontginning van de woeste heidegronden zijn in dit gebied vanaf de middeleeuwen akkers aangelegd. Traditioneel voerden de boerenbedrijven op de zandgronden een gemengd bedrijf, waarbij de nadruk lag op de akkerbouw. In de vroege middeleeuwen ontstond een heidegericht landbouwsysteem, dat gekenmerkt werd door een intensiever gebruik van de heidevelden en het ontstaan van open akkercomplexen. De eerste akkercomplexen kenden een weide-braaksysteem, waarbij op delen van de akkers afwisselend ook vee werd geweid. 

Tot ver in de 18e eeuw was de veehouderij zwak ontwikkeld en diende deze hoofdzakelijk voor de productie van stalmest. Verse melk werd alleen voor eigen gebruik geproduceerd en van de overige melkproducten was alleen boter voor langere tijd houdbaar. Om de grond niet uit te putten maakten boeren gebruik van plaggenbemesting. De mest werd in potstallen verzameld, waar zich in de loop van het jaar een dikke laag mest opbouwde die gemengd werd met heide- of bosstrooisel.

De boeren verspreidden het compostmengsel over het bouwland dat hierdoor in de loop der jaren steeds hoger kwam te liggen. Op de akkers verbouwden de boeren hoofdzakelijk rogge, afgewisseld met haver, gerst en boekweit. Tot ver in de 19e eeuw waren de meeste landbouwbedrijven kleinschalig en bleef het heidegerichte potstalsysteem in stand. De omvang van de boerderij was daarbij afhankelijk van de hoeveelheid mest die beschikbaar was. 

Kleefs gebied
Het gebied rond ‘Achterwehl’ was in de late middeleeuwen een grensgebied, waar zowel de graven van Kleef en Gelre en ook de graaf van Bergh bezittingen hadden en hun belangen verdedigden. Door oorlog, vererving en verpanding vonden voortdurend verschuivingen van de machtsverhoudingen plaats. In de 14e eeuw breidden de Kleefse hertogen hun invloed in ‘de Lymers’ uit en werd Wehl samengevoegd met Kleefs gebied in Didam en Beek. Wanneer deze laatstgenoemde gebieden in de 15e eeuw aan van de graaf van Bergh toekomen, wordt de heerlijkheid Wehl een geïsoleerde Kleefse enclave. Ook het buitengebied van het huidige Nieuw-Wehl behoorde in ieder geval al in de 17e eeuw tot Wehl, dat aan de noord- en westzijde begrensd werd door de ‘Weelse Wetering’ (Wehlse Beek) en de ‘Diemse Leijgraef’. Pas na de nederlaag van Napoleon in 1815 zou Wehl onderdeel uit gaan maken van het nieuw gevormde Koninkrijk der Nederlanden. 

1735
×

1735

Meer afbeeldingen


Op basis van de oudste Nederlandse kadasterkaarten uit ca. 1832, is bij de meeste Nederlandse steden en dorpen de ruimtelijke ontwikkeling op perceelsniveau vanaf de 19e eeuw gedocumenteerd. Het grondgebied van de heerlijkheid Wehl is echter al in 1735 opgemeten door de landmeter J. Guionneau, als onderdeel van een vroege en succesvolle poging van de Kleefse autoriteiten om een nauwkeurig overzicht te krijgen van het belastingplichtige land en de daarop staande bebouwing. 

‘Der Negelder’
Op de kaart uit 1735 staat ter hoogte van het huidige erf reeds een boerderij en een bijgebouw getekend onder de naam ‘Der Negelder’. In het bijbehorende register wordt G.L. von Heringsmatt als eigenaar vermeld. De situering van de tegenover elkaar gelegen boerderij en schuur komt overeen met de huidige erfindeling, maar de omvang van de boerderij en de oriëntatie van de gebouwen ten opzichte van elkaar verschilt met de weergave op de kadastrale minuutkaart van 1832. De boerderij was in 1735 een stuk kleiner - hoogstens drie gebintvakken - en was aan de achterzijde voorzien van een zogenaamde ‘onderschoer’. Dit hield in dat het middendeel van de achtergevel insprong en dat de deeldeuren naar binnen waren verplaatst tot ruim onder de rieten kap. Hiermee ontstond buiten de deuren een overdekte buitenruimte, waar bijvoorbeeld gereedschap droog kon worden neergezet. 

Binnen de huidige boerderij zijn op de gebinten geen sporen aangetroffen van een voormalige onderschoer. Daarnaast valt uit de materialisering, nummering (telmerken) en verbindingen van de gebintenstructuur geen verschil in bouwfasen af te leiden die past bij een substantiële verlenging/vergroting van een bestaande, oudere boerderij. Op basis van deze gegevens moet geconcludeerd worden dat de huidige boerderij zeer waarschijnlijk tot stand is gekomen door nieuwbouw na 1735.

funderingsresten
Binnen het tegenwoordige woongedeelte zijn ten tijde van de restauratie in 1996 in de gang, het vertrek linksvoor en de achtergelegen keuken funderingsresten van muurwerk aangetroffen die deels geen directe relatie hadden met de indeling zoals deze voor 1996 bestond. De gevonden restanten zijn wel gefotografeerd, maar op basis hiervan kunnen geen conclusies getrokken worden over ouderdom en het onderlinge verband. Het is goed mogelijk dat delen hiervan te maken hebben met een verdwenen voorganger van de huidige boerderij, maar het kan ook gaan om gesloopt muurwerk ten behoeve van een later gewijzigde indeling van het woongedeelte.

de schuur
Direct ten westen van de boerderij staat een vrijstaande schuur, waarvan het dak begin vorig jaar is ingestort. Hierdoor is het interieur van het gebouw slechts beperkt waarneembaar. In de historische kaartvergelijking komt de omvang van de schuur in 1735 vrijwel overeen met de contour die in ca. 1832 is ingemeten. De hoofddraagconstructie van de schuur wordt gevormd door een (grotendeels ingestorte) sporenkap die ondersteund wordt door eiken ankerbalkgebinten. Bij de verkenning waren geen telmerken in het zicht. Het eerste ‘gebint’ is opgenomen in de voorgevel, waarvan de onderzijde is opgetrokken met handgevormde bakstenen in kruisverband. Waarschijnlijk was hier oorspronkelijk sprake van een vakwerkgevel. Beide gebintstijlen bevatten onder de pengaten van de verdwenen korbelen namelijk nog sporen van een dwarsverbinding. Het houten raamwerk zal later vervangen zijn door de huidige invulling. De combinatie van de historische kaartvergelijking en de eiken gebintenstructuur maakt een datering van de hoofddraagconstructie van de schuur voor 1735 aannemelijk. Bij verbeterde toegankelijk van de schuur zou aanvullend onderzoek meer duidelijkheid kunnen verschaffen. 

De bovenzijde van de voorgevel is afgewerkt met verticaal geplaatste houten planken. Bijzonder is dat de dubbele bedrijfsdeuren aan de buitenzijde tussen beide deurhelften nog voorzien zijn van een zogenaamde ‘middeler’. Met deze uitneembare paal konden de deuren vanaf de buitenzijde worden dichtgezet. Op twee plaatsen zijn een soort krammen aangebracht. Door het oog van deze krammen, die aan de deelzijde van de paal uitstaken, werd een wigvormig stukje hout (een ‘slöttel’ of ‘slaeger’) gestoken om de deuren te vergrendelen. 

1735-1800
×

1735-1800

Meer afbeeldingen


Zoals in het vorige venster reeds is vermeld, bevatten de gebinten van de boerderij geen sporen van aanpassingen die duiden op substantiële uitbreiding van de hoofddraagconstructie. De gebintenstructuur is in één bouwfase tot stand gekomen en de omvang van De Negelaer op de kadastrale minuut van 1832 komt vrijwel overeen met de huidige situatie. De boerderij moet dus tot stand gekomen zijn na nieuwbouw tussen 1735 en 1832. 

de boerderij
Het rieten dak van boerderij de Negelaer wordt gedragen door gekantrechte eiken daksporen, hier en daar aangevuld met daksporen van rondhout. De daksporen zijn onderling horizontaal met elkaar verbonden met eiken haanhouten die genummerd zijn met gezaagde telmerken. De sporenkap wordt ondersteund door platen die rusten op vier eiken ankerbalkgebinten en oorspronkelijk doorliepen van voor- tot achtergevel. De gebinten stonden zowel in het woon- als in het bedrijfsgedeelte en zijn van voor naar achter van II tot V genummerd met gehakte telmerken. De stabiliteit in de langsrichting wordt geborgd door de windschoren die in de gebintstijlen en de gebintplaten gepend zijn. De combinatie van een eiken gebintconstructie, het gebruik van zowel gehakte als gezaagde telmerken en het gegeven dat de gebinten doorlopen tot in het woongedeelte wijzen op een aanzienlijke ouderdom van de constructieve opzet. Vooralsnog wordt uitgegaan van nieuwbouw in de tweede helft van de 18e eeuw. 

De constructieve opzet van de gebintenstructuur komt grotendeels overeen met de wijze waarop gebintwerken van hallehuisboerderijen in heel Oost-Nederland gemaakt zijn, maar vertoont één bijzondere afwijking. De gebintstijlen zijn in de lengterichting normaliter alleen verbonden door de bovenop de stijlen geplaatste gebintplaten en de steekrijen. Bij De Negelaer zijn echter ook vlak boven de windschoren verbindingen tussen de gebintstijlen aangebracht in de vorm van in beide gebintstijlen gepende, eiken regels. Deze in de gebintstijlen gepende regels zijn meegenummerd met de constructie, lopen door tot in het woongedeelte, maar vervullen in principe geen dragende functie.
Dit soort langsregels zijn geen standaard onderdeel van de gebintconstructie van het oost-Nederlandse hallehuis. In de literatuur zijn hiervan ook geen voorbeelden gedocumenteerd. Het is opvallend dat bij bouwhistorisch onderzoek in het buitengebied van Doetinchem dit verschijnsel een aantal malen eerder waargenomen kon worden (o.a. bij Oude Doetinchemseweg 22, Hoekhorsterweg 3 en één van de bijgebouwen van kasteel De Kelder).
Eerder werd aangenomen dat dit soort gebintstructuren aanvankelijk geen driebeukige opzet hadden, maar éénbeukig waren met buitenwanden uitgevoerd in vakwerk. De aangebrachte verbindingsbalken tussen de gebintstijlen zouden dan oorspronkelijk als wandregels gefunctioneerd hebben. De ruimte tussen deze regels kon opgevuld zijn met aangesmeerd vlechtwerk, houten delen of metselwerk. 

Bij het onderzoek van de Negelaer kon voor het eerst vastgesteld worden dat dit constructieonderdeel niet alleen in het woongedeelte aangebracht was, maar ook boven de hilden in het bedrijfsgedeelte. Van een (verdwenen) wandafwerking zijn geen sporen aangetroffen. Bovenstaande theorie kan dus geen stand houden.
De exacte reden voor het aanbrengen van deze langsregels blijft onduidelijk, mogelijk vindt deze een oorsprong in de plaatselijke houtbouwtraditie, waar binnen tot ver in de 19e eeuw dragende ankerbalkgebinten de norm waren. Mogelijk werden de bij éénbeukige huizen zo gebruikelijke wandregels op grond van gewoonte en gebruik ook in de boerderijbouw toegepast. De hinder die men daarvan ondervond bij het oprichten en in elkaar zetten van de gebinten nam men daarbij kennelijk voor lief.

Oorspronkelijk heeft ter plaatse van de voorgevel een eerste gebint gestaan dat zeer waarschijnlijk onderdeel uitmaakte van een vakwerkgevel: een houten raamwerk met een vulling van vlechtwerk en leem of een betimmering van planken. Deze bouwwijze heeft lang overleefd, de toepassing van vakwerk bij boerderijen werd pas in de loop van de 18e eeuw slechts geleidelijk verdrongen door de uitvoering van buitengevels in baksteen. De nok van het rieten (schuine) zadeldak liep in deze tijd nog door tot aan de voorgevel, waarschijnlijk eindigend in een overstekend wolfseind. Er was nog geen sprake van een groot, dwarsgeplaatst voorhuis. 

indeling en bouwtraditie
Hoewel vanwege latere moderniseringen vrijwel niets resteert van het historische interieur, is wel iets te zeggen over de oorspronkelijke indeling van de 18e-eeuwse boerderij. De opbouw en indeling is karakteristiek voor de bouwtraditie van het ‘hallehuis’. Deze in de middeleeuwen ontstane boerderijvorm combineerde woon-, stal- en tasruimte onder één dak, was zeer geschikt voor het gemengd bedrijf en is in heel Oost-Nederland en het aangrenzende Duitse grondgebied toegepast. De dragende constructie met ankerbalkgebinten zorgde voor een driebeukige opzet en verdeelde de boerderij in een brede, hoge middenbeuk en lage zijbeuken aan weerszijden. De brede middenruimte aan de achterzijde, de deel, werd open gelaten en was in gebruik als wagenstalling en dorsvloer. Vanwege de relatief laag liggende ankerbalken was er sprake van een ruime zolder met een grote opslagcapaciteit voor de oogst. In de zijbeuken stonden de koeien gestald in potstallen, hier konden tevens paardenstallen en eventueel varkenshokken ondergebracht worden. De ruimte boven deze stallen (de ‘hilden’) kon de boer gebruiken als bergruimte. 

Ook in het woongedeelte aan de voorzijde zorgde de toepassing van de ankerbalkgebinten voor een driebeukige indeling. De middenbeuk bevatte de ‘heerd’, de voornaamste centrale woonruimte, waar aanvankelijk het enige haardvuur brandde en daarom geleefd, gekookt en gegeten werd en huishoudelijke werkzaamheden verricht werden. Oorspronkelijk was er geen sprake van een gang en gaf de voordeur direct toegang tot de heerd. Op deze multifunctionele ruimte kwamen vaak ook één of meerdere bedsteden uit. Beide zijruimten, met destijds nog een schuine zoldering, zullen in gebruik geweest zijn als slaapplaats, bergruimte of spoel- en/of wasruimte. De zolder boven het woongedeelte diende voornamelijk als opslagplaats voor het gedorste graan en was met een houten schot afgescheiden van de achtergelegen oogstberging. 

1800-1832
×

1800-1832

Meer afbeeldingen


Omstreeks 1832 is landbouwer Derk Lucassen eigenaar van De Negelaer. Op het erf staan op dat moment naast de boerderij en de schuur nog twee andere bijgebouwen, waarvan één mogelijk dienst heeft gedaan als bakhuis. De familie Lucassen heeft tot ver in de 20e eeuw op de boerderij gewoond en gewerkt. 

van krukhuis tot T-huis
In het eerste kwart van de 19e eeuw is de boerderij versteend en vond tegelijkertijd een vergroting van het woongedeelte plaats. Het voorhuis werd vernieuwd met bakstenen gevels in kruisverband en twaalfruits schuifvensters. Aanvankelijk had men alleen aan de linkerkant de zijgevel opgehoogd, zodat hier een volwaardig woonvertrek ontstond zonder schuine zoldering, met een kelder en een opkamer. Daarboven sloot een dwarskap aan op de hoofdkap, waarmee de boerderij de vorm van een zogenaamd krukhuis kreeg. Pas later is ook de rechter zijbeuk van het woongedeelte opgehoogd. Ook hier kreeg de zolder een dwarskap, zodat de nok een T-vorm kreeg. De kapconstructie aan de rechterkant is opgebouwd uit zware, rondhouten daksporen en de verbindingen hiervan zijn gerealiseerd met gesmede spijkers. Links is de kapconstructie later vernieuwd. 

In de voorgevel getuigt een duidelijke bouwnaad nog van het faseverschil in het metselwerk en de verbouwing van krukhuis tot T-huis. Bij vergelijking van de kadastrale minuutkaart uit 1832 met latere kadastrale hulpkaarten, valt op dat de contour van het woongedeelte in 1832 al overeenkomt met de contour van het huidige brede voorhuis. De verbouwing tot T-huis zou dus voor 1832 moeten hebben plaatsgevonden. Het doel van de modernisering en uitbreiding van het voorhuis betrof niet alleen het verbeteren van het wooncomfort, belangrijk was ook dat hiermee de opslagcapaciteit van de zolder voor het gedorste graan flink werd vergroot.

indeling
Het woongedeelte werd weliswaar verruimd, maar de driebeukige indeling met een centrale heerd en twee zijkamers bleef intact. De draagconstructie in de vorm van het eerste gebint werd vervangen door in de gemetselde buitengevels en binnenmuren opgelegde, enkelvoudige balklagen. Ter hoogte van gebint II bestaat de scheidingsmuur tussen woongedeelte en bedrijfsgedeelte hoofdzakelijk uit vulwerk, zichtbaar op foto’s gemaakt tijdens de restauratie eind vorige eeuw. Tegen deze muur was een ondiepe bedstedenwand gemaakt die toegankelijk was vanaf de heerd. Later zijn deze bedstedes uitgebouwd tot ruimere slaapkamertjes. In het centrale woonvertrek lag oorspronkelijk een vloer van rode en gesmoorde estrikken. De grote schouw was gepositioneerd tegen de scheidingsmuur tussen heerd en rechter zijkamer, zodat beide vertrekken verwarmd konden worden. Hierin zal in deze tijd nog altijd een open vuur hebben gebrand.

1877-1900
×

1877-1900

Meer afbeeldingen


In november 1877 is door het kadaster een hulpkaart van het erf getekend waarop is aangegeven dat de boerderij aan de noordkant een stuk vergroot is. Aanleiding hiervoor was de bouw van de stal die tot aan de restauratie van 1996 tegen de rechter zijgevel van de boerderij heeft gestaan. Ook de vrijstaande schuur tegenover de boerderij werd voorzien van een (later weer gesloopte) aanbouw. De toenmalige eigenaar en boer Willem Lucassen (1817-1881) was getrouwd met Theodora Bles (1838-1884). Zij kregen samen elf kinderen, waarvan een aantal al op jonge leeftijd overleed.

verlenging van het bedrijfsgedeelte
Op de kadastrale hulpkaart van 1877 is ook te zien dat het bedrijfsgedeelte aan de achterzijde iets is verlengd. De bestaande achtergevel werd gesloopt en een stukje verder opnieuw opgetrokken, waarmee de achtergevels van de boerderij en de schuur op één lijn kwamen te liggen. Omdat de achtergevel kort na 1950 wederom is vernieuwd, is niet bekend hoe deze er precies uitgezien heeft. De verlenging aan de achterzijde is wel goed afleesbaar aan de hoofddraagconstructie. Het verlengde deel van het dak wordt niet door eiken daksporen ondersteund, maar door sporen van rondhout. Daarnaast is bij deze verbouwing het achterste gebint voorzien van een nieuwe naaldhouten ankerbalk en nieuwe windschoren aan de westzijde die tegen de bestaande gebintstijl gespijkerd zijn. Waarschijnlijk zijn in deze periode ook de rondhouten dekbalkgebinten geplaatst die op alle ankerbalken in het bedrijfsgedeelte staan en in combinatie met een tweede gebintplaat voor extra ondersteuning van het dak zorgen. 

1900-1930
×

1900-1930

Meer afbeeldingen


Na het overlijden van zijn ouders in de jaren ’80 van de 19e eeuw nam de oudste zoon Hendrikus Theodorus Lucassen (1869- voor 1938) de boerderij over. Hij trouwde in 1907 met Petronella Berendina Maria Holtslag (1883-?), met wie hij in ieder geval vier kinderen kreeg. In de periode tussen grofweg 1900 en 1930 is het echtpaar verantwoordelijk geweest voor diverse wijzigingen in het woongedeelte, die waarschijnlijk allemaal uitgevoerd zijn door H.J. Nibbeling, timmerman en vaste aannemer van de boerderij. Een opschrift met zijn naam en de datum 13 oktober 1921 is aangetroffen op de voormalige scheidingswand tussen woon- en bedrijfsgedeelte aan de zijde van de deel. Negen jaar later schreef Nibbeling de datum 26 juni 1930 op één van de nieuwe vloerplanken in het rechter zijvertrek. 

modernisering van het woongedeelte
In het eerste kwart van de 20e eeuw is de linker zijgevel van het woongedeelte opnieuw opgetrokken in machinale baksteen. Omdat het keldergewelf onder de hier gelegen opkamer intact bleef, zijn aan de onderzijde nog een paar lagen oud metselwerk blijven zitten. Tegelijkertijd liet de familie Lucassen rondom op zolderniveau nieuwe stolpvensters plaatsen en is ook de dwarskap van het voorhuis aan deze kant vernieuwd. De boogvelden boven de nieuwe vensters werden gevuld met siermetselwerk. De reden voor deze verbouwing is niet bekend, wellicht was er sprake van een intensiever of ander gebruik van de zolder boven het woongedeelte. Hier zijn echter nooit slaapkamers gerealiseerd, een ontwikkeling die bij veel andere boerderijen in deze periode wel heeft plaatsgevonden. 

De familie sliep aanvankelijk nog altijd op de begane grond, waar de bedstedenwand in 1921 had plaatsgemaakt voor wat ruimere slaapkamers die waren uitgebouwd in het bedrijfsgedeelte. Aan de rechterkant deed een vertrek dienst als spoelruimte, met daarboven een in de zolder van het bedrijfsgedeelte getimmerde (slaap)kamer voor de knecht. Niet lang na het opnieuw optrekken van de linker zijgevel van het woongedeelte werd het aangrenzende muurwerk van het bedrijfsgedeelte hoger opgetrokken. Waarschijnlijk heeft deze verbouwing omstreeks 1930 heeft plaatsgevonden. De nieuw ontstane woonruimte in de deel werd op de begane grond benut voor het onderbrengen van een aparte keuken. Via een vaste trap waren twee extra slaapkamers op de verdieping boven de keuken toegankelijk. 

De heerd zal na het realiseren van een nieuwe keuken hoofdzakelijk als zitkamer gebruikt zijn. Dit vertrek was een stuk kleiner geworden door het plaatsen van een gang achter de voordeur, een noviteit die vanuit de stedelijke architectuur pas vrij laat op het platteland geïntroduceerd werd. Het centrale woonvertrek kreeg een nieuwe tegelvloer en er werd een nieuwe schouw geplaatst.

vernieuwing van de stalinrichting
Tegen het einde van de 19e eeuw ging de veehouderij de boventoon voeren en werden koeien niet langer hoofdzakelijk gehouden om de akkers te kunnen bemesten. In de jaren na 1878 waren de graanprijzen in Europa gekelderd, als gevolg van de import van goedkoop Amerikaans graan. Omdat de vraag naar vlees en zuivelproducten van de groeiende bevolking toenam, werd het voor de boeren op de Nederlandse zandgronden steeds aantrekkelijker om goedkoop graan te voeren aan het vee en het vlees en de melk daarvan voor een goede prijs te verkopen. Tegelijkertijd begon door wetenschappelijk onderzoek het besef door te dringen dat de efficiëntie en de hygiëne op boerderijen te wensen overliet en dat hier aanzienlijke verbeteringen te bereiken waren. Het gebruik van de potstallen, waarbij het vee voortdurend in de eigen mest stond, kwam de kwaliteit van de melk en de opbrengst van de zuivelproducten niet ten goede. Vanaf het einde van de 19e eeuw werden de potstallen dan ook overal vervangen door zogenaamde grupstallen, bestaande uit een vaste standplaats met daarachter een mestgoot (de grup). Dit proces werd aanzienlijk versneld door de introductie van de kunstmest, waardoor de boeren minder van stalmest afhankelijk waren. 

Ook op de Negelaer zullen de oude potstallen in de zijbeuken op enig moment plaatsgemaakt hebben voor grupstallen. Omdat niets resteert van de oude stalinrichting - later zijn aan beide zijden mestputten aangelegd met roostervloeren - is deze ontwikkeling hier minder goed te volgen. Achter de grup zal een pad gelopen hebben waarlangs de mest kon worden afgevoerd door staldeuren in de achtergevel of zijgevels. Om hiervoor voldoende staruimte te creëeren was het waarschijnlijk noodzakelijk dat de zijgevels destijds een stukje verhoogd werden. Aan de hand van de verschijningsvorm van de linker zijgevel, voorzien van een bakstenen uitkraging, vond deze verandering plaats omstreeks of kort na 1900. 

1950-1996
×

1950-1996

Meer afbeeldingen


In de tweede helft van de 20e eeuw hebben tot aan de restauratie in 1996 nog verschillende kleine verbouwingen plaatsgevonden die met name in het exterieur van de boerderij en de vrijstaande schuur hun sporen hebben nagelaten. Het boerenbedrijf was in deze periode eigendom van vier telgen van de familie Lucassen, waarschijnlijk allen zonen en dochters van  Hendrikus Theodorus Lucassen en Petronella Berendina Maria Holtslag: Anna Elisabeth Maria (geb. 1909), Bernardus Hendrikus (geb. 1916), Koenraad Jozef (geb. 1925) en Josephina Alberta Maria (geb. 1927). 

veranderingen exterieur
Kort na 1950 zijn enkele gevels in het geheel vernieuwd en is van bestaande gevels de vensterindeling aangepast. Zo werden zowel de voor- als de achtergevel van de tegen de boerderij gebouwde schuur vernieuwd in halfsteens verband. Aansluitend is op vergelijkbare wijze ook de achtergevel van de boerderij zelf opnieuw opgetrokken. De gevelindeling bleef zeer traditioneel, met centraal de dubbele deeldeuren, geflankeerd door (betonnen) stalvensters en staldeuren aan beide uiteinden. Omdat de paarden in de noordelijke zijbeuk hun standplaats hadden, is de staldeur hier iets hoger uitgevoerd dan aan de zuidzijde. Ongeveer tegelijkertijd zullen in de bestaande linker zijgevel van het bedrijfsgedeelte nieuwe betonnen stalvensters zijn geplaatst. Voor 1996 zijn hier de grupstallen vervangen door moderne stallen met mestputten en roostervloeren. Op de deel kwam een betonvloer te liggen. 

Van de vrijstaande schuur tegenover de boerderij zijn in deze periode, waarschijnlijk in meerdere fasen, alle gevels behalve de voorgevel vernieuwd en voorzien van houten staldeuren en betonnen en gietijzeren stalvensters. Bij het metselen van de linker zijgevel en de achtergevel zijn oude handgevormde bakstenen hergebruikt. Tot slot verschenen er nog enkele nieuwe bijgebouwen op het erf die verder niet onderzocht zijn. Het gaat hierbij om een kleine schuur/garage aan de zuidzijde van de boerderij, een wagenstalling aan de noordzijde van de vrijstaande schuur en een landbouwwerktuigenloods verderop aan de zuidzijde van het erf.

 

1996-heden
×

1996-heden

Meer afbeeldingen


Tegen het einde van de 20e eeuw komt boerderij De Negelaer via vererving buiten de familie Lucassen in eigendom van de zwager van de heer Volman, de huidige eigenaar. Hij vraagt in 1996 vergunning aan voor een omvangrijke restauratie en verbouwing van de boerderij, die dan al niet meer als zodanig in gebruik is. 

restauratie van het exterieur
De ingrijpende restauratie startte met het slopen van de aangebouwde schuur uit omstreeks 1877. Na de afbraak hiervan werd de rechter zijgevel van het bedrijfsgedeelte van de boerderij volledig opnieuw opgetrokken. Verdere werkzaamheden hadden wat betreft het exterieur betrekking op het grotendeels vernieuwen van het rieten dak, de restauratie van metselwerk en voegwerk, het vernieuwen van vensters en deuren naar bestaand voorbeeld en het vervangen van een raam door een deur in de linker zijgevel ter hoogte van de voormalige keuken (de huidige hal). 

verbouwing van het interieur
De verbouwing van het interieur stond grotendeels in het teken van het uitbreiden van het aantal woonvertrekken. Dit werd allereerst bereikt door het bouwen van een nieuwe scheidingsmuur die een stukje verder op de deel kwam te staan ter hoogte van gebint III. De in de deel uitgebouwde, voormalige slaapkamertjes en de was- en spoelruimte maakten plaats voor een ruime hal met een nieuwe verdiepingstrap en een wasberging en een nieuwe keuken aan de rechterkant. In het voorhuis zelf werd de gangmuur gesloopt, waardoor men nu weer ‘met de (voor)deur in huis valt’. Het interieur is hier vrijwel volledig gestript en vernieuwd, met nieuwe tegelvloeren en binnendeuren. Ook de binnenmuur tussen de centrale woonkamer en de rechter zijkamer is in deze periode tot stand gekomen, met nieuwe schouwen aan weerszijden. 

Met het aanbrengen van een nieuwe zolderbalklaag verminderde de stahoogte op zolder, maar ontstond in het woongedeelte tot aan de nieuwe scheidingsmuur een volwaardige verdieping. Na het slopen van de oude slaapkamers boven de voormalige keuken en het kamertje voor de knecht werd de verdieping ingedeeld met drie slaapkamers aan de voorzijde met daarachter een overloop, badkamer en hobbykamer. In het voormalige bedrijfsgedeelte bleef de bestaande indeling grotendeels in stand. Behoudens de nieuwe scheidingsmuur kwamen er nieuwe vloeren in de zijbeuken en in de met een binnenwand afgescheiden noordelijke zijbeuk is een workshopruimte van Negelaer-creatief ingericht. 

 

Historische context
1735
1735-1800
1800-1832
1877-1900
1900-1930
1950-1996
1996-heden

Introductie


aanleiding
Aan de Monseigneur Hendriksenstraat 25 in Nieuw-Wehl staat boerderij ‘De Negelaer’, die op 1 december 1983 als Rijksmonument is aangewezen. In de beschrijving van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) wordt het pand - op basis van het exterieur - gekarakteriseerd als een midden 19e-eeuwse boerderij. Omdat op deze plek ook op een 18e-eeuwse kaart al bebouwing staat, waren er vermoedens dat het pand een veel oudere oorsprong kent. Hetzelfde geldt voor de vrijstaande schuur die tegenover de boerderij op het erf staat en waarvan in 2018 een groot deel van het dak is ingestort. Deze schuur zal op korte termijn hersteld worden. 

Hoewel er op dit moment geen plannen zijn om de boerderij te verbouwen, hebben de eigenaren opdracht gegeven voor een bouwhistorische verkenning om meer inzicht te krijgen in de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis. Vanwege de beperkte toegankelijkheid is de bouwvallige schuur niet gedetailleerd onderzocht en is de ruimtelijk-historische ontwikkeling hiervan slechts op hoofdlijnen in de bouwhistorische rapportage opgenomen. Zodra er meer van de constructie in het zicht is, zal de rapportage op basis van nader veldonderzoek aangevuld worden. De overige (recentere) bijgebouwen op het erf zijn niet onderzocht. 

onderzoek
Het onderzoek was gericht op het in kaart brengen van de bouw- en verbouwgeschiedenis van de boerderij op hoofdlijnen, met specifieke aandacht voor de vroegste bouwfasen. Allereerst zijn de aanwezige gegevens in de literatuur en archieven geïnventariseerd. Hiervoor is een bezoek gebracht aan het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers (ECAL) in Doetinchem. Op locatie zijn enkele historische foto’s van de boerderij en fotoalbums van de restauratie uit 1996 bestudeerd. Het veldwerk heeft plaatsgevonden op 7 november en 19 december 2018. De bouwhistorische verkenning is uitgevoerd conform de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek van april 2009. 

digitale rapportage
alle gegevens zijn chronologisch geordend en digitaal gepresenteerd in opeenvolgende vensters in de tijdlijn op www.tijdbeeld.com. De directe link naar de rapportage is: http://www.tijdbeeld.com/beveiligd/106/nieuw-wehl?token=GIG76OAR

Hoewel via de website een PDF-versie van het rapport gegenereerd kan worden, is dit hoofdzakelijk bedoeld als archieffunctie. Tekst en afbeeldingen zijn optimaal te bekijken via de website. 
 

situering en beschrijving
De boerderij is gelegen op een ruim erf aan de zuidzijde van de Monseigneur Hendriksenstraat, in het westelijk buitengebied van de dorpskern van Nieuw-Wehl. Het pand is gebouwd op een T-vormige plattegrond en telt aan de achterzijde (bedrijfsgedeelte) één bouwlaag onder een met riet gedekt, afgewolfd zadeldak. Ter plaatse van de zijbeuken is de onderste laag van het dak gedekt met gesmoorde golfpannen. De boerderij telt aan de voorzijde (woongedeelte) twee bouwlagen onder een rieten schilddak. Het woongedeelte is aan de zuidzijde onderkelderd en uitgebouwd in het bedrijfsgedeelte met een tweede bouwlaag onder een plat dak. 

Alle gevels zijn opgetrokken in schoon metselwerk. De voor- en zijgevels zijn in kruisverband gemetseld, de achtergevel in halfsteens verband. Zie voor de indeling van de gevels de bijgevoegde foto’s en de desbetreffende teksten in de vensters. 

Aan de westzijde van het erf staat tegenover de boerderij een vrijstaande schuur van één bouwlaag, gebouwd op een rechthoekige plattegrond. De schuur had een aan de voorzijde afgewolfd schilddak dat deels met gesmoorde golfpannen en deels met riet was gedekt.  

Advies en waardering


samenvatting van de bouwgeschiedenis
Boerderij De Negelaer kent een lange en complexe bouwgeschiedenis die met dit onderzoek op hoofdlijnen in kaart is gebracht. Vanwege latere veranderingen en het veelal ontbreken van archiefinformatie is het onvermijdelijk dat sommige perioden in de bouwgeschiedenis onbenoemd blijven en dat bij de analyse van verschillende bouwfasen uitgegaan is van onderbouwde aannames. 

De huidige boerderij is waarschijnlijk ontstaan in de tweede helft van de 18e eeuw op een erf waar in ieder geval al in 1735 een boerenbedrijf gevestigd was onder de naam ‘Der Negelder’. Van het oorspronkelijke gebouw bleef de eiken gebintenstructuur en de eiken kapconstructie grotendeels gaaf bewaard. Ter plaatse van de voorgevel stond nog een eerste gebint dat opgenomen was in een vakwerkgevel. De verstening van de boerderij en de uitbreiding van het woongedeelte heeft plaatsgevonden in de eerste helft van de 19e eeuw. Met de ophoging van het linker- en later het rechter deel van het woongedeelte transformeerde De Negelaer in een krukhuis- en later in een T-huisboerderij. Deze ontwikkeling is nog te volgen aan de hand van de kapconstructie en een bouwnaad in de voorgevel. In deze periode is de huidige verschijningsvorm en hoofdopzet tot stand gekomen, met een dwarsgeplaatst voorhuis en de huidige indeling van het woongedeelte met kelder- en opkamer, heerd en rechter zijkamer. 

In 1877 werd tegen de noordgevel een schuur aangebouwd die in 1996 weer is afgebroken. Tegelijk met deze nieuwbouw verlengde men het bedrijfsgedeelte een klein stukje naar achteren. Bij deze ingreep is tevens de kapconstructie aan de achterzijde en de ankerbalk van het laatste gebint vernieuwd en zijn waarschijnlijk ook de rondhouten dekbalkgebinten geplaatst. In het eerste kwart van de 20e eeuw is de linker zijgevel van het woongedeelte opnieuw opgetrokken. De vernieuwing (en mogelijk verhoging) van de linker zijgevel van het bedrijfsgedeelte dateert waarschijnlijk van rond 1900 en zal te maken hebben gehad met de modernisering van de stallen. Van de historische stalinrichting bleef echter niets bewaard.  

Omstreeks 1921 en 1930 hebben met name in het interieur diverse verbouwingen plaatsgevonden. De veranderingen in deze bouwfase zijn bij de latere restauratie vrijwel allemaal ongedaan gemaakt. Alleen de in het bedrijfsgedeelte uitgebouwde, voormalige keuken aan de zuidzijde herinnert nog aan deze moderniseringsslag. Kort na 1950 is de achtergevel van de boerderij vernieuwd en zijn in de linker zijgevel betonnen stalvensters aangebracht. 

In 1996 begonnen de huidige eigenaren aan een omvangrijke klus: de restauratie en verbouwing van De Negelaer. Na de sloop van de aangebouwde schuur is de rechter zijgevel van het bedrijfsgedeelte opnieuw opgebouwd en is het exterieur gerestaureerd. In het interieur is het woongedeelte naar achteren uitgebreid en is de huidige indeling op de verdieping tot stand gekomen. Het interieur werd volledig gestript en opnieuw afgewerkt, met handhaving van de bestaande driebeukige indeling (inclusief kelder en opkamer) op de begane grond van het voorhuis. 

 

aanbevelingen voor nader onderzoek

  • Geadviseerd wordt om gedurende de restauratie van de vrijstaande schuur, de gebintenstructuur van dit gebouw nader te onderzoeken en op basis hiervan de analyse en conclusie van deze rapportage te actualiseren. 
  • Het is daarnaast aan te bevelen om de mogelijkheden van dendrochronologisch onderzoek te verkennen. Bij dit specialistische onderzoek wordt door middel van een holle boor een monster uit een deel van de (eiken)houten constructie genomen. Aan de hand van het specifieke jaarringenpatroon kunnen de verschillende constructieonderdelen van de kap van de boerderij en de balklagen mogelijk vrijwel exact gedateerd worden. Dit levert bij een geschikt monster waardevolle informatie op over de bouw- en verbouwgeschiedenis. Het verkrijgen van een succesvolle en betrouwbare datering hangt onder andere af van het aantal jaarringen (hoe snel is het hout gegroeid).