voor 1900
×

voor 1900

Meer afbeeldingen

De naam Thorbeckegracht dateert pas uit de negentiende eeuw. Voordien stond de straat bekend als ‘Den Dijk’. Een voor de hand liggende naam, want in feite is de straat niets anders dan de noordelijke dijk van een water waardoor het water afkomstig uit het Sallandse achterland naar het Zwarte Water afgevoerd kon worden. Deze waterloop is omstreeks het midden van de veertiende eeuw gegraven. 

Toen het gebied binnen de wallen werd getrokken ontstond ruimte voor bebouwing, maar al voor die tijd vonden hier langs de oevers allerhande bedrijfsmatige activiteiten plaats. Uit archiefbronnen blijkt dat terreinen aan Den Dijk vanwege de beschikbaarheid van werven en steigers bij handelaren in gebruik waren als houtopslag. Niet alleen hout, ook Bentheimer zandsteen werd tijdelijk opgeslagen op deze steigers. In 1472 had stadsbouwmeester Berend van Covelens op de steigers aan de Leyderweert (= overzijde Thorbeckegracht) 25 zogenaamde blockstenen liggen. Op de kaart die Jacob van Deventer omstreeks 1565 van de stad maakte, is te zien dat langs het westelijke deel van De Dijk al wat bebouwing stond. Het oostelijke deel vanaf de huidige Posthoornsbredehoek is op deze stadsplattegrond nog geheel onbebouwd. Waarschijnlijk lag het gebied destijds nog te laag voor reguliere bewoning.

In het begin van de tachtigjarige oorlog wordt Overijssel het strijdtoneel van de opstand tegen het Spaanse gezag. Ter bescherming van het Katerveer en de doorgaande weg naar het noorden, worden aan het eind van de zestiende eeuw plannen gemaakt om een verdedigingslinie aan te leggen tussen de stad en de IJssel. In de eerste decennia van de zeventiende eeuw wordt ook de middeleeuwse verdedigingsring om de stad gemoderniseerd met aarden bastions en een brede gracht. In de jaren 1606-1609 werd Den Dijk voorzien van een omwalling met vijf bastions. De uitgifte van grond in dit geheel door water omgeven nieuwe stadsdeel werd geregeld bij raadsbesluit van 6 januari 1609. Kort daarna zullen de eerste huizen aan Den Dijk gebouwd zijn. Het Zwartewater, met rond het Rodetorenplein de belangrijkste havenfaciliteiten en aan twee zijden van de Thorbeckegracht kadecapaciteit.
Rond het midden van de zeventiende eeuw is Den Dijk al voor een groot deel bebouwd. Het door de Amsterdamse carthograaf Blaeu uitgegeven vogelvluchtperspectief van Zwolle uit die tijd illustreert dat op overtuigende wijze.

Dankzij de veranderde militair-strategische inzichten werden vanaf omstreeks 1830 de vervallen stedelijke verdedigingswerken geslecht en vooral aan de zuidoostrand van de stad omgevormd tot aangename wandelparken. Op het Noordereiland vestigden zich enkele industrieën op de vrijgekomen ruimte zoals een ijzergieterij en de gasfabriek (1848). Vanwege de gunstige ligging aan het water treffen we tot ver in de vorige eeuw op het noordereiland veel bedrijven en kleinschalige industrie aan zoals een wasserij, een lakstokerij, timmerwerkplaatsen, magazijnen en pakhuizen. Het westelijke deel van het Noordereiland, het voormalige Kraanbolwerk was volledig op het water georiënteerd. Hier vestigden zich Stoomolieslagerij, graanmaalderij en roggebloemfabriek ‘De Volharding’ (gesticht als houtzagerij), een groot pakhuis van Lompen en metalenhandel firma J.I. Heimans & Zn en een grote graansilo. In het kader van grootschalige stedelijke vernieuwingsplannen zijn de gebouwen op het kraanbolwerk recent allen gesloopt [Urban Fabric / Steenhuis stedenbouw/landschap, Zwolle Kraanbolwerk, cultuurhistorische verkenning en analyse, concept rapport 26-02-2008].

1913
×

1913

Bekijk afbeelding

Op 19 september 1913 verlenen B en W van Zwolle aan Henri Louman, meestersmid, vergunning om zijn smederij aan de Thorbeckegracht aan de achterzijde uit te breiden met een nieuwe loods. Omdat het bedrijf aan de Thorbeckegracht nogal wat hinder voor omwonenden veroorzaakt, zullen de door een gasmotor aangedreven valhamer en slijpsteen naar de nieuwe ruimte verplaatst worden. De gasmotor zal daarbij voorzien moeten worden van een dubbele ‘knalpot’. In de nieuwbouw komt verder een groot smidsvuur met drie stookplaatsen, een boormachine en een niet nader gespecificeerde machineopstelplaats. Aan de zijde van de Kanonsteeg wordt een berging gerealiseerd met een urinoir en een privaat (met tonnenstelsel). De gevels worden opgetrokken in schoon metselwerk met een door een rollaag gemarkeerde plintzone. De nieuwbouw wordt gefundeerd op houten heipalen. 

Louman heeft niet lang gebruik gemaakt van deze bedrijfsuitbreiding. Omdat volgens de overlevering de gebouwen al in 1914 overgenomen worden door transportbedrijf Lenderink, is het zelfs maar de vraag of de nieuwbouw wel door Louman in gebruik genomen is. 

1873-1943
×

1873-1943

Bekijk afbeelding

Een van de bekendste Zwolse architecten in de eerste helft van de vorige eeuw was Mannes Meijerink. Mannes is geboren en getogen in Zwolle en heeft het als autodidact ver geschopt. Meijerink had een middelbare technische schoolopleiding. Daarnaast volgde hij nog een opleiding aan de Teekenacademie te Zwolle (Teekenschool-van Dijk aan de Melkmarkt, Zwolle). Tot 1901 was hij werkzaam in de aannemerij, daarna ging hij ook ontwerpen. Deze overgang wordt beschouwd als het begin van Bureau Meijerink. In Zwolle was hij het meest productief op het gebied van scholenbouw. Hij bouwde onder andere de Industrie- en Huishoudschool aan de Emmastraat, de Marnixschool aan de Westerlaan en de Hervormde Kweekschool aan het Assendorperplein, meestal in samenwerking met zijn zoon ir. Harm Meijerink. Het voormalige Christelijke Lyceum aan de Veerallee is door de 3 generaties Meijerink ontworpen.

Uit zijn uitgebreide oeuvrelijst blijkt dat Meijerink bekwaam was in het ontwerpen van gebouwen met specifieke bedrijfsdoeleinden. Op het Noordereiland ontwierp hij bijvoorbeeld ook de smederij en een magazijn voor de Zwolsche IJzergieterij en Machinefabriek “De Nijverheid” van de firma Wispelweij. Dit gebouw was een voorbeeld van het rondboogecclecticisme, die aan het eind van de negentiende eeuw in opkomst was bij fabrieken en pakhuizen. Andere voorbeelden van zijn werk zijn boerderijen, villa’s, kerken, huizen en ontwerpen voor de Nijverheid- en Landbouwtentoonstelling. In 1950 werd Mannes opgevolgd door zijn zoon Harm Meijerink. [ontleend aan: J. Venema, website HCO, ‘Stuk van de maand: Drie architecten Meijerink’, 2006.]

1950
×

1950

Meer afbeeldingen

In 1950 geeft J. Lenderink opdracht voor de bouw van een nieuw magazijn en een paardenstal aan de zijde van de Kanonsteeg. Met name voor lokaal transport maakte het bedrijf nog gebruik van paardentractie. De vier paarden stonden achterin het gebouw, de overige ruimte was in gebruik als opslag en wagenstalling. De uitbreiding is zeer sober vormgegeven, de gevel is ingedeeld met een reeks van tien hoge stalen vensters en een eenvoudige deur. Het metselwerk van de afgeschuinde hoek aan de zijde van de Friesewal is een keer vervangen.
Door deze uitbreideng verloren de vensters in de zijgevel van de oude smederij hun functie, deze zijn destijds daarom met plaatmateriaal afgedekt. 

latere veranderingen
×

latere veranderingen

Van na 1950 zijn geen bouwaanvragen meer bekend. Duidelijk is wel dat de bedrijfsdeuren in de achtergevel vervangen zijn en dat de glazen kappen van de sheds vervangen zijn door kunststof golfplaten. 

voor 1900
1913
1873-1943
1950
latere veranderingen

Introductie

Het bedrijfsgedeelte van Thorbeckegracht 81 in Zwolle maakt onderdeel uit van de voormalige industriële bebouwing van het Kraanbolwerk en is momenteel onderwerp van een herbestemmingsstudie. Vanwege de ligging binnen het beschermde stadsgezicht zal bij de beoordeling van de plannen de cultuurhistorische waarde een rol spelen. Een beknopt bouwhistorisch onderzoek moet inzicht geven in de bewaard gebleven historische structuur en de daarin te onderscheiden tijdlagen. Aan de hand van de resultaten daarvan kan bepaald worden welke cultuurhistorische waarden bij de verandering in het geding kunnen zijn en waar ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen.

Het onderzoek heeft bestaan uit het in kaart brengen van de bouwgeschiedenis van dit gebouw, waarbij tevens de direct beschikbare gegevens (historische foto’s en bouwtekeningen) uit het HCO betrokken zijn. De locatie is bezocht op woensdag 3 december 2014. Door de huidige eigenaar, dhr. Lenderink, is daarbij een toelichting gegeven op de hem bekende bewoningsgeschiedenis door zijn familie. 

 

Beschrijving

Het verdiepingloze gebouw heeft een rechthoekige plattegrond en is tegen de achtergevel van het historische hoofdgebouw aan de Thorbeckegracht aangebouwd.  Het dak bestaat uit vijf sheds die gedekt zijn met kunststof golfplaten. In de achtergevel aan de Friesewal is een brede bedrijfstoegang aangebracht. Met een brede opening in de achtergevel van het voorhuis zijn de bedrijfsruimten voor en achter met elkaar verbonden. 

Tegen de linker zijgevel staat aan de Kanonsteeg over de gehele diepte van het gebouw een wat lagere aanbouw onder een plat dak. De vloeren bestaan uit straatwerk van ceramische klinkers. Behoudens een recent ingebouwde sanitaire ruimte zijn de ruimten verder niet ingedeeld. 

Advies en waardering

Algemeen historische waarden
De nieuwbouw uit 1913 is van belang als laatste tastbare herinnering aan de industriele ontwikkeling die op het Noordereiland en specifiek op het Kraanbolwerk plaatsgevonden heeft in de 19e en eerste helft van de 20e eeuw. 

Ensemblewaarden
Het gebouw is representatief voor het contrast in de historische ontwikkeling van de bebouwing op het Noordereiland. Die bestaat uit een aaneengesloten bebouwingslint woonbebouwing langs de Thorbeckegracht, met aan de achterzijde en op de kop van het Kraanbolwerk functionele bedrijfsmatige gebouwen met een individueel karakter.

Architectuurhistorische waarden
Het ontwerp uit 1913 is van de hand van de bekende Zwolse architect Mannes Meijerink. Het uiterst sobere en doelmatig vormgegeven gebouw is echter zeker niet representatief voor zijn oeuvre. Utilitaire overwegingen hebben geleid tot een functioneel gebouw dat zich vrij onopvallend manifesteert aan de Friesewal. De uitbreiding uit 1950 is vanwege het afdekken van de oorspronkelijke zijgevel te karakteriseren als verstorend. 
De toepassing van een eenvoudige hoofdvorm met sheddaken voor de daglichttoetreding in combinatie met gietijzeren rondboogvensters draagt wel in belangrijke mate bij aan de functionele herkenbaarheid van het gebouw.

Bouwhistorische waarden
De bouwhistorische waarde van het gebouw is vrij beperkt. De hoofddraagconstructie en de materialisatie daarvan is op traditionele en weinig geraffineerde wijze gerealiseerd. Met het vervangen van de glasopeningen in de sheds door golfplaten en de wijziging van de bedrijfstoegang heeft het gebouw een belangrijk deel van de oorspronkelijkheid verloren. 

Waarden vanuit de gebruikshistorie
Het onderzochte gebouw heeft niet of maar zeer kort als smederij gefunctioneerd. Van een historische functie kan daarom niet gesproken worden. Het jarenlange gebruik door transportbedrijf Lenderink heeft in en aan het gebouw geen afleesbare sporen nagelaten. De waarden vanuit de gebruikshistorie zijn daardoor zeer beperkt. 

Aanbevelingen
Het industriele verleden van het Noordereiland is, voor zover het bebouwing buiten de gevelrooilijn van de Thorbeckegracht betreft, vanaf de jaren '70 van de vorige eeuw in een aantal etappes vrijwel geheel uitgegumd. Het onderzochte gebouw is een vroeg 20e eeuws voorbeeld van een industriele werkplaats en als zodanig het enige resterende relict van de industriele ontwikkeling met nog een bedrijfsmatige functie.
De architectonische en bouwhistorische kwaliteiten van deze loods zijn - afgezet tegen de criteria gaafheid en zeldzaamheid - echter beperkt.
Bij de herbestemming van deze locatie is het daarom aan te bevelen om vooral in te zetten op behoud van de ruimtelijk-historische karakteristiek van het gebied. Herkenbaar onderscheid in hierarchie, volume en orientatie tussen de bebouwing aan de Thorbeckegracht en die daar achter zijn daarbij belangrijker cultuurhistorische ijkpunten dan materieel behoud.